Auteur: Rondom Roermond

De Roermondse voetbalheld Pierre Massy

RFC in 1924. Zittend, tweede van links is Massy. Uiterst rechts Harry Schreurs.

In 1967 onthulde ir. Harry Dénis, voormalig aanvoerder van het Nederlands elftal, in Roermond een beeldje van Pierre Massy (1900-1958). In de jaren twintig speelde Massy twaalf keer voor het Nederlands elftal. De Roermondse spil was befaamd om zijn enorme sprongkracht, en zou in zijn geboortestad als een held zijn vereerd. Het beeldje dat door Dénis werd onthuld, was lange tijd het enige dat ooit ter ere van een Nederlandse voetballer werd vervaardigd. Het verhaal van een vergeten Limburgse mythe.

Het bronzen monument, dat door kunstenaar Dolf Wong werd gemaakt in opdracht van het “Comité Vrienden van Pierre Massy”, staat tegenwoordig na wat omzwervingen in de Neerstraat. In 1967 stond het nog pal voor het clubhuis van RFC, de Roermondse Football Club die toen nog was gehuisvest op het sportpark in de de stadswei, waar nu het Design Outlet Centre ligt. Vanaf zijn sokkel keek Massy onverstoorbaar vooruit, in de richting van de voetbalvelden. De mouwen opgestroopt, de benen gespreid en aan zijn voeten een paar zware kistjes.
Vóór de Tweede Wereldoorlog leverde Limburg vijf voetballers aan het Nederlands elftal. H. Felix en J. Soons van MVV speelden één interland, evenals Hub Vroomen van Juliana uit Bleyerheide. Harrie Schreurs van RFC speelde er twee, maar Pierre Massy kwam tot het recordaantal van twaalf. In de sokkel van Dolf Wong’s beeld is een koperen plaat gemetseld. ‘Pierre Massy, Limburgs grootste voetballer’ staat erin gegraveerd.

Volksheld

Uitgerekend op de Dag van de Arbeid werd de mijnwerker een volksheld. Op 1 mei 1927 speelde Pierre (Jèrke) Massy, werknemer van de staatsmijn Emma in Hoensbroek, zijn vierde interland. Die middag speelde Oranje tegen België. Het was een beladen duel en meer dan 30.000 bezoekers vulden het Amsterdamse stadion. Tijdens de wedstrijd liepen de gemoederen onder de supporters zo hoog op, dat agenten te paard moesten ingrijpen om de orde te herstellen.
 Het scoreverloop droeg aanzienlijk bij tot de spanning. Oranje kwam in de eerste helft aan de leiding door twee doelpunten van W.Tap (ADO), maar kort na de rust streken de Rode Duivels de stand recht (2-2). België stelde zich tevreden met de remise, posteerde zich massaal voor het doel van keeper Caudron en liet Nederland vergeefs tegen de rode muur beuken.

Tót Massy zeven minuten voor het laatste fluitsignaal de verlossing bracht. Jaap Weber (Sparta) zette de bal uit een hoekschop voor in het Belgische strafschopgebied. De bal leek te hoog, en onbereikbaar. Maar, als we de sportverslagen mogen geloven, kwam daar plots Massy aanvliegen… uit het niets. De kleine spil sprong boven alles uit, zette zijn hoofd tegen de bal en scoorde de winnende treffer: 3-2.
 Het stadion explodeerde, trilde op zijn grondvesten. Supporters huilden van vreugde, en Massy werd met aanvoerder Harry Dénis op de schouders van zijn ploeggenoten langs de tribunes gezeuld.

Hét doelpunt. Zes minuten voor tijd maakt Massy met een kopbal de winnende treffer tegen de Rode Duivels.

Het doelpunt van de Roermondenaar moet van een uitzonderlijke schoonheid zijn geweest. In de wedstrijdverslagen wordt hij bejubeld, en in de Sportkroniek verschijnt zelfs een gedicht over Massy. Pierre zou “een acrobatischen hoogtesprong” hebben gemaakt, de goal werd omschreven als een “unicum in het voetbal.”
 Eén verslaggever wijdde een paragraaf aan zijn koptechniek, die blijkbaar tamelijk onorthodox was.
 “Terwijl de meeste spelers den bal met het hoofd omhoog werken, kopt hij juist omlaag, waardoor op de meest onverwachte momenten de gevaarlijkste situaties worden geboren. Het hoofd van Massy kan in de internationale wedstrijden gerust als zesde voorhoede-speler doorgaan.”
 Zesde voorhoedespeler? Ja, het was in de tijd dat een aanvalslinie met vijf spitsen (linksbuiten, linksbinnen, midvoor, rechtsbinnen, rechtsbuiten) nog normaal was. Massy’s faam als kop- en sprongspecialist was definitief gevestigd.

Afkomst

De twintigste eeuw was nog geen vijf weken oud, toen Petrus Hubertus Massy, op 3 februari 1900 werd geboren in Roermond. Vader Johannes was een eenvoudige arbeider, en rijk waren de Massy’s, een goed katholiek gezin met veertien kinderen, dus niet. Katholiek en een bescheiden sociale status. Voor een voetballer waren dat in die tijd twee aanzienlijke hindernissen.
 Voetbal was toen nog niet de volkssport van latere jaren, maar een spel voor avontuurlijk ingestelde jongens van gegoede afkomst. Ook de eerste Roermondse voetbalclub RVV, was een elitevereniging: ze werd in 1900 opgericht door studenten aan de Rijks HBS. De namen van een aantal van deze voetballers zijn veelzeggend: jonkheer J. van de Does de Bije, W. van Schoonhoven van Beurden en Baron J. van Lawick.
Bovendien bestonden in de bisschopsstad aanzienlijke vooroordelen tegenover de sport. Tot ver in de jaren twintig orakelden katholieke puriteinen vanaf het altaar of in allerlei geschriftjes, dat van het voetballen alleen maar verderfelijke invloeden uitgingen. Voetballen gebeurde immers in competitie, en dat druiste lijnrecht in tegen de “offerliefde voor hooge Roomsche idealen.”

Van de andere kant waren er ook “voetbalkapelaans” die de sport juist propageerden. Zij stonden aan de basis van verschillende Roomse clubs die na 1910 in Roermond werden opgericht. Bij één daarvan, Roermondia, begon Jèrke Massy zijn voetbalcarrière.
 In 1920 fuseerde Roermondia met het elitaire RVV tot RFC. De nieuwe club meldde zich niet aan bij een van de katholieke sportbonden maar bij de “neutrale”, niet-godsdienstige Nederlandse Voetbal Bond (NVB). Dat besluit bleek later enorm belangrijk voor Massy. In zijn Roermondia-tijd was hij niet verder gekomen dan het Limburgs elftal. Nu kon hij zich nadrukkelijker in de kijker van de selectiecommissie spelen, vooral nadat RFC in 1925 promoveerde naar de hoogste afdeling van de NVB, de eerste klasse.

Vedette

Het beeldje dat Dolf Wong van Pierre Massy maakte, was lange tijd het enige van een Nederlandse voetballer

Bij RFC groeide Pierre Massy uit tot de onbetwiste vedette. Massy’s sterstatus blijkt uit zijn invloed. De Roermondse club werd in de jaren 20 en 30 geleid door twee Engelse trainers, de gebroeders Harry en Bill Julian. Maar Massy bemoeide zich nadrukkelijk met voetbaltechnische zaken. Met de opstelling, de trainingsstof, en zelfs met de betaling van de voetballers. Massy was ook de enige speler die sigaretten (merk: Chief Whip) mocht roken in de kleedkamer. Pierre, een zware roker die trouwens ook niet vies was van een glas bier, maakte er gretig gebruik van.
Massy was een opvallende voetballer, fanatiek en constant in beweging. In de wedstrijdverslagen wordt telkens zijn enorme loopvermogen en “onbluschbare enthousiasme” geprezen, maar hij viel nog in meer dingen op. Tot op zekere hoogte was hij een nieuw type voetballer. Hij had een groot atletisch vermogen, was lenig en beweeglijk, en maakte veelvuldig gebruik van zijn enorme sprongkracht.
 Dat leverde hem ook zijn naamsbekendheid op. Pierre Massy heette een “acrobatische spil” te zijn.
Uit oude kranten en sportbladen blijkt echter dat lang niet iedereen zo gecharmeerd was van die eigenschappen van zijn spel. Vanaf het moment dat Massy debuteerde in het Nederlands elftal, op 21 oktober 1926 tegen Duitsland, was hij een omstreden keus.
Met name het elitaire blad De Corinthian vond zijn manier van spelen maar niks. De voetbaltoppers van nu zijn vooral lichtvoetige, technisch begaafde balkunstenaars, maar daar had de pers in die tijd weinig mee op. De ballen waren een stuk zwaarder dan nu, en een goede voetballer was vooral een zwoeger die een bal fatsoenlijk kon plaatsen. Pierre kon blijkbaar meer, zoals ook bleek uit zijn onorthodoxe koptechniek. Maar dat dartele spel, werd niet door iedereen gewaardeerd.
De Corinthian vond hem “een athletiekclown die hoog opspringt en duikelingen maakt.” Met stelligheid verkondigde het blad dat Massy in Carré geen slecht figuur zou slaan in een “akrobatische voorstelling.”
 Ook De Telegraaf en Het Volk konden het voetbal van de Roermondse buitelaar niet waarderen, terwijl de Revue der Sporten hem “wat te veel acrobaat en te weinig voetballer” vond. “Zijn aangeven van den bal is geheel onvoldoende.”
Het Limburgse voetbalpubliek vond de capriolen van de kleine Jèrke echter geweldig. In het zuiden werd Pierre een idool, vooral nadat hij de winnende treffer tegen België had gescoord. Waar Massy voetbalde, kwamen liefhebbers uit de verre omtrek kijken, en onder zijn naam zouden allerlei artikelen op de markt zijn gebracht.

Belangstelling

Ook internationaal bestond belangstelling voor het Roermondse fenomeen. Gebruik makend van de contacten van zijn Engelse trainer Bill Julian, maakte RFC rond Kerstmis van 1930 een kleine toernee in Engeland. Door dat tijdstip werd het een omstreden reis. Op de eerste kerstdag woonde de selectie de mis bij in de Westminster-kathedraal in Londen, maar nog diezelfde middag werd een wedstrijd gespeeld. Heel katholiek Roermond sprak er schande van dat RFC het waagde om “op een onzer hoogsten feestdagen” te spelen. Ook al was RFC een neutrale club, voetballen op kerstdag was uit den boze. Uit protest weigerde het in Roermond uitgegeven dagblad De Nieuwe Koerier om wedstrijdverslagen te plaatsen, en volstond met de vermelding van de uitslagen. Die zeiden trouwens genoeg. RFC speelde drie wedstrijden, en verloor ze allemaal met minstens vier doelpunten verschil.

Maar de uitblinkende Massy vestigde de aandacht van Newcastle United op zich. Pogingen van de Britse club om “small Massy” in te lijven, liepen echter op niets uit. “Go home” zou Pierre hebben gezegd. Ook vanuit Italië bestond belangstelling voor de dartele spil. AC Milan behoorde tot de gegadigden en bood hem zelfs een restaurant aan. Maar Massy wimpelde alle buitenlandse aanbiedingen af. Waarom? “Ik ga geen geld verdienen over de ruggen van anderen,” zei hij.
Aan het eind van de jaren 20 was Pierre een aanbeden, maar sober levende ster. Massy is nooit rijk geworden van zijn sterstatus en zijn toenmalige naamsbekendheid. Hij bleef wonen in een eenvoudige volksbuurt (eerst de Schoolstraat, daarna het Veld en na de oorlog op de Kemp), en de kost verdienen met hard werken. Hij hield er verschillende baantjes op na. Bij de mijnen, in allerlei fabrieken, en bij de spoorwegen; hij was elektricien en hulpmonteur. Later verdiende hij ook wat bij als voetbaltrainer. Twee keer per week fietste hij daarvoor op en neer naar Boxmeer. Ondertussen dreef zijn vrouw een sigarenwinkel die hem via RFC was aangeboden, op de hoek Neerstraat-Molenstraat.
Massy was zelf geen goede middenstander. Veel klanten kwamen enkel naar de winkel om met de beroemde international over voetballen te praten, maar Pierre had daar geen behoefte aan en liet dat merken ook. “Ze moeten zondag maar naar het voetballen komen kijken,” zei hij dan.

Carrière

Massy lijkt een gevierde voetballer, maar toch duurde zijn carrière als international slechts negentien maanden, van 31 oktober 1926 tot 30 mei 1928. Waarom hij niet langer voor Oranje speelde, is nog steeds een klein raadsel.
 Zijn laatste interland speelde hij tijdens de Olympische Spelen van 1928 in Amsterdam. Nederland speelde de openingswedstrijd tegen Uruguay, de Olympische kampioen van Parijs, vier jaar eerder. Het meespelen van Massy was vooraf onzeker. In een wedstrijd tegen Zwitserland, twee weken eerder, had hij bar slecht gespeeld, en prompt werd hij door bondscoach Bob Glendenning gepasseerd voor een oefenduel tegen Tottenham Hotspur.

Het Nederlands elftal voor een vriendschappelijke wedstrijd tegen de Belgen op 29 augustus 1926. Pierre Massy is de man op de knieën links.

Toch speelde Massy op de Olympische Spelen, maar hij liet geen beste indruk achter. Tijdens de wedstrijd tegen Uruguay was de sfeer opvallend grimmig. Sommige spelers van Oranje hadden vier jaar eerder al eens tegen de Zuid-Amerikanen gespeeld, en daar blijkbaar slechte herinneringen aan overgehouden. In ieder geval moedigde aanvoerder Harry Dénis, die er in Parijs ook al bij was, zijn manschappen nu luidkeels aan om de Uruguyanen onderuit te schoffelen.

Ook Pierre Massy was betrokken bij twee incidenten. Eerst weigerde hij, op advies van Dénis, om de toegestoken hand van een Uruguyaanse speler te accepteren nadat die hem ten val had gebracht. Later trok de Limburgse clown een lange neus naar een tegenstander, nadat hij deze had gepasseerd.
Ongetwijfeld vermaakten veel toeschouwers zich kostelijk met de jolige Jèrke, maar met name de deftige Corinthian vond het optreden van Massy maar niks. “Onsportief”, oordeelde het blad, dat verder de hoop uitsprak dat het nu snel afgelopen was met diens “misselijk makende gedrag.”
Het laatste optreden van Massy in het nationale team viel tegen. De meeste bladen waren het erover eens dat hij, evenals trouwens de andere middenvelders, slecht speelde. Oranje verloor de wedstrijd tegen Uruguay met 2-0 en kon zich vervolgens al gaan opmaken voor een “troosttoernooi” tegen België, Chili en Egypte. Het toernooi zou een paar dagen later beginnen, en tot het zover was zou het Nederlands elftal bijeen blijven. Maar op dat moment gooide Massy de kont tegen de krib. “Ich höb d’r genóg van,” zou hij hebben gezegd, “ik heb er genoeg van.” De overige spelers van Oranje bleven in Amsterdam voor het restant van de Olympische Spelen, maar Massy pakte zijn koffertje, reisde terug naar Roermond, en zou nooit meer in Oranje verschijnen.

De redenen van zijn onverwachte vertrek zijn nooit opgehelderd. Waar had Massy precies genoeg van? Misschien waren het wel de lange, vermoeiende reizen vanuit Limburg naar Holland. Jèrke was en bleef immers een gewone arbeider, die de ene dag werd bejubeld door duizenden mensen, en de volgende dag weer gewoon in de fabriek stond. Het is goed mogelijk dat hij zijn zware arbeidersbestaan niet meer kon combineren met de centrale trainingen in Amsterdam of Den Haag.
Het is ook mogelijk dat zijn sociale status een rol speelde bij zijn besluit. Aan het einde van de jaren 20 was voetballen steeds meer een volkssport geworden, maar vooral in Oranje was de invloed van de oude eliteclubs nog duidelijk merkbaar. Voetballers van verenigingen als HFC, HBS en Alemaria Victrix hadden daar nog een dikke vinger in de pap. De meeste Oranje-klanten waren van bovenmodale afkomst, en zouden later een glanzenden maatschappelijke carrière opbouwen. Aanvoerder Harry Dénis was afgestudeerd aan wat nu de Technische Universiteit heet, doelman Géjus van der Meulen was arts.
 Daarentegen bleef Massy altijd een gewone jongen, een provinciaal bovendien, en dan ook nog uit het door velen als achterlijk beschouwde Limburg. Daar kwam bij dat standsverschillen in die tijd veel belangrijker waren dan nu, en veel nadrukkelijker de betrekkingen tussen mensen bepaalden.

Problemen

Een aardige anecdote, die eveneens van het olympische toernooi in 1928 dateert, lijkt erop te wijzen dat Massy aanpassingsproblemen had. De voltallige selectie van het Nederlands elftal was uitgenodigd voor een diner in het deftige Hotel Américain. Tal van prominenten schoven aan met de voetballers. De burgemeester van Amsterdam was er, evenals de NVB-bobo’s. Maar Massy, de eenvoudige volksjongen, schitterde door afwezigheid. Met de andere international van RFC, Harrie Schreurs (die bekend stond als “Rie van de boer”) trok hij de stad in en kocht daar een visje. Het was niet de eerste keer dat Pierre zoiets presteerde. Soms nam hij zijn eigen boterhammen mee, die hij dan op een bankje in een of ander park oppeuzelde terwijl zijn ploeggenoten in een hotel zaten te dineren.
Tijdens de Olympische Spelen, speelde Massy zijn laatste interland, maar als het aan hem zelf had gelegen, zou zijn carrière langer hebben geduurd. Ondanks zijn plotse vertrek van de Olympische Spelen was Massy zelf niet van plan om Oranje toen al definitief vaarwel te zeggen.
 Dat blijkt, als op 6 oktober 1928 in Rotterdam selectiewedstrijden worden gehouden voor het nationale team. Pierre was opgeroepen, en verschijnt ook. Trainer Bob Glendenning brengt hem onder in de “rode groep”, de eerste keus voor het elftal.
 Massy blijkt echter hopeloos uit vorm. “Massy is niet meer zoo goed als hij langen tijd is geweest,” meldt bijvoorbeeld de Revue der Sporten op 8 oktober. Als Oranje op 4 november tegen België speelt (1-1), is Pierre er niet bij. Zijn plaats is ingenomen door Puck van Heel. die is verhuisd van het linker middenveld naar de spilpositie en een van de beteren van het Nederlands elftal was. De conclusie ligt voor de hand. Massy wist zich niet te kwalificeren.

Koppig

Het is best mogelijk dat Pierre, die als koppig te boek stond, verontwaardigd was over het besluit hem te passeren. Mogelijk heeft hij pas daarná te kennen gegeven dat Oranje niet meer op hem hoefde te rekenen. Na oktober 1928 behoort hij plotseling niet meer tot de 44 voetballers die werden opgeroepen voor keurwedstrijden, en dat is opvallend. Dat Pierre na twaalf interlands zelfs niet meer goed genoeg was voor die brede selectie, is onwaarschijnlijk. Blijkbaar hield hij het voor gezien, toen bleek dat hij niet meer tot de vaste keus van Oranje behoorde.
Het staat overigens vast dat de aandacht van de bondstrainer na 1928 nog jarenlang op hem gevestigd bleef. Zeven jaren lang zwijgen de bronnen over de relatie tussen Massy en Oranje, maar vergeten is hij niet. Dat blijkt als Glendenning hem op 18 september 1935, Pierre is inmiddels al 35 jaar, opnieuw uitnodigt voor deelname aan keurwedstrijden. Een week later stuurt Massy het volgende antwoord:
 “Ik dank u vriendelijk voor Uw uitnodiging en het in mij gestelde vertrouwen. Zeer gaarne zou ik gevolg geven aan Uw oproep en hem mij daarom in verbinding gesteld met mijn werkgever, den Heer H. Smeets, Directeur der R. Smeets Meelfabrieken N.V. alhier. De Heer Smeets was bereid mij in de gelegenheid te stellen morgenavond in Den Haag aanwezig te zijn, doch had bezwaren tegen een verlof van meerdere dagen, om reden dat het een continue-bedrijf is en derhalve een verlof van meerdere dagen voor uitwedstrijden niet gegeven kon worden. Daar ik derhalve niet aan een geregelde training kan deelnemen en voor de buitenlandsche wedstrijden het nodige verlof mis, heb ik, hoezeer het mij ook spijt, moeten besluiten van deelneming aan de trainingen af te zien.”

Held

RFC in 1920, met rechts zittend Pierre Massy

Pierre Massy zou na 1928 nooit meer spelen voor Oranje. In zijn eigen provincie bleef hij echter een held. Diverse clubs, ook van buiten Limburg, waren verwikkeld in een hevige concurrentieslag om de voormalige international. Pierre speelde korte tijd voor Heracles in Almelo, stond in de belangstelling van NAC uit Breda, maar gaf in 1933 uiteindelijk de voorkeur aan Olympia’18 uit Boxmeer. In 1935 keert hij terug naar RFC, dat inmiddels is gedegradeerd naar de tweede klasse. Met Massy als aanvoerder wordt de Roermondse club nog datzelfde jaar kampioen, promoveert weer naar de eerste klasse, en wint in 1936 zelfs de NVB-beker. Het is het grootste succes in de historie van RFC.

In januari 1937 keert Massy RFC echter opnieuw de rug toe. De redenen daarvan zijn niet bekend. De kranten maken alleen melding van “onenigheid binnen de club,” maar waar de ruzie precies over ging, is onduidelijk. In elk geval speelt Massy nu weer voor Olympia, tot in 1940 de tweede wereldoorlog uitbreekt.
Op 3 augustus, als Pierre op slechts 58-jarige leeftijd overlijdt, is hij in zijn geboortestad nog niet vergeten. Roermond loopt massaal uit om zijn grootste voetballer te eren. De begrafenisstoet groeit uit tot een indrukwekkende processie, en de gemeenteraad besluit korte tijd later om een straat naar Massy te noemen. Zijn weduwe en zijn jongste zoon hebben lange tijd in die straat gewoond. De Pierre Massy-straat ligt aan de rand van de na-oorlogse volksbuurt, De Kemp. Ook andere RFC-helden uit die tijd, Harry Schreurs en de gebroeders Pijpers zijn daar geëerd met een straatnaam. Een betere plaats had Jèrke, jongen van het volk zich niet kunnen wensen.


Aangepaste versie van een artikel dat op 29 september 1993 verscheen in De Limburger. Met dank aan Jan Vervuurt en Toos Massy uit Roermond.

De Graoveberg: mysterie aan de Zelsterbeek


Een van de bekendste plekken in het Leudal is de Graoveberg.  Hij ligt aan het begin van het Lange Pad, een oude oost-west verbinding die dwars door het Leudal van Neer tot aan de Roggelseweg loopt. Aan de overkant van de weg begint bij het voormalige klooster Sint-Elisabeth de verharde Sint-Elisabethsdreef naar Heythuysen.

De knoestige Graoveberg heeft altijd tot de verbeelding gesproken, en diverse volksverhalen spelen zich op deze plaats af. Welk soort verhalen dat zijn laat zich raden, want het gebied tussen Litsberg en Graoveberg stond vroeger bekend als de Heksenkelder. Een ‘kelder’ omdat de diep insnijdende beken hier voor flinke hoogteverschillen hebben gezorgd, en ‘heksen’ omdat het hier niet pluis was.
Aan de voet van de Graoveberg stroomt de sterk meanderende Zelsterbeek, die een eindje verderop samenvloeit met de Leubeek.
De Graoveberg was een van de plekken in het Leudal waar je moest oppassen voor de weerwolf. De weerwolf was een man die was bezeten door de duivel en om twaalf uur ’s nachts, met name bij volle maan, veranderde in een wolfachtig wezen dat argeloze voorbijgangers besprong. Nog tot in het begin van de twintigste eeuw meenden sommigen in aanvaring met een weerwolf te zijn gekomen. Overigens brachten de slachtoffers het in de opgetekende verhalen er altijd zonder kleerscheuren af. De  ‘weerwolf’ deed meestal niet meer dan bij iemand op de rug springen om zich vervolgens een eind te laten dragen.
Daarnaast was de Graoveberg ook de plek waar aardmannetjes, elven, watergeesten en andere wezens zouden rondspoken. Piet Abrahams uit Nunhem, die in de jaren 1970 tal van volksverhalen over het Leudal verzamelde, heeft wel eens geopperd dat dit wel eens meer dan gewoon toeval kon zijn en dat op deze plek in voorchristelijke tijden misschien natuurgoden werden vereerd. Er is niets concreets dat daar op wijst, maar heel gek is de gedachte niet. Verhalen over aardmannetjes, dwaallichtjes en soortgelijke wezens werden ook verteld in relatie tot bijvoorbeeld mottes, de middeleeuwse kasteelheuvels. Deze verhalen lijken voort te komen uit een collectief geheugen dat nog wél weet dat op die plaats ooit ‘iets’ was, maar niet meer wát.

Vast staat alleen dat de Lange Pad waar de Graoveberg aan ligt, een oude weg is die zeker al dateert van de late Middeleeuwen. Een in 1962 gevonden  Romeins muntje en een grafheuvel uit de midden-Bronstijd wijzen mogelijk op een nog hogere ouderdom van deze weg.

Was de Graoveberg een motte?

Een merkwaardige, met mythes en geheimzinnigheid omweven heuvel, die net als de meeste mottes in de buurt lag van een beek. En dat gekoppeld aan de naam Graoveberg, die misschien wel zou kunnen verwijzen naar een onbekende graaf. Zou de Graoveberg dan toch een motte zijn geweest?
Aan enkele kenmerken van een motte voldoet de Graoveberg in elk geval, en dat is wellicht ook waarom hij in 2006 archeologisch is onderzocht door bureau RAAP. Daarbij bleek niet dat de berg kunstmatig was opgeworpen, wat overigens ook geen absolute voorwaarde was voor een motte. Kijk maar naar de Aldenberg in het Duitse Arsbeck, die eigenlijk de rand is van een hooggelegen landtong.
Maar waar op de Aldenberg wel archeologische vondsten werden gedaan die wijzen op bewoning in het verleden, werd er op de Graoveberg niets gevonden. Wel constateerde RAAP dat de top van de heuvel door mensenhand is afgevlakt. Tóch opmerkelijk. Is het dan toch geen ‘gewone’ berg?

Volgens een van de verhalen die Abrahams optekende had het ontstaan van de Graoveberg trouwens helemaal niets met een mottekasteel te maken. De legende vertelt dat lang geleden in Roggel een gravin woonde die het ‘boze oog’ had. Ze stond bekend als een heks die kinderen ziek en het vee onvruchtbaar maakte. Na haar dood wilde men haar niet op het kerkhof begraven en werd haar lichaam naar de heksenkelder gebracht. Om ervoor te zorgen dat zelfs haar ziel niet uit het graf kon komen, werd er volgens de legende door de boeren uit de omgeving een enorme berg zand overheengestort. Zo ontstond de Graovinneberg die later werd verbasterd tot Graoveberg.


Meer lezen:

Piet Abrahams, Rôndj Graoveberg en Krômme Nets, Maasbree z.j.

Boerenschansen in de streek rond Roermond

De voormalige schans in Roggel

De geschiedenis van Limburg gedurende de tachtigjarige oorlog en de decennia daarna, is door Pierre Ubachs in zijn Handboek voor de Geschiedenis van Limburg eens omschreven als “uitsluitend krijgsgeschiedenis”. Natuurlijk ging het ‘gewone’ leven tot op zekere hoogte zijn gang, schreef Ubachs. Zoals altijd werd er ook toen getrouwd, gefeest, en gelachen… maar de oorlog was nooit ver weg.

Decennialang was het Maasdal het toneel van legers die op de doortocht waren, met alles wat daarbij leek te horen: plunderingen, strooptochten, gedwongen inkwartieringen, afpersing. De geringe discipline was voor een gedeelte te herleiden tot de achtergrond van de soldaten, grote delen van de legers bestonden uit huurlingen uit allerlei windstreken en vaak gerecruteerd uit de boerenstand. Daar kwam bij dat de oorlog enorm duur was, en de strijdende partijen voortdurend kampten met enorme geldtekorten. Altijd was het een probleem om de soldaten te betalen en altijd sluimerde daardoor het gevaar van muiterij. Stad en land moesten het ontgelden als de soldaten aan het plunderen sloegen.

Hoe probeerde de gewone burgerbevolking zich hiertegen te beschermen? Stadsbewoners konden zich terugtrekken achter de stadswallen, en de toegangspoorten sluiten. Die van het dorp zochten vaak hun toevlucht in de weinige stenen gebouwen: kerken en kastelen. Sommige kerktorens (bijvoorbeeld die in Heel of die in Thorn) zien er niet voor niets uit als versterkingen, met dikke muren en kleine muuropeningen die eruitzien als schietgaten. Aangenomen mag worden dat ze ook dienden als vluchttorens. Soms konde de dorpelingen ook terecht op het terrein van een nabijgelegen kasteel (bijvoorbeeld Horn of Hillenraedt), of verschansten zich in de kerk of achter de (soms hoge) muren van het kerkhof.

Vluchtschansen

In de meer afgelegen gebieden waar geen kasteel of ander gebouw was dat afdoende beschutting kon bieden, sloegen de boeren de handen soms ineen om hun eigen verdedigingswerken aan te leggen: de zogenoemde vluchtschansen, ook boerenschansen of veeschansen genoemd.
Het waren relatief eenvoudige verdedigingswerken die doorgaans in de nabijheid van stromend water of in een moerasachtige omgeving werden opgericht. Over het algemeen bestonden de schansen uit een rechthoekig terrein met een gracht eromheen en op het binnenterrein een wal die werd versterkt met struiken en mogelijk extra werd verhoogd door middel van een palissade. Op het binnenterrein werden soms (maar niet altijd) huisjes gebouwd, die dienden als tijdelijke onderkomens.
Opvallend is dat de grootste concentratie van dit soort vluchtschansen in Nederland is aangetroffen in Midden-Limburg.  Een in 2007 opgestelde inventarisatie door Michel Lascaris en Hans Renes meldt er maar liefst 35 in Noord- en Midden-Limburg. In de streek rondom Roermond werden er aangelegd in onder andere Heythuysen, Neer (de Elsenschans), Roggel, Beesel, Reuver, en Swalmen.
Ook in de Belgische Kempen zijn in deze tijd veel vluchtschansen aangelegd. Dat lijkt te zijn gebeurd in twee fases: in de periode 1594-1604 en tussen 1628-1642. Ook die schansen zijn dus in verband te brengen met de door oorlog geteisterde zestiende en zeventiende eeuw.
De grootte van de schansen liep uiteen: de zogenoemde Loherschans bij Belfeld had een oppervlakte van ongeveer 0,4 ha. De Ulikerschans bij Nederweert  was meer dan twee keer zo groot (1.10 ha.) Ook de breedte van de gracht verschilde. Soms was hij vier meter breed, maar die bij Belfeld was bijvoorbeeld negen meter breed. De wal achter de gracht zal doorgaans twee of drie meter hoog zijn geweest, en werd mogelijk beplant met doornstruiken.

De Roggelse schans op een kadastrale kaart uit het begin van de negentiende eeuw.

Functie

De schansen moeten worden beschouwd als vluchtplaatsen en hadden geen offensieve militaire functie. In die zin lijken ze een beetje op de middeleeuwse vluchtburchten, waarvan er mogelijk een heeft bestaan op in de buurt van Vlodrop Station. Ook daar zouden groepen mensen zich achter wallen hebben teruggetrokken in tijden van gevaar, en ook daar werden grachten gegraven die in Vlodrop werden gevuld met water uit de Rode Beek.
In een belangrijk artikel over schansen in een jaarboek van de Heemkundevereniging Maas- en Swalmdal beschouwt Wiel Luys de boerenschansen als opvolgers van de landweren, die in de 14de en 15de eeuw op verschillende plaatsen werden aangelegd.  De landweren werden soms aangelegd ter beveiliging van een grens, soms ook rondom een nederzetting, maar zouden in de 16de en 17de eeuw niet meer hebben volstaan.
Ook het ontstaan van de dorpsmilities en schutterijen aan het einde van de 16de eeuw wordt soms in verband gebracht met deze roerige tijden.
Dat de schansen een defensief doel dienden, blijkt onder andere uit een document dat in het begin van de 17de eeuw werd opgesteld door de inwoners van Moesel en Keent (Weert) waarin zij aangeven waarom ze zo’n schans willen aanleggen. Daarin wordt gesproken over de voortdurende overlast die de rondzwervende troepen veroorzaken, over de aanvallen op de dorpsbewoners, de afpersing, plunderingen en beschadigingen.

Organisatie

Het aanleggen van de schans vereiste een behoorlijke organisatie. Het stuk grond waar de schans op werd gevestigd, moest worden gehuurd of gekocht van de overheid of van een particuliere eigenaar. Vervolgens werd verwacht dat iedereen die gebruik kon maken van de schans ook zijn aandeel in het werk leverde, en er werden regels voor het leven op de schans vastgesteld.
Van verschillende schansen is nog een schansreglement bekend, onder andere van de schans in Moesel (Weert) en van de Elsenschans in Neer. In Neer kregen enkele inwoners van het dorp in 1643 opdracht om een geschikt terrein uit te zoeken, dat zij vonden in ‘seeckere bembt die Elsen genambt’. Deze Elzenbeemd werd daarna aangekocht van ene Adam vangen Bieck en zijn kinderen. Iedereen die dat financieel kon opbrengen, kon zich vervolgens inkopen in de schans, hetgeen hier gebeurde door 65 gezinshoofden. De schans lag aan de Rohrweg, tussen Neer en Buggenum.

Aan het hoofd van de Elsenschans stonden twee schansmeesters met ruime bevoegdheden. Ook in Moesel hadden twee schansmeesters het voor het zeggen. Onder hen stonden de zogenaamde rotmeesters, die het toezicht hadden op groepen (rotten) van 10-15 weerbare mannen en die de schansmeesters desgevraagd van adviezen konden voorzien.

Een aantal van de boerenschansen staan nog aangegeven op oude kaarten, en in sommige gevallen wijzen ook toponiemen nog op een voormalige schans, bijvoorbeeld in Beesel en in Roggel (waar trouwens de carnavalsvereniging De Sjansemaekers heet). Maar de meeste schansen zijn ten prooi gevallen aan de ploeg en aan verkaveling. De Roggelse schans ligt voor een gedeelte onder de drukke verkeersweg die er langs ligt (de Heldense Dijk). Soms zijn er informatieborden geplaatst.

Reconstructie van de Loherschans in Belfeld: de schans is omgeven door water, slechts toegankelijk over een brug en is versterkt met wallen.

Aantallen

Lascaris en Renes voegden aan hun artikel uit 2007 over vluchtschansen in Midden-Limburg een inventarisatie toe, waarin ze kwamen tot een aantal van 35. Recenter onderzoek aan de hand van het Actueel Hoogtebestand Nederland, waarbij kunstmatig opgeworpen verhogingen kunnen worden opgespoord, wijst er echter op dat het er nog veel meer kunnen zijn geweest. Waarschijnlijker is dat er in elk dorp en elk gehucht minstens één werd aangelegd.
Toch blijkt ook dat voorzichtig moet worden omgesprongen met dergelijke gegevens, omdat er nog te weinig bekend is over de boerenschansen. Zo zijn op het terrein van de Loherschans in Belfeld geen sporen van verkaveling gevonden, naar aanleiding waarvan onderzoekers zich hebben afgevraagd of deze schans dan wel moet worden beschouwd als een echte vluchtschans. Had hij misschien toch een militair doel, en huisden op het middenterrein geen vluchtende boeren, maar soldaten? Die laatsten zouden dan misschien in tenten hebben verbleven.
De Borg in Baexem werd lange tijd beschouwd als een voorloper van kasteel Baexem, maar lijkt eveneens een vluchtschans te zijn geweest. Maar die identificatie levert weer andere problemen op, want de schans zou dan niet direct in verband gebracht kunnen worden met de tachtigjarige oorlog. Archeologisch onderzoek in 2013 wees namelijk uit dat één van de twee bruggen over de gracht dateerde uit de overgangsperiode van middeleeuwen naar nieuwe tijd dus van vóór de Opstand.


Verder lezen:

  • Aarts, M., De Borg te Baexem: een vluchtschans en geen voorloper van kasteel Baexem, in: PSHAL 151, 2015, 219-222.
  • Henkens, J., Een schansreglement uit Weert, in: De Maasgouw 100 (1981) kol. 177-183.
  • Lascaris, M., en H. Renes, Vluchtschansen in Midden-Limburg. Boerenschansen uit de 16de en 17de eeuw als schuilplaatsen voor de plattelandsbevolking, in: Berichten KNOB 2007, 248-262.
  • Luys, W., Schansen, eens vluchtplaatsen voor de plattelandsbewoners tijdens de Tachtigjarige Oorlog (1568-1648), in: Heemkundevereniging Maas- en Swalmdal, Jaarboek 5 (1985) 108-132.
  • Tichelman, G., (red.) De Loherschans aan de Leygraafweg te Belfeld (gem. Venlo, provincie Limburg).

Zie ook: www.graafschaploon.be

De plaats waar men eenieder recht doet

Informatiebord met het door Har Sillen ontworpen gedenkteken, niet ver van waar ooit de Galgenberg van het graafschap Horn lag.

Een van de meest tragische en tegelijk gruwelijkste gebeurtenissen die Mart Graef beschrijft in zijn boek over de Galgenberg van het graafschap Horn, is de terechtstelling van de uit Haelen afkomstige Merriken Rappen, in 1622.

Acht jaar daarvoor, in 1614 was Merriken tijdens de grote heksenprocessen in Roermond aangewezen als heks. Die beschuldiging kwam van Itgen Waijen van Neer, een van de tientallen vrouwen die destijds in Roermond werden terechtgesteld en aan wie was gevraagd welke heksen ze nog meer kenden.
Ondanks de ernst van de beschuldigingen slaagde Merriken erin om aan de andere kant van de Maas nog liefst acht jaar uit de handen van justitie te blijven, maar in 1622 waren haar dagen geteld. Op 12 mei van dat jaar toonde de drossaard Adriaen Peuijn aan het gerecht van de hoofdbank Haelen een uittreksel van het verhoor van Itgen Waijen. De daarin als tovenares aangewezen Merriken Rappen liep nog steeds vrij rond, terwijl er volgens Peuijn “onder die nabuerschap” nog steeds klachten waren “van het verderff van menschen ende beesten”. Dit zou allemaal het gevolg zijn van tovenarij en hij verzocht derhalve de acht jaar daarvoor als heksen aangewezen personen te mogen vastzetten in de gevangenis in het kasteel Horn en hen daar te verhoren. Het gerecht stond dat toe, waarna Merriken werd vastgezet en verhoord.

Scherp examen

Ongetwijfeld vond er een ‘scherp examen’ plaats, waarbij Merriken werd gefolterd. Hoe dat precies verliep en hoe vaak zij werd verhoord, is niet duidelijk maar zeker is wel dat zij uiteindelijk brak en bekende dat zij ‘van de conste‘ was. En niet alleen dat: ook had ze God afgezworen, mensen en dieren doodgetoverd, geslachtsgemeenschap gehad met de duivel, en haar nog ongeboren kind aan hem afgestaan. Merriken bekende kortom alles wat er maar te bekennen was of wat aan haar werd voorgelegd.
Op 28 mei kwam het tot de onvermijdelijke terechtstelling. Dat betekende overigens niet per se de vuurdood. Als heksen berouw hadden en weer terugkeerden tot het geloof, toonde justitie zich genadig en kwamen ze aan de wurgpaal aan hun einde. Pas daarna werd hun lichaam dan verbrand. Ziedaar de wurgpaal als een vorm van barmhartigheid en civilisatie in de ‘gouden eeuw’.
Zelfs de genade van de wurgpaal was Merriken echter niet gegund. Wat er precies gebeurde is niet bekend, maar ondanks dat de pastoor van Horn en twee Franciscaner broeders uit Weert op haar inpraatten, toonde ze geen berouw en bekeerde zich niet tot God. Graef neemt aan dat de vrouw in uiterste paniek vóór de executie buiten zinnen was geraakt, een scenario dat niet onwaarschijnlijk is, temeer omdat men zich kan voorstellen dat ze zich gedurende de acht jaar na de fatale beschuldigingen door Itgen Waijen nooit op haar gemak kan hebben gevoeld.
Het gevolg was dat ze aan een staak werd vastgebonden om levend verbrand te worden. Zelfs bij dat afschuwelijke tafereel bleef het niet, want Merriken wist zich los te rukken “alzoo dat men se tot twee maelen toe opt vuer gesmeten heeft ende alzoo verbrant.”

Onreine plaatsen

Gevangenen werden vastgezet in wat wel ‘de toren’ werd genoemd. Waarschijnlijk werd er deze toren van het kasteel in Horn mee bedoeld.

De plaats waar men eenieder recht doet“, werd de Galgenberg genoemd. We weten inmiddels wel beter. Hoeveel mensen hierin de loop der eeuwen zijn terechtgesteld, zal wel nooit bekend worden, daarvoor zijn er eenvoudig te veel gegevens verloren gegaan. Het moeten er echter honderden zijn geweest, sinds de eerste gedocumenteerde executie in 1487.
In het verleden werden oude executieplaatsen nog lang aangeduid als ‘onreine’ plaatsen, die buiten de gemeenschap lagen en waar maatschappelijke paria’s naartoe werden verbannen. Het zal wel toeval zijn, maar opvallend is wel dat uitgerekend op deze plaats later een woonwagenkamp werd aangelegd.
Vooral door drastische planologische ingrepen is er tegenwoordig niets meer dat nog aan deze plaats herinnert, die lang omgeven was door een waas van geheimzinnigheid. Op de voormalige executieplaats, staan tegenwoordig fantasieloze vierkante bedrijfsgebouwen. Gelukkig heeft Heemkundevereniging Horn het voor elkaar gekregen dat een eindje verderop een informatiepaneel en een gedenkteken is geplaatst.

Precies hoeveel vrouwen in 1622 werden beschuldigd van hekserij en op de Galgenberg de dood vonden, is niet bekend. Graef volgt de lotgevallen van elf slachtoffers die in dat jaar werden vervolgd, maar het zijn er misschien meer dan twee keer zoveel geweest. Veertien jaar later begon bovendien een tweede golf van heksenvervolgingen, nu op initiatief van de nieuwe drossaard Cornelis van Randenraedt. Opmerkelijk: de in Roermond vereerde Johanna van Randenraedt, van wie werd gezegd dat zij ‘in de geur van heiligheid’ overleed en aan wie allerlei wonderen werden toegeschreven (die natuurlijk niet werden uitgelegd als toverij, maar juist getuigden van een bijzondere band met God) was een nicht van deze Cornelis.
Waarom Van Randenraedt de heksenvervolging zo energiek weer oppakte, is een raadsel want het was al geruime tijd rustig op dat gebied en ook van hogerhand werden geen initiatieven genomen. Graef veronderstelt dat hij zich als nieuwe en energieke bestuurder wilde bewijzen, en door krachtdadig optreden liet zien dat hij de juiste man voor de job was.

Natuurlijk waren het niet alleen vermeende heksen die op de Galgenberg aan hun einde kwamen. Ook dieven, rovers en leden van ‘bokkenrijdersbenden’ werden er terechtgesteld. Uit de processtukken die in het boek worden besproken, blijkt dat het vaak jongens waren die niet deugden. Bikkelhard, niets en niemand ontziend en grof in de mond. “Draeyt maer toe in duyvels naem” waren de laatste woorden van enkele misdadigers, toen ze al tegen de wurgpaal stonden.
Maar op de achtergrond doemt ook steeds het beeld op van uitzichtloze armoede. Het boek laat niet alleen zien hoe het rechtssysteem in die tijd werkte, maar geeft aan de hand van de processtukken ook een blik in het leven van de lagere bevolkingslagen in de zeventiende en achttiende eeuw, in onze streek. En dat is bijzonder.


Mart Graef, De galgenberg van het graafschap Horn, uitg. Heemkundevereniging Horn, 2016.

De dwerggalerij van de Munsterkerk

Roermond is een stad aan de Roer en aan de Maas maar zijn oudste en wellicht beroemdste monument, de Munsterkerk, wordt algemeen beschouwd als een typisch voorbeeld van laat-Romaanse Rijnlandse bouwkunst. In de kunsthistorische literatuur over het Maasland wordt ze soms niet eens genoemd, ze is immers ‘Rijnlandse import’.

Ook om andere redenen is de kerk uiteenlopend gewaardeerd. Is het nou een romaanse kerk? Of een vroeg gotische? En wat is er niet allemaal veranderd sinds de ingrijpende verbouwingen door P.J.H. Cuypers in de negentiende eeuw? In de jaren 80 zette Bernadette van Hubar een aantal van die uiteenlopende standpunten eens achter elkaar en verzuchtte: “Na een dermate verwarrende veelvoud aan kwalificaties zou men haast denken, met een gespleten persoonlijkheid van doen te hebben in plaats van met een bouwwerk aus einem Guss.”

Hoe dan ook: het was een kerk met Rijnlandse vormen. In zijn bijdrage in de Algemene Geschiedenis der Nederlanden, noemde J.J. Terwen haar het “grandioze hoogtepunt van de gehele Rijnlandse groep in het Maasgebied.” Om het Rijnlandse karakter van de kerk te onderstrepen, wordt vooral gewezen op de klaverbladvorm van het koor, en op de zogenoemde dwerggalerij in koor en transeptarmen. Dat zijn typische elementen die niet of nauwelijks voorkomen in de laatromaanse Maaslandse kerken, maar wél in kerken die in deze tijd aan de Nederrijn werden gebouwd.

Maar waar hebben we het precies over? De dwerggalerij van de Munsterkerk is een hoog gelegen, smalle en overdekte loopgang aan de buitenzijde van de kerk. Boven de borstwering worden romaanse boogjes in een vast ritme gedragen door kolommetjes en muurwerk. In het koor is het ritme: twee boogjes – muur – twee boogjes enz. Dit patroon wordt zeven keer herhaald.
Onder de dwerggalerij bevindt zich een zogenaamde cassettenfries, en daaronder de zeven grote ramen van het koor, die het ritme van de dwerggalerij volgen. Daarvan is het middelste raam zodanig veel hoger dan de andere dat het de cassettenfries doorsnijdt.
 Dit ritme van de dwerggalerij wordt voortgezet in de oosttorens, een situatie die Cuypers tijdens zijn restauratie ongewijzigd liet. In de transeptarmen is het ritme anders: drie boogjes – muur – drie boogjes.

Vanaf ongeveer 1150 worden deze dwerggalerijen een populair element in de romaanse kerken in het Nederrijngebied. Als het vroegste voorbeeld van een kerk waarbij een apsis met dwerggalerij wordt geflankeerd door twee torens, wordt meestal gewezen naar de Munsterkerk in Bonn (1153). Andere vroege voorbeelden zijn de St.-Gereon in Keulen (voor 1156), de kloosterkerk van Maria Laach (1156) en St.-Castor in Koblenz (voor 1158).
De kerk van Schwarzrheindorf (gemeente Bonn, ingewijd in 1151) wordt beschouwd als de oudste geheel Romaanse kerk in het Rijnland. Zij heeft wél een dwerggalerij, maar geen torens in de oostpartij. In de dom van Trier is de dwerggalerij gebouwd in het westwerk, dat dateert uit de elfde eeuw.

Rijnlandse kerken met dwerggalerijen. V.l.n.r.: de St.-Quirinius in Neuss, de kerk in Schwarzrheindorf (Bonn), de St.-Gereon in Keulen en de Munsterkerk in Bonn.

Allemaal twaalfde-eeuwse kerken in het Rijnland. Toch wil dat niet zeggen dat dwerggalerijen een Rijnlands bedenksel zijn en ook niet dat ze uit de twaalfde eeuw stammen. Die oorsprong zou Lombardisch zijn. Ten noorden van de Alpen zijn ze voor het eerst toegepast in de dom van Spiers (Speyer). Die kerk dateert in aanzet uit de 11de eeuw, en heeft al een klaverbladkoor en dwerggalerij.
Dat bouwkundige onderdelen van de kathedraal in Spiers hier zo beeldbepalend werden, heeft vooral te maken met het geweldige prestige dat deze kerk genoot binnen het Duitse rijk. Hier lagen immers de Saksisch-Salische keizers begraven, die in een aantal opzichten kunnen gelden als de opvolgers van de meest bewonderde van alle middeleeuwse vorsten, Karel de Grote.
Voor zo’n grafkerk werd niet op een cent gekeken: zij moest immers het belang weerspiegelen van degenen die er begraven lagen. In Speyer werden daarom een aantal bouwkundige vernieuwingen toegepast. Niet alleen het klaverbladkoor en de dwerggalerijen trokken de aandacht, daarnaast was ze ook een van de eerste grote kerkgebouwen met een (peperdure) stenen overwelving.
Prestigieuze gebouwen als de dom van Spiers of de Paltskapel in Aken (grafkerk van Karel de Grote en de eerste koepelkerk boven de Alpen) vonden in de middeleeuwen gretig ‘navolging’. Delen van de kerk of bepaalde kenmerken ervan, werden als het ware gekopieerd.
 Zo is de octogonale vieringstoren met koepel (overigens in de huidige vorm pas daterend van na 1665) van de Munsterkerk wel beschouwd als een verwijzing naar de koepel van de Akense Paltskapel, die weer verwees naar de San Vitale in Ravenna, en indirect naar de H.-Grafkerk in Jeruzalem.
Mogelijk was dat niet alleen christelijke symboliek, maar probeerden de opdrachtgevers (in Roermond dus graaf Gerard IV van Gelre) zich zo ook te spiegelen aan de machtige bouwheren van Spiers of Aken: wat Karel de Grote was voor zijn rijk, dat was de in de Munsterkerk begraven Gelderse graaf Gerard IV voor zijn graafschap.

De dom van Spiers (2015)

De Munsterkerk staat te boek als een typisch product van Rijnlandse architectuur maar klaverbladvorm en dwerggalerijen zijn dus geen oorspronkelijk Rijnlandse elementen. Volgens kunsthistorica Elisabeth den Hartog zijn ze zelfs vanuit Spiers via het Maasland in het Rijngebied terecht gekomen.
Daarbij gaat het eigenlijk om de vraag welke kerk met oostpartij met torens en dwerggalerij het oudst is.
Volgens Den Hartog is dat geen van de bovengenoemde kerken in het Rijnland, maar de Sint-Servaaskerk in Maastricht. De uit de 11de eeuw daterende oostpartij van de Sint-Servaas, oorspronkelijk zonder torens en zonder dwerggalerij, werd in de twaalfde eeuw vervangen door nieuwbouw (tevens de huidige situatie) mét torens en dwerggalerijen. Volgens de traditionele geschiedschrijving zou de bouwheer van Maastricht zich daarbij hebben laten inspireren door de iets oudere Munsterkerk in Bonn, maar Den Hartog vermoedt dat het precies andersom is. Zij wees erop dat in de oudste kerken het ‘verticale element’ in het koor veel prominenter aanwezig was dan bij de later gebouwde kerken.
 De Sint-Servaas heeft een veel verticalere opzet dan de kerk in Bonn, wat de veronderstelling voedt dat de oostpartij van ‘Maastricht’ ouder is dan die van Bonn. Niet Bonn, maar Maastricht zou dan de stad in de streek van Maas- en Nederrijn zijn geweest, waar deze vorm van oostbouw met dwerggalerijen het vroegst opdook. Vanuit Maastricht zou dit beeld zich dan hebben verspreid naar Bonn en de andere bovengenoemde Rijnlandse kerken uit de twaalfde eeuw. Later verrezen soortgelijke oostpartijen ook in Neuss (1209) en de Roermondse Munsterkerk (1220).

Waartoe diende de dwerggalerij eigenlijk? Was het alleen een bouwkundige verfraaiing?
 De dwerggalerij van de St.-Servaas in Maastricht had een functie die direct te maken had met de kerk als bewaarder van kostbare relieken. Vanaf de galerij, die zich aan de kant van het Vrijthof bevindt, werden deze relieken op bepaalde dagen getoond.
Ook de Munsterkerk had omstreeks 1225 reliekschatten en trok pelgrims. Of deze vanaf de dwerggalerij aan de gelovigen werden getoond is niet zeker. Een verschil met de Sint-Servaas is in elk geval dat de dwerggalerij daar lag aan het het Vrijthof, waar de pelgrims samenstroomden.


Aangehaalde literatuur:

  • J.J. Terwen, De bouwkunst van het Noorden 1000-1500, in: Algemene Geschiedenis der Nederlanden dl. 3, Bussum 1982, blz. 308.
  • B. van Hellenberg Hubar, Van monument in de marge tot symbolische architectuur. De Munsterkerk te Roermond als toetssteen der stijlkritiek, in: Bulletin KNOB 1988-1, blz. 9-20.
  • E. den Hartog, Romanesque Architecture and Sculpture in the Meuse Valley, Leeuwarden 1992, 56-64.
  • G. Venner, Roermond als bedevaartsoord omstreeks 1225, in: De Maasgouw 103 (1984) kol. 179-182.

Wijnhandel in een gotisch huis

Deel van de voorgevel met ornament van een wijngod en wijnranken. Foto: L. Tangel/RCE

Aan de gevel van het gotische huis in de Brugstraat is een gebeeldhouwde wijngod aangebracht. Het lijkt een authentiek detail bij dit oude koopmanshuis, maar het ornament is relatief nieuw en werd pas aangebracht bij een restauratie in de jaren 1942-1943, in opdracht van de toenmalige eigenaar, de jong overleden Henri Drehmanns (1919-1945).


Welke beeldhouwer de ornamenten heeft gemaakt is niet precies te achterhalen. In de papieren die betrekking hebben op deze restauratie, in bezit van de familie Drehmanns, duikt de naam van een steenhouwer genaamd Spee op, maar een voornaam of initialen ontbreken. Mogelijk betreft het hier een van de ornamentstekers van die naam die in het verleden hebben gewerkt in het atelier van Pierre Cuypers, al zouden die in 1942 behoorlijk op leeftijd zijn geweest. Voor de vervaardiging van het ornament werden meer dan 250 uur in rekening gebracht.
Het ornament, zo breed als de hele gevel, was eigenlijk één groot reclamebord dat op niet mis te verstane wijze de aandacht vestigde op de business die er door Drehmanns werd gedreven: een wijnhandel. Langer dan een eeuw was het gotische huis aan Brugstraat 7 eigendom van deze familie.
De familie Drehmanns, waarvan de oudst bekende voorvader afkomstig was uit Süchteln (tegenwoordig een deel van Viersen) was één van de families uit het Duitse Rijnland die in de eerste helft van de negentiende eeuw naar Roermond trokken. De betekenis van deze vooral Rijnlandse emigranten voor de ontwikkeling van de stad was aanzienlijk. Het waren van oorsprong Duitse ondernemers als Philip Claus (textielfabrikant) en Jacob Burghoff (papier) die van Roermond een voor Nederlandse begrippen vroeg centrum van industrialisatie maakten.

De eerste Drehmanns die zich in Roermond vestigde, was Frans Joseph (1806-1876). In 1825 trok hij vanuit Krefeld naar Roermond, en zette hier een wijnhandel en likeurstokerij op poten. Daarmee trad hij in de voetsporen van zijn voorvaderen, die ook al actief waren in die branche. In 1857 kocht Frans Joseph Drehmanns het gotische huis in de Brugstraat van de graveur Jan Michiel Dionisy, die het pand lange tijd met zijn vader had bewoond.
In 1858, dus een jaar na de koop van het gotische huis liet Drehmanns het huisje links ervan bouwen. Volgens de voormalige stadsarchivaris Mart Smeets bevond zich daar oorspronkelijk waarschijnlijk een inrijpoort die leidde tot het achtererf van het gotische huis. Een in de kelder van het gotische huis gevonden hardstenen gevelsteen met het jaartal 1628 en de initialen HK (van een bewoner in de 17de eeuw, genaamd Hendrik Kindt) diende mogelijk als sluitsteen van deze poort. Wanneer die toegangspoort is gesloopt, is onbekend. Op de als betrouwbaar te boek staande stadskaart van Herman Janssens uit 1671 is op deze plaats in ieder geval reeds aaneensluitende bebouwing te zien.
Na het overlijden van Frans Joseph Drehmanns in 1876, werd de Roermondse wijnhandel en likeurstokerij voortgezet door zijn zoon Henri (1841-1924) die zich ontwikkelde tot een van de belangrijkste ondernemers van Roermond. De firma Drehmanns had ook nog een tak in Maaseik, waar Louis Drehmanns, een andere zoon van Frans Joseph aan het roer stond.
 Henri Drehmanns was echter degene die de Roermondse wijngroothandel verder uitbouwde. Hij importeerde rechtstreeks van de wijnbouwers, bezocht daarvoor elk jaar de wijngebieden en exporteerde tot het uitbreken van de eerste wereldoorlog op grote schaal wijnen naar Duitsland. In de collectie zaten de duurste wijnen, zoals Mouton Rothschild. Voor zo’n exclusieve wijn moest je natuurlijk diep in de beurs tasten: bij Drehmanns koste hij liefst vier gulden!

Klap

Henri Drehmanns, geportretteerd door Heinrich Windhausen

In 1885 krijgt Drehmanns een enorme klap in zijn privé-leven, als zijn vrouw Caroline overlijdt. Henri is dan 44 jaar, en blijft achter met zijn twee kleine zoontjes, kleuters nog. Met zijn gezin woonde hij aan de Zwartbroekpoort, maar na het overlijden van zijn vrouw besluit hij in te trekken bij zijn moeder en zus, die nog in het ouderlijke (gotische) huis aan de Brugstraat wonen. De opvoeding van de twee jongens wordt voor een gedeelte aan die vrouwen overgelaten, Henri stort zich op zijn werk en op de plaatselijke politiek.
 Drehmanns was één van de kartrekkers van de in 1877 opgerichte RK Kiesvereeniging, kwam in 1887 in de Gemeenteraad, en was van 1897 tot 1913 wethouder. Ongetwijfeld had de familie Drehmanns na 1900 een hele dikke vinger in de Roermondse pap. Niet alleen omdat Henri wethouder en kopstuk van de machtige katholieke partij was, maar vooral ook omdat in dat jaar zijn jongere broer Josephus Drehmanns (1843-1913), werd benoemd tot bisschop van Roermond.
In 1903 verlaat Henri Drehmanns het gotische huis, en koopt hij het grote pand Neerstraat 56 (het huis met het putbeeld, recht tegenover de Paradisstraat).

Kelderruimte

Ondertussen floreerde de wijnhandel, die met name in de afzet richting Duitsland een sterke internationale component had.
Drehmanns had echter één probleem: kelderruimte. De opslagmogelijkheden in het gotische huis waren beperkt, en het ging bepaald niet om een kleine hoeveelheid. In 1890 berekende Henri de voorraad op 97.788 liter, en in de jaren daarna bleef de voorraad hangen rond de 100.000 liter, met uitschieters naar bijna 150.000 liter. Al met al lagen er tweehonderdduizend flessen! Waar moest hij al die wijn laten?
Om de wijn te kunnen opslaan was Drehmanns ertoe over gegaan om op diverse plaatsen in de buurt van de Brugstraat kelderruimte te huren. Zo lag er bijvoorbeeld wijn opgeslagen in de gewelvenkelders aan de Marktstraat (het pand waar tegenwoordig Dagblad de Limburger zit, maar ook verderop, onder het pand van de latere zaadhandel van Wolters). Ook had hij voorraden ondergebracht in het pand Hiegentlich, aan de Markt (tot voor kort: Laumen). En natuurlijk was er de diepe kelder van het gotische huis zelf. In totaal huurde Drehmanns zeven kelders in dit deel van de stad.

De ondergrondse onderkomens garandeerden weliswaar goede en constante temperaturen, maar de verspreiding van de waar over verschillende lokaties was natuurlijk verre van ideaal.
Enige leniging in de nood vormde de aankoop, rond 1900, van een kelderloos pand aan de Roersingel waar de wijn gelijkvloers werd opgeslagen. Dat ‘entrepot’, staat er nog steeds: het huisje met de klokgevel naast restaurant De Roerganger. Het entrepot werd na de oorlog volledig nieuw vormgegeven door architect Jan Bongaerts.
Ondertussen bleef Drehmanns trouwens ook gewelvenkelders huren. Hij moest wel, want de voorraad groeide gestaag verder tot (in 1913) 197.341 liter (263.100 flessen).

Minderbroederssingel

In 1907 greep Drehmanns zijn kans. Aan de Minderbroederssingel werden de laatste restanten van de oude stadswallen gesloopt, waardoor er tegen gunstige voorwaarden (zes gulden per vierkante meter) grond vrij kwam, direct grenzend aan de achtertuin van zijn pand in de Neerstraat. Henri Drehmanns (inmiddels 66 jaar oud) bouwde er een nieuw, hypermodern bedrijfspand, waarin een grote opslagruimte werd gerealiseerd. Op twee niveaus liet hij een smalspoortje aanleggen, om de ‘order picking’ efficiënter te laten verlopen. In de voorraadkelders voerde het spoortje naar een soort overlaadplateau. Daar konden de flessen door middel van een elektrische (!) takelinstallatie een verdieping hoger worden gehesen, waar ze werden geëtiketteerd en klaargemaakt voor verzending. Ook de bovengrondse ruimtes waren door middel van een smalspoortje met elkaar verbonden.
Zeker in kleine, stedelijke bedrijven kwamen smalspoortjes weinig voor. Het toeval (of niet?) wil, dat er hier twee vlak bij elkaar lagen, die beide dateerden van 1907. Even verderop, in de Neerstraat, had Jacques Cillekens (van ijzerwarenhandel Cillekens-Dreessens) immers óók een smalspoortje laten aanleggen, dat de verschillende delen van zijn onderneming met elkaar verbond. Je vraagt je af of Drehmanns en Cillekens, in die tijd beide gearriveerde maar nog altijd uiterst ambitieuze ondernemers, het er met elkaar over hebben gehad.
Het gotische huis was vanaf die tijd niet meer het punt van waaruit de wijnhandel plaatsvond en werd verhuurd aan H. Engels, die er een winkel in ‘galanterieën en metaalwaren’ vestigde.

Straatbeeld van de Brugstraat omstreeks 1920, toen het gotische huis tijdelijk verhuurd was aan H. Engels. Het ornament boven de etalages is er in die tijd nog niet.

Tikje zelfingenomen

Henri Drehmanns was een van de grote ondernemers van Roermond in het fin de siècle. Een man die lange tijd in het centrum van de macht stond. Hoe groot die macht was toen hij zelf wethouder, en zijn broer bisschop van Roermond was, laat zich raden. Hoe dan ook: een bijzonder energieke entrepreneur en politicus, een harde werker die betrokken was bij belangrijke initiatieven als de bouw van het slachthuis, en de aanleg van de tramverbindingen naar de omliggende dorpen.
Maar hij wordt ook gekarakteriseerd als drammerig en een tikje zelfingenomen.
 Die laatste karaktertrek lijkt hem parten te spelen als het bij de raadsverkiezingen van 1913 aankomt op een tweede stemronde, waarbij het gaat tussen Drehmanns en zijn rivaal dr. L. Stijns. Aan zo’n herstemming heeft Drehmanns, die dan al 26 jaar in de raad zat, totaal geen behoefte: hij werpt de handdoek in de ring, verklaart niet langer uit te zijn op verlenging van zijn mandaat en zegt de politiek abrupt vaarwel. Het lijkt erop dat hij zich in de steek gelaten en onbegrepen voelt door het electoraat van de stad, die hij zo lang heeft gediend.
 Nog datzelfde jaar verlaat hij niet alleen de politieke arena, maar ook de stad Roermond. Hij verhuist naar Maaseik, de geboorteplaats van zijn jong overleden vrouw én de stad waar de Belgische tak van het bedrijf was gevestigd. Ondanks dat Henri het vast even had gehad met Roermond, werd zijn vertrek óók ingegeven door het overlijden van zijn broer Louis, die de zaak in Maaseik bestierde. In Maaseik vestigt Drehmanns zich in de prestigieuze Boschstraat, achter de Markt.

Rampjaar

In de door Henri’s kleinzoon Jos (1925-2018) geschreven familiekroniek wordt het jaar 1913 bestempeld als een ‘rampjaar’. Daarmee wordt niet alleen gedoeld op de politieke nederlaag van Henri en het overlijden van broer Louis. Later dat jaar overlijdt ook Josephus, de bisschop.
 Een ramp van een heel andere orde voltrok zich een jaar later, toen in 1914 de eerste wereldoorlog uitbrak. Nederland bleef weliswaar neutraal, maar met de wijnexport was het  onmiddellijk gedaan. Drehmanns’ handel met Duitsland stortte compleet in: het kwartaal direct vóór het uitbreken van de oorlog bedroeg de export nog 9710 liter (13.000 flessen), het kwartaal erop nog maar tachtig liter…
In 1911 was een van Henri’s zonen, eveneens Henri (1883-1941) geheten, in de zaak gekomen. Nadat Henri senior in 1924 overleed, zette deze de zaak voort. Henri junior was ook degene die in 1935 het gotisch huis aan de Brugstraat een eerste keer restaureerde, en dat opnieuw deed toen het pand in de tweede wereldoorlog wederom schade had opgelopen.
Na de tweede wereldoorlog werd het bedrijf voortgezet door Jos Drehmanns, kleinzoon van Henri en later tevens directeur van het Limburgs Dagblad. Hij bouwde in 1955-1956 een woonhuis en kantoorruimte bovenop de wijnkelder aan de Minderbroederssingel 7. In 1973 besloot hij bij gebrek aan een opvolger om de wijnvoorraad te verkopen, waarmee na 150 jaar een einde kwam aan het familiebedrijf in Roermond. Het gotisch pand aan de Brugstraat werd kort na 1980 verkocht aan de familie Van den Bergh, die er nog steeds een sportzaak in drijft.

V.l.n.r.: het gotische huis in de jaren 1980, detail van een kruisvenster met daarboven de afbeelding van een wijngod, en het voormalige depot aan de Roerkade.

Met dank aan de heer J.J.M.H. Drehmanns, voor het ruimschoots en vriendelijk verschaffen van informatie over de wijnhandel en het gotische huis.

Het huurvaarderspad in Beesel

* De Maas bij Beesel

Op de Markt in Beesel begint het zogenaamde ‘Huurvaarderspad’. Het is een niet al te lange wandelroute van een paar kilometer die zijn naam ontleent aan de weg die de Roermondse huurvaarders in de zestiende en zeventiende eeuw vanaf Beesel namen om terug naar huis te lopen. Een gedeelte van het huidige Huurvaarderspad volgt nog deze oude weg en werd in 2011 door de provincie en de Stichting Instandhouding Kleine Landschapselementen (IKL) uitgeroepen tot het ‘mooiste ommetje van Limburg’. Maar wie waren deze huurvaarders?

De Roermondse huurvaarders kunnen het best worden omschreven als scheepsloodsen, die hun diensten verkochten aan schippers. Ze werden vooral ingezet op het moeilijk bevaarbare traject op de Maas tussen de Lus van Linne en Beesel. Net als de schippers, die dus een schip in eigendom hadde, behoorden de huurvaarders tot de Sint-Nicolaasbroederschap. De leden van deze broederschap werden ook wel Cogelbroeders genoemd, naar de Cogel of schippershoed die nieuw aangenomen leden symbolisch op het hoofd werd gedrukt.
De Sint-Nicolaasbroederschap behoorde tot de grote ambachten en was een der aanzienlijkste van de stad. Rijke magistraten maakten er de dienst uit, en voor geen enkel ander gilde moest zo diep in de beurs worden getast om lid te kunnen worden. Het was dan ook vanzelfsprekend dat de Cogelbroeders in de grote stadsprocessie een ereplaats kregen toebedeeld: ze liepen achteraan.

Schippers en huurvaarders vervoerden allerlei producten over de Maas, maar gemeten naar volume werd alles overtroffen door het transport van hout en graan. In de zestiende en zeventiende eeuw, en wellicht ook al daarvóór, werd het hout over de Maas aangevoerd in de vorm van vlotten. Het kwam vooral uit Noord-Frankrijk en de Ardennen en werd dan over de rivier stroomafwaarts vervoerd.
Deze houttransporten waren een typische vorm van bulkvervoer, en de vlotten moeten we ons voorstellen als enorme, drijvende gevaartes: zo breed als de natuurlijke situatie en de diverse bruggen het toelieten, en bestaand uit verschillende achter elkaar gelegen afdelingen, die met elkaar verbonden waren. Afhankelijk van het aantal van dit soort afdelingen, konden de vlotten een lengte van wel honderd meter bereiken. Op de Rijn zouden zelfs lengtes zijn bereikt van  400 meter of meer. De situatie was min of meer te vergelijken met de gigantische bulktransporten die ook nu nog plaatsvinden op de Mississippi, waar boten soms een hele trein drijvende containers voor zich uitduwen.
Het is duidelijk dat deze ’treinen’ enorme obstakels waren die gevaar konden opleveren voor de scheepvaart. Daarom voeren ze doorgaans in groepen voor de schepen uit.
De houttransporten waren niet alleen omvangrijk en volumineus, het waren er ook veel. In september 1549 passeerden 62 treinen de tol van Vireux, in 1548-1549 passeerden er 324.

Crom water

De Maas was geen gemakkelijk bevaarbare rivier. Het is een regenrivier, die bij veel neerslag enorm snel aan volume en kracht kon winnen en dan veranderde in een brede kolkende stroom. De kracht van het water leidde in de zestiende eeuw waarschijnlijk tot de afslag van het oude ‘inopperkerkhof’ aan de Buitenop, en zeker ook tot het instorten van een gedeelte van de kerk in Asselt. Maar in tijden van droogte veranderde diezelfde Maas soms in een onbeduidend stroompje.
Los van deze weersafhankelijke factoren had de rivier ten zuiden van Neer onder invloed van de geologische situatie, enorme meanders gevormd. In de zeventiende eeuw sprak men wel van ‘crom water.’ De omvang van de houtvlotten en de moeilijkheden die de sterk meanderende Maas met zich meebracht vereiste deskundige en zeer goed met de situatie bekende huurvaarders.
Je werd dan ook niet zomaar toegelaten tot de Nicolaasbroederschap. Voor kinderen van de Cogelbroeders werd een leertijd van drie jaar gehanteerd bij schippers die de Maas van Luik tot Dordrecht bevoeren. Voor anderen gold een leertijd van vijf jaar.

Swalgenberg

De Roermondenaren namen de vlotten ten noorden van Linne over bij de zogenoemde Swalgenberg. Het is een niet meer bestaand toponiem voor de stijlrand ter hoogte van de Solvay-vesting, waar vroeger kolonies zwaluwen nestelden. Vanaf het noorden van Frankrijk (nabij Mezières) waar de houttransporten begonnen, tot dit punt waren Luikse houtvlotters verantwoordelijk voor het vervoer. Aan de Swalgenberg droegen zij de vlotten verplicht over aan hun Roermondse collega’s. Waarschijnlijk monsterden ze hier of in Roermond aan op schepen die stroomopwaarts gingen.
De toewijzing van de vlotten aan de huurvaarders gebeurde op de Stenen Brug. Daar meldden de huurvaarders zich alle werkdagen om 6.00 of 7.00 uur ’s ochtends en werden daar uitgekozen door de schippers, bij wie ze in tijdelijke dienst traden. Hier werden ook de ploegen of ‘rotten’ gevormd die het traject tussen ‘de Berch in Linne’ en Beesel voor hun rekening namen. Bepaald was dat op dit traject altijd één man meer werd ingezet dan de Luikse houtvaarders hadden gebruikt op hun deel van de reis.
Na Beesel werd de Maas weer wat eenvoudiger bevaarbaar. Vanaf hier kon het vervoer weer in handen van andere schippers worden gegeven, maar soms voeren de Roermondse huurvaarders mee tot de eindbestemming. Deden ze dat niet, dan liepen de huurvaarders vanuit Beesel terug naar Roermond. Die weg terug werd nog lang op kaarten aangegeven als het ‘huurvaarderspad’ en liep langs Ouddorp, Rijkel, de Wieler en Asselt en dan via de Sieperhof, de Vuilbemden en Maasniel.

Kraanpoort 1, het huis waar de huurvaarders en schippers zo’n twee eeuwen hun vergaderlokaal hadden. Foto: RCE

Wat herinnert er behalve een gedeelte van het tracé van het oude huurvaarderspad nog meer aan de eerbiedwaardige Cogelbroeders?
Een van de belangrijkste zaken die nog zichtbaar zijn is het vergaderlokaal (gaffel). Dat bevond al zeker in de zestiende eeuw op de verdieping in het nog bestaande pand Kraanpoort 1. Behalve dat het gaffel van de Nicolaesbroeders was hier ook lange tijd de meelwaag gevestigd. Het jaartal 1764 dat op een gevelsteen van dat pand wordt aangegeven, heeft dus niet betrekking op de constructie van het huis, maar op een renovering waarbij het zijn huidige rococo-uitdossing kreeg. Kort voor die verbouwing was de Nicolaesbroederschap juist uit het huis vertrokken, waar hij zo’n tweehonderd jaar zijn vergaderlokaal had. In dit pand werd in 1849 overigens de schilder Henry Luyten geboren.
In de parochiekerk, de huidige kathedraal, hadden de broeders een altaar dat was gewijd aan hun patroon, de heilige Nicolaas. Nog steeds wordt in de kathedraal een 18de-eeuws ex-voto-bootje bewaard, waarop het kruis met Christus als een enorme mast is afgebeeld, en de zweetdoek van Veronica als zeil dient. Het is te zien op het door Pierre Cuypers vervaardigde Maria-altaar, en is mogelijk afkomstig van het altaar van de schippers. Het naar de Roerkade afdalende straatje dat pal naast het gaffel van het schippersampt liep, heette oorspronkelijk Visserstraat. Juist ten tijde van de renovatie van 1764 en het vertrek van de Cogelbroeders kort daarvoor, werd de straat hernoemd tot Sint-Nicolaasstraat.


Verder lezen:

  • Giesen, L., Beesel als schakel in de houtvaart, in: Jaarboek Maas- en Swalmdal 7 (1987) 65-82. Een uitgebreide versie van dit artikel op: http://www.loegiesen.nl/toponiemen/Huurvaarderspad.htm
  • Linssen, J., De stichting van de stad Roermond en haar eerste opkomst, in: Publications de la Société Historique et Archéologique dans le Limbourg 112 (1976) aldaar blz. 121-127.
  • Bree, G. van, De ambachtsgilden van Roermond tot 1795, in: Spiegel van Roermond 2 (1994) 94-137.

Liet hertog Karel het praalgraf in de Munsterkerk restaureren?

Foto: RCE, Amersfoort

De beelden van graaf Gerard IV van Gelder en zijn gemalin Margaretha van Brabant in de Munsterkerk zijn rond het jaar 1500 rigoureus gerestaureerd. De kern van de beeldengroep uit omstreeks 1240 is nog intact maar tegen het begin van de zestiende eeuw vonden op initiatief van de toenmalige hertog van Gelder ingrijpende herstelwerkzaamheden plaats.

Dat betoogt kunsthistorica dr. Jitske Jasperse, een specialist in middeleeuwse kunst en tegenwoordig werkzaam aan de Universiteit van Madrid in twee artikelen over de tombe. Jasperse baseert haar conclusies voor een gedeelte op een onderzoek naar de kleding van graaf en gravin die eerder zou passen bij de tijd van rond 1500 dan die van 1240.
Daarnaast zou een restauratie rond dat jaar passen bij het optreden van hertog Karel van Gelder (1467-1538). Deze was omstreeks die tijd verwikkeld in een strijd met onder andere Bourgondië en de Habsburgers om het behoud van de zelfstandigheid van Gelder en om erkenning van zijn positie als hertog.

“Er bestaat weinig twijfel over dat omstreeks 1500 flink is gewerkt aan de beelden,” laat dr. Jasperse telefonisch weten. “Dat de kleding van de graaf en gravin elementen bevat die niet in de dertiende eeuw thuishoren, is duidelijk. Maar ik heb geprobeerd om los te komen van het debat over de ouderdom van de beelden, en heb vooral gekeken naar de vraag waarom de tombe gerestaureerd zou zijn. Zo ben ik meer naar hertog Karel gaan kijken. Wat zou hij met zo’n restauratie te winnen hebben? Wat waren zijn strategieën?
“Voor Karel was het van groot belang om zich te presenteren als telg van een oude dynastie. Bloedbanden bepaalden immers zijn positie en legitimeerden zijn status en macht. Om die reden liet hij ook verschillende genealogieën opstellen.”

Karel van Gelre zette dus alles in het werk om zijn vorstelijke status te legitimeren. Ook een restauratie van de toen al eeuwenoude tombe in de Munsterkerk zou volgens Jasperse in dat kader passen. Bovendien was dat iets wat ook door andere dynastieën en vorsten met regelmaat gebeurde.
Jasperse: “Voor de middeleeuwers waren dergelijke beelden niet alleen kunstobjecten, ze dienden ook ter nagedachtenis, en voor de latere generaties ook als legitimatie van de macht. De beelden onderstreepten als het ware de lange geschiedenis van een dynastie en waren daarom ook belangrijk voor de latere vorsten.”

Dat er aan de beelden is gewerkt en dat bepaalde onderdelen niet geheel passen bij dertiende-eeuwse beelden, is al door meer schrijvers aangestipt. Het meest vergaand daarin gingen Dorothea Schulz en Bert van Bommel, die in studie uit 2007 betoogden dat er zó veel zaken niet hoorden bij middeleeuwse beelden, dat ze waarschijnlijk in de zestiende eeuw helemaal opnieuw zijn gemaakt, naar het voorbeeld van de toen nog bestaande ‘originelen’. De beelden zoals we ze nu kennen, zouden dan kopieën uit de zestiende eeuw zijn.

Jasperse: “Dat geloof ik niet. In de zestiende eeuw was het heel gewoon om beelden ingrijpend te restaureren. De opvatting over restaureren was in die tijd anders dan nu. Juist omdat de beelden een functie hadden in de legitimatie van een dynastie, had men er geen probleem mee om er elementen aan toe te voegen, weg te laten of te veranderen. De beelden in de Munsterkerk zien er heel middeleeuws uit. Als ze in de zestiende eeuw nieuwe beelden hadden laten maken, zouden ze niet zo hun best hebben gedaan om die er zo middeleeuws uit te laten zien. Dan hadden ze er gewoon moderne, zestiende-eeuwse beelden neergezet.”

 

Opvallende overeenkomsten in de kleding van twee dames in de 16de-eeuwse grafleggingsgroep en de kleding van de gravin van Gelre. Foto links: HarrySegers.nl

 

Toch hebben de beelden volgens Jasperse in de zestiende eeuw een nieuw jasje gekregen. In haar artikelen wijst ze bijvoorbeeld op de overeenkomst in de kleding van de gravin van Gelre en die van een vrouwelijke figuur in de zogenoemde grafleggingsgroep, een aan de Meester van Elsloo toegeschreven werk dat zich eveneens in de Munsterkerk bevindt. Beiden dragen een geplooid onderkleed met hoog sluitende kragen, en beide dragen grote juwelen op de borst. Deze mode uit het begin van de zestiende eeuw past wel bij de houten beelden van de grafleggingsgroep, die omstreeks die tijd werden gemaakt, maar niet bij het beeld van de Gelderse gravin, die drie eeuwen daarvoor leefde.

U zegt het niet met zoveel woorden, maar u lijkt er bijna op aan te sturen dat de beeldengroep gerestaureerd zou kunnen zijn door iemand uit het atelier van de Meester van Elsloo.

“Nou… ik zou dat niet op voorhand willen uitsluiten. Als het atelier van de Meester van Elsloo in Roermond gevestigd was, dan zouden daar ook opdrachten voor het Munster vervaardigd kunnen zijn. Dat de grafbeelden van steen zijn, hoeft niet per se een probleem te vormen. Ik stel me de middeleeuwer voor als een pragmatisch ingesteld iemand. Ook een beeldensnijder moest opdrachten werven. Misschien heeft hij zichzelf aangeboden, of misschien is door de opdrachtgever wel gekeken of er niet iemand in de buurt werkzaam was, die deze klus kon doen.

Hoe moeten we de veranderingen aan de beelden concreet voorstellen?

“Ik denk dat bepaalde gedeeltes rond 1500 ernstig beschadigd waren. Die zijn weggehaald en er is iets nieuws voor in de plaats gezet. Je ziet er niets van omdat er door Cuypers in de negentiende eeuw een nieuwe verflaag is aangebracht, met bovendien een dikke laag vernis. Nauwkeurig onderzoek van de gebruikte steensoorten zou daar misschien meer duidelijkheid over geven.”


Meer lezen:

Jitske Jasperse, Illustere voorouders in ere hersteld. Karel van Gelre en de ‘restauratie’ van het grafmonument van Gerard IV van Gelre en Margaretha in de Munsterkerk te Roermond, in: De Maasgouw 135 (2016) 106-112.

Jitske Jasperse, Duke Charles of Guelders and the ‘restoration’ of the Tomb Monument of Gerard IV and Margaret in the Roermond Minster, in: Claudine Chavannes-Mazel en Anne-Maria van Egmond (red.),  Medieval art in the Northern Netherlands. New facts and features, Utrecht 2014, blz. 174-187.

Opus spicatum in Orsbeck

Visgraatmotief en veldstenen, verwerkt in de kerk van Orsbeck (gemeente Wassenberg)

Het dorp Orsbeck, gelegen aan de Roer en onderdeel van de Stadt Wassenberg, herbergt een van de oudste kerken in de streek, een van oorsprong Romaans zaalkerkje, gewijd aan Sint-Maarten. De oudste delen van de kerk dateren nog van de tiende eeuw, waarmee ze een van de oudste kerken in de Kreis Heinsberg is.
Zoals de meeste kerken, is die van Orsbeck begonnen als een eenvoudig zaalkerkje, met een rechthoekig koor. In de twaalfde eeuw is er aan de westkant een massieve romaanse toren tegenaangebouwd, die in de vijftiende eeuw werd verhoogd.
Omstreeks 1753 werd ook het schip verhoogd, waarbij het oude tongewelf werd vervangen door een rechte zoldering. Het romaanse koor sneuvelde bij een nieuwe reconstructie van de kerk in 1839.
De eerste kerkjes, die in deze streek verschenen in de achtste eeuw, waren kleine gebouwtjes, vaak houtskelet-constructies (vakwerk met een vulling van leem en stro). De vroegste kerkjes werden vaak nog gefundeerd op houten palen, later werd er gefundeerd op stenen poeren of stenen funderingen. De funderingen van de kerkjes die nog van vóór het jaar 1000 dateren, bestaan meestal uit twee rijen breuksteen, met daartussen een vulling van kiezel en ander materiaal dat voorhanden was. Dat kon ook materiaal zijn dat nog uit de Romeinse tijd dateerde. “Het lijdt geen twijfel dat in deze streek, die arm is aan natuursteen, voor de kerkenbouw tot in de late Middeleeuwen Romeins puin is gebruikt,” schreef Leo Gillessen daarover.
In de voor een gedeelte uit breuksteen opgetrokken muren van de kerk van Orsbeck zijn nog veel Romeinse tegulae verwerkt in een zogenoemd visgraatverband (opus spicatum). Het is een techniek die door de Romeinen werd toegepast, maar die na de val van het Romeinse rijk gaandeweg verloren ging. Het opus spicatum in Orsbeck dateert dus uit een periode dat de kennis van deze Romeinse metseltechniek nog aanwezig was. Kerken waar dit voorkomt, worden doorgaans vóór 1000 gedateerd. In Nederlands-Limburg is er nog maar één kerk waarin opus spicatum is verwerkt, namelijk die van het gehucht Mesch (gemeente Margraten).


Laat-middeleeuwse houten beelden in Heinsberg

Wie in het Palais de Beaux-Arts in Lille de zaal met de collectie houten beelden binnenwandelt, loopt bijna direct tegen een zestiende-eeuws Maaslands werk aan, dat wordt toegeschreven aan de Meester van Elsloo. Het stelt een pezige, nors kijkende kerel met een baard voor die een touw vasthoudt.


Wat de precieze betekenis van het beeld was, werd pas in 1989 ontdekt door de Nederlandse kunsthistoricus Guido de Werd. Hij merkte op dat er een verband was tussen het beeld in Lille en een kruisdragingsgroep die is opgesteld in de Sint-Gangulfuskerk in Heinsberg. De Heinsbergse beeldengroep stelt Jezus voor die het kruis op zijn schouder draagt en daarbij wordt geholpen door de achter hem lopende Simon van Cyrene. Pas door de ontdekking van De Werd werd de betekenis van het beeld in Lille duidelijk: hier was de beul uitgebeeld, die Jezus aan een touw achter zich aantrok. In de oorspronkelijke setting stond deze figuur dus voor de kruisdragers.

Onder de kunsthistorici die zich bezighouden met de Meester van Elsloo is er geen twijfel dat De Werd het bij het juiste eind had. Maar hoe is het beeld van de beul uit de Heinsbergse groep dan in Lille terecht gekomen? Volgens een verhaal dat is na te lezen in een beschrijving van de kerk, werd de figuur van de beul door de plaatselijke bevolking aangezien voor Judas – de verrader van Jezus. Dat zou ertoe hebben geleid dat het beeld elk jaar op Goede Vrijdag werd bespuugd door de parochianen en dat mensen zich er enorm over opwonden. In 1875 zou de pastoor van Heinsberg daarom hebben besloten dat het nu wel welletjes was geweest, waarna hij het beeld verkocht aan een kunsthandelaar te Lille. Of dit de werkelijke toedracht is geweest, of dat ook een financieel belang misschien heeft meegespeeld, vertelt het verhaal niet.

Welke beeldsnijder schuilgaat achter de naam ‘Meester van Elsloo’ is een raadsel dat kunsthistorici al tientallen jaren bezighoudt. De naam werd in 1940 door Sef Timmers gegeven aan een anonieme meester-beeldsnijder waarvan het meest karakteristieke werk volgens hem een Annatrits in de kerk te Elsloo was, en aan wie Timmers op grond van stijlovereenkomsten nog enkele andere beelden toeschreef. De ‘Meester van Elsloo’ is een ‘noodnaam’ die gebruikt wordt voor een onbekende beeldsnijder, maar misschien ook enkele met elkaar samenwerkende beeldsnijders of een atelier.

In de loop der jaren ontstonden meerdere van dit soort noodnamen. Zo hadden we een Meester van Beek (naar een calvariegroep in de kerk van het Belgisch-Limburgse Beek), een Meester van Siersdorf (naar diverse beelden in de plaatselijke Sint-Jan de Doperkerk) en een meester van Maaseik (naar een Annatrits in de Sint-Catharinakerk aldaar). Ook de Heinsbergse beelden werden in de jaren 1950 toegeschreven aan een ‘eigen’ meester’ de Meester van de Heinbergse Kruisdraging, die dan weer werd beschouwd als een leerling van de Meester van Beek.

Een aantal van die noodnamen zijn tegenwoordig als het ware samengesmolten: ze worden in verband gebracht met het beeld in Elsloo en gekoppeld aan de daarnaar genoemde meester. Een gevolg is wel dat er inmiddels al meer dan 200 beelden worden toegeschreven aan de Meester van Elsloo, een wel erg groot aantal voor een werkplaats die waarschijnlijk zeer bescheiden van omvang was.

Hoe dat ook zij, de Heinsbergse beeldengroep is omstreeks 1520 gemaakt en wordt beschouwd als zijnde van een bijzonder hoog niveau, ook in vergelijking met andere werken die aan de Meester van Elsloo zijn toegeschreven. De beelden die nog in de Sint-Gangulfuskerk staan, hebben in de negentiende eeuw een neogotische polychromie gekregen, het beeld in Lille is onbeschilderd.


Meer lezen: