Categorie: Uncategorized

De wolvenplaag rond Roermond (1810-1811)

Nu in Nederland af en toe wolven worden gesignaleerd en hier en daar schapen zijn doodgebeten, laait ook de discussie over het gevaar van de wolf weer op. De wolf zelf wordt natuurlijk niets gevraagd, maar we hebben nu in Nederland voor- en tegenstanders van diens comeback.
Waar de voorstanders de terugkeer van de wolf een succes noemen van het natuurbeleid, wijzen anderen op het gevaar dat hij vormt voor vee, huisdieren en mens. Voorstanders (wolvenvrienden) wijzen er dan op dat de meeste schapen nog altijd door loslopende honden worden doodgebeten, en benadrukken dat de wolf eigenlijk een schuw dier is dat je gemakkelijk kan wegjagen: “Kssssjjt! Dat is alles wat je hoeft te doen,” zei wolvenexpert Elli Radinger in juli 2018 in een interview met de Volkskrant.
Zo gemakkelijk is dat blijkbaar, en bovendien zijn mensen volgens Radinger nooit het doel van wolven om de eenvoudige reden dat ze niet weten dat mensen voedsel kunnen zijn. “Eeuwenlang hebben ze van hun ouders geleerd wat je veilig kunt eten. Hert, of wild zwijn, prooidieren. En mensen zitten daar niet bij.” Wolven weten bovendien maar al te goed dat ze beter niet in de buurt van mensen kunnen komen, want de kans is immers groot dat ze het er dan niet levend van af brengen.
Maar of de wolf echt zo schuw is? Een van de critici is schrijver Ton van Reen. ‘(Wolvenvrienden) krijgen vrij baan voor het sprookje dat de wolf een ongevaarlijk dier is, en noemen de angst van de mensen voor de wolf het Roodkapje-syndroom,’ schreef hij in 2013. Maar ‘Roodkapje was terecht bang voor boze wolven.’ Met andere woorden: de wolf is wel degelijk gevaarlijk voor de mens. Van Reen en anderen wezen op de problemen met wolven die zich in 1810-1811 voordeden in de streek rondom Roermond, toen niet minder dan elf kinderen door wolven werden doodgebeten. Hoe kan je dan beweren dat de wolf niet gevaarlijk is voor mensen?

De discussie is niet nieuw en speelt al sinds het eind van de jaren zeventig. Er was toen nog helemaal geen sprake van wolven in Nederland maar er werden wel plannen ontwikkeld om het dier te herintroduceren op de Veluwe.
Terwijl die discussie nog werd gevoerd, verschenen in 1981 en 1983 in De Maasgouw, het kwartaalblad van het Limburgs Geschied- en Oudheidkundig Genootschap, twee mooie artikelen van G. Geraedts waarin deze beschreef wat zich in 1810-1811 in het arrondissement Roermond afspeelde met betrekking tot wolven. Nadat de eerste kinderen waren doodgebeten, werden jachtpartijen georganiseerd om de wolf of wolven te doden, die echter niet tot succes leidden waarna de streek danig in beroering raakte. Geraedts baseerde zich onder andere op vrij gedetailleerde verslagen en processen-verbaal van ooggetuigen of andere direct betrokkenen en was nogal uitgesproken over de vraag of de wolf wel of niet gevaarlijk was. In de jaren 1810-1811, schreef hij, heeft de “zogenaamd vreesachtige en voor de mens ongevaarlijke canis lupus (…) er alles aan gedaan om zijn imago van het brave beest grondig te bederven.” En hij concludeert: “De trieste balans opmakend komen we tot een totaal van 11 doden en 3 of 4 gewonden, en dat binnen een tijd van één jaar. Is de angst voor wolven terecht? Het lijkt overbodig deze vraag nog te stellen.”

Prent in Le Petit Journal van 25-1-1914. Bron: Wikipedia.

De gebeurtenissen in 1810-1811

Wat gebeurde er dan in die jaren? Het eerste slachtoffer van “het bloeddorstige monster” (Geraedts) viel op de avond van 31 juli 1810 in Bussereind, een gehucht bij Beesel. Daar was toen de 26-jarige Petronella Peeters samen met Joanna Engels op het land aan het werk. Petronella had haar driejarige zoontje Jan meegenomen die op een gegeven moment begon te huilen. De twee vrouwen waren bezig met het bijeenbinden van rogge en stonden blijkbaar met de rug naar het kind toe. In ieder geval werd er niet direct aandacht aan geschonken. “Wees maar stil, we zullen spoedig klaar zijn en dan gaan we naar huis,” zou Petronella hebben gezegd, schijnbaar zonder op of om te kijken. Toen ze even later wél opkeek, was het jongetje weg en zag ze verderop een wolf weglopen. De volgende dag werden alleen nog maar enkele lichaamsdelen van het kind gevonden: de linker onderarm, het linker voetje, het rechter been, enkele ribben alsmede wat bebloede kledingstukken. De ‘maire’ (burgemeester) van Beesel vermeldde in zijn verslag dat deze resten in de voorschoot van de moeder werden gelegd, en dat die ze mee naar huis nam.

Een dag later was het opnieuw raak, dit keer in Brüggen, waar de driejarige Harrie Peeters door een wolf werd gegrepen. Meer dan een zakdoek werd van hem niet meer teruggevonden. Twee dodelijke slachtoffers in twee dagen tijd was ook in die tijd een alarmerend gegeven en de bestuurders van de gemeentes in de streek ondernamen direct actie. Twee wolfsjachten waaraan mannen uit de hele streek deelnamen, hadden echter geen enkel resultaat: wolven werden niet gezien, laat staan dat er een kon worden gedood, terwijl ondertussen op andere plaatsen wel mannen en vrouwen door wolven zouden zijn aangevallen.

Machteloosheid

Het beeld dat oprijst uit de verslagen is er een van machteloosheid. Dat bleek ook nadat op 13 augustus opnieuw een slachtoffer viel, dit keer een jongetje van acht uit Silberbeek bij Niederkrüchten, en er opnieuw een grootscheepse wolvenjacht werd gehouden die dit keer het hele gebied ten oosten van de Maas tussen Venlo en Roermond besloeg. Het was de bedoeling om de wolven in een tangvormige beweging op te drijven, zodat ze uiteindelijk geen kant meer op zouden kunnen. Bij die enorme operatie, die plaatsvond op 20 augustus, werden liefst 3260 drijvers, 365 jagers te voet en 72 jagers te paard ingezet, maar het leverde geen enkel resultaat op. Integendeel: op 23 augustus werd in Kessel-Eik, aan de andere kant van de Maas, een jongetje door een wolf aangevallen en vier dagen later in Beringen een meisje. Het jongetje overleefde de aanval, van het meisje werd enkele dagen later slechts het hoofd teruggevonden.

Op 15 september werd opnieuw een grote wolvenjacht gehouden, met de bedoeling de wolven in de richting van de Maas te drijven waar dan een legertje jagers klaarstond om de dieren onder vuur te nemen. De operatie was er een van een ongekende schaal, er namen nog meer jagers aan deel dan bij de eerdere expedities, maar het resultaat was hetzelfde: er werd geen wolf afgeschoten. Sterker: terwijl de wolfsjacht plaatsvond, werd in Rödgen (bij Arsbeck) opnieuw een kind gedood, twee mijl achter de linie waar de drijvers actief waren.

Ook de wolfsjachten die daarna nog werden gehouden hadden geen enkel resultaat, terwijl er wel opnieuw doden vielen: in Mülbracht (25 september), Helden (5 oktober), Merbeck (31 oktober) en Posterholt (8 november). Het slachtoffertje in Posterholt was de negenjarige Lambert Seegers, die samen met zijn broer hout aan het sprokkelen was in het Wandelbroek. Inwoners van Posterholt joegen de wolf op tot hij bij Paarlo de Roer overstak en richting Melick wist te ontkomen.

De rust leek daarna even terug te keren. Lambert Seegers was het laatste slachtoffer in het jaar 1810, en in de maanden daarna werden geen aanvallen door wolven vermeld. Daarentegen werden er buiten het arrondissement Roermond wel enkele wolven gedood, waaronder een buitengewoon groot exemplaar in Krefeld waarvan werd verondersteld dat dit het dier was dat rond Roermond zoveel onheil had gebracht.

De hoop dat daarmee een einde was gekomen aan de aanvallen door wolven bleek echter vergeefs. Vanaf mei 1811 vielen er opnieuw slachtoffers en net als een jaar eerder viel de eerste dode in Beesel, dit keer bij Waterloo – niet eens zo ver van Bussering. In de dagen daarop vielen wolven (of was het telkens dezelfde?) kinderen aan bij Brüggen, opnieuw in Beesel en mogelijk ook in Elmpt.

Wolf in Oost-Europa. Foto: Fotolia.

Eindelijk succes

Begin juni 1811 was er eindelijk een succes te melden toen de Swalmense boer Hendrik Wynandts erin slaagde om een wolvin dood te schieten. In Roermond schijnt de bevolking de volgende dag in groten getale te zijn toegestroomd om het dier te bekijken, toen hij ermee naar de stad kwam om het te tonen aan de prefect en de uitgeloofde beloning op te eisen. Iets meer dan een week later schoot dezelfde Wynandts opnieuw een wolf dood maar toch viel er op 26 juli 1811 nog één slachtoffer te betreuren, de vier-jarige Servaas Pluym in Kessel. Daarmee kwam een einde aan de wolvenplaag die in 1810-1811 de bevolking van de streek rondom Roermond in beroering had gebracht. In 1835 zou de laatste wolf in deze streek zijn neergeschoten in de buurt van Dülken.

Maar wat is nu het belang van deze gebeurtenissen in het licht van de huidige discussie over de wolf: is hij gevaarlijk voor de mens of niet? We hebben al gezien dat het voor Geraedts, die deze treurige geschiedenis als eerste beschreef, wel duidelijk was dat de wolf een gevaarlijk ondier is.
Toch lijkt een nuancering op zijn plaats. Enkele jaren na het verschijnen van Geraedts’ artikelen werden de gebeurtenissen van 1810-1811 opnieuw aan de orde gebracht door de Nederlands-Amerikaanse psycholoog, filosoof en historicus prof. dr. Arthur Schrijnemakers, die er drie stukken over publiceerde in de jaarboeken van de Heemkundevereniging Roerstreek, en later (1999) samen met Frans Geerlings ook in het Jaarboek van heemkundevereniging Maas- en Swalmdal. In het eerste artikel beschreef Schrijnemakers de voorvallen die ook al door Geraedts uit de archieven waren opgedolven, maar in een volgend stuk zocht hij naar een verklaring voor het optreden van de wolf. Het doden van kinderen door wolven was immers uitzonderlijk en volgens experts ook volstrekt a-typisch.

Het viel Schrijnemakers op dat regelmatig gesproken werd van een buitengewoon grote wolf: ‘un enorme loup mâle’ (een enorme mannelijke wolf), ‘un loup monstrueux’ (een monsterachtige wolf), maar ook dat boeren vertelden dat de wolf die zij hadden gezien eruitzag als een grote hond, mager en met een lange snorrebaard.

Wolf of hond?

Waren het allemaal wel ‘echte’ wolven geweest die de kinderen hadden gedood, of waren het hybrides, kruisingen tussen een wolf en een hond? Schrijnemakers neigde naar het laatste: “Uit nauwkeurige observaties is immers gebleken dat dergelijke bastaarden doorgaans niet alleen groter maar ook opvallend agressiever dan hun ouders zijn.”

Daar staat tegenover dat de sporen die in 1810 en 1811 werden bestudeerd wel degelijk wezen op een wolf, die immers zijn achterpoten precies plaatst waar hij eerder zijn voorpoten heeft geplaatst. Maar ook met deze wolvensporen was iets merkwaardigs aan de hand, merkte al in 1810 het hoofd van de wolvenbestrijdingsdienst op: zo stonden de tenen verder uiteen en waren de uitwerpselen harder dan normaal. Daarnaast leken de bijtwonden die waren toegebracht te wijzen op een versleten gebit.

Indachtig de beschrijving die de boeren van de wolf hadden gegeven (lange snorrebaard, ingevallen buik) kwam Schrijnemakers tot de voorzichtige conclusie dat het hier wel eens een oude solitair levende wolf kan zijn geweest, die niet meer mee kon met zijn roedel. Juist voor zo’n ouder dier zou een kind een veel gemakkelijker prooi zijn dan een dier. Zo liet in één geval de wolf een geit ongemoeid, en richtte zijn aanval op een kind.

Volgens wolvenexpert Elli Radinger (in de Volkskrant) waren de wolven die mensen hebben aangevallen meestal hondsdol. Dat kan ook het geval zijn geweest bij de wolven die in 1810-1811 rond Roermond slachtoffers maakten, maar niet in alle gevallen. Enkele kinderen overleefden namelijk de aanval en genazen gewoon van de bijtwonden zonder dat er sprake was van (doorgaans dodelijke) hondsdolheid.

Interessant zijn in dit kader trouwens ook de recente ervaringen in de Franse Béarn, in het westen van de Pyreneeën. Daar werden vanaf eind april tientallen schapen doodgebeten, was de wolf onmiddellijk verdachte nummer één en werden ook daar vervolgens wolvenjachten gehouden door boeren en schapenhouders. Er werd echter ook dna-onderzoek gedaan waaruit bleek dat het roofdier dat de schapen doodbeet een kruising was: 60% wolfshond, 40% Russische wolf.


Verder lezen: 

Geraedts, G. Is angst voor wolven terecht?, in: De Maasgouw 100 (1981) kol. 193-204. Dezelfde: De bestrijding van wolven in het departement van de Nedermaas, in: De Maasgouw 102 (1983) kol. 113-128.

Schrijnemakers, A., Wolvenplaag Midden-Limburg in de Franse tijd, in: Roerstreek 20 (1988) 126-142. Dezelfde: Merkwaardige aspecten van de wolvenplaag (1810-1811) en haar bestrijding, in: Roerstreek 21 (1989) 106-117. Dezelfde: De eeuwenlange verdelgingsoorlog tegen de wolf, in: Roerstreek 22 (1990) 59-75.

Geerlings, F. en A. Schrijnemakers, Wolvenplaag in het Maas- en Swalmdal in de Franse tijd (1794-1814), in: Jaarboek Maas- en Swalmdal 19 (1999) 108-145.

Keulemans, M., De wolf in ons, in: De Volkskrant 3-7-2018 (artikel over wolvenexpert Elli Radinger)

Blaise, Gabriel, Loup en Béarn: les analyses ADN ont parlé selon les élevateurs, il s’agit d’un hybride, in: Sud Ouest 20-7-2018.

Het oudste kruisbeeld van de streek

In het Swalmdorp Brempt (gemeente Niederkrüchten) staat deze Skt.-Georgskapel. Het gebouwtje heeft een aan drie zijden gesloten koor, blinde arcades aan de westgevel en een achthoekige dakruiter. Maar het valt vooral op door zijn trapgevel, een bouwstijl die aan de Nederrijn en in Nederland over het algemeen slechts in profane gebouwen werd toegepast.

Mede vanwege die gotische trapgevel werd de kapel lange tijd gedateerd omstreeks 1500, maar dat leek een misrekening toen in 1961 achter de wijzerplaat van de klok op een steen het jaartal 1612 werd aangetroffen. Na die vondst werd de kapel in één keer een eeuw jonger verklaard.

Al vóór 1961 was door bouwhistorici gewezen op het vlakke plafond, dat niet in de richting wees van een gotisch gebouw. Het vlakke plafond werd destijds nog beschouwd als een latere toevoeging.

Ondanks dat de kapel jonger is dan lange tijd werd gedacht is het toch een bijzonder gebouw, niet alleen door de a-typische trapgevel maar ook door de kunstschat die binnen in de kapel hangt. Bedoeld wordt hier het zogenoemde Brempter Kruis, met een corpus dat wordt gedateerd op omstreeks 1060-1070. Meer dan 900 jaar oud dus! Dit sterk verweerde romaanse beeld van 95 centimeter hoog wordt beschouwd als het oudste corpus aan de Nederrijn en is afgezien van de aangezette armen gesneden uit één stuk eikenhout.

Vóórdat het beeld in 1953-1954 werd gerestaureerd, werd er nauwelijks aandacht aan besteed. In de oudere overzichten van het erfgoed in de streek als dat van Paul Clemen (Die Kunstdenkmäler der Rheinprovinz – 1902) wordt het wel genoemd, maar niemand stond er ooit bij stil dat het zo oud kon zijn. “Dünn und schematisch behandelt” oordeelde Clemen, die veronderstelde dat het beeld uit de veertiende of vijftiende eeuw stamde.
Vóór de restauratie hing het dan ook op een onopvallende plaats in de kapel en vanwege de verwering van het hout wordt vermoed dat het ook lange tijd aan de buitengevel heeft gehangen, blootgesteld aan wind en regen.

Toch vergeleken kunsthistorici het Brempter kruis al vóór de restauratie met het beroemde kruis van Gero in de Dom van Keulen, het oudste beeldhouwwerk van de gekruisigde Christus ten noorden van de Alpen (ca. 965-970). Of op het zogenoemde Ringelheimer kruis, waarvoor opdracht werd gegeven door bisschop Bernward van Hildesheim (993-1022). Daarbij werd gewezen op de overeenkomende stand van de voeten (naast elkaar), de handen, en op de recht omlaag vallende lendendoek.

De ouderdom kwam pas vast te staan nadat bij de restauratie in de jaren 50 de oude polychromie was verwijderd.

Nog steeds is niet alles bekend over het beeld. Zo zijn de oogleden verdwenen en heeft de Christusfiguur alleen ronde oogkassen, iets dat oorspronkelijk niet het geval zal zijn geweest. Ook is onbekend hoe het beeld in Brempt terechtkwam. Mogelijk is er een verband met de heren van Brempt, die het dorp zijn naam gaven, hier een kasteel hadden en waarschijnlijk ook de kapel lieten bouwen. Mogelijk kwam het kruisbeeld hier door een schenking terecht.

Het Dalheimer Kruis in Roermond

Foto © Wollstein/Schulz

Het oudste kunstwerk in de Roermondse kathedraal is het zogenaamde Dalheimer Kruis, zo genoemd omdat het oorspronkelijk was ondergebracht in het Cisterciënzerinnenklooster van Dalheim, net over de grens bij Vlodrop. Het wordt gedateerd op omstreeks 1300. In de hele omgeving stond het bekend als een wonderdadig kruisbeeld: een “miraculeus beeldt van het heijlig cruys” waar wonderbaarlijke genezingen aan werden toegeschreven.

Waarschijnlijk werd het tijdens de Franse revolutie naar een schuilplaats in Roermond gebracht. Dat er vanuit de abdij in Dalheim kostbaarheden in Roermond werden ondergebracht, was min of meer een beproefd recept. De nonnen in het klooster van Dalheim waren allemaal adellijke juffers, die in hun klooster Val-du-Ciel echt niet voortdurend op een houtje zaten te bijten. Mede omdat de “joufferen” goed in de slappe was zaten, beschikte het klooster over een aardige hoeveelheid kostbaarheden. Maar juist in tijden van oorlog, met rondtrekkende troepen van allerlei nationaliteiten die vaak nét iets te lang op hun soldij moesten wachten, kon dat problemen geven. En dat gebeurde in onze streek nogal eens. Reden voor de nonnen om een veilig onderkomen te zoeken in een versterkte stad in de nabijheid, zoals Roermond. Niet alleen om zo zelf het vege lijf te redden, maar ook om er de kostbaarheden van het klooster onder te brengen.

Foto © Wollstein/Schulz

Bekend is dat het klooster beschikte over een vluchthuis in de Lage Hegstraat (de huidige Lindanusstraat), dat echter in 1630 vanwege geldgebrek van de hand gedaan moest worden. Blijkbaar vonden de Dalheimer nonnen in Roermond een nieuw onderkomen voor (een deel van) hun schatten, waarschijnlijk in de Caroluskapel.

Wanneer het kruisbeeld, een zogenaamd gaffelkruis, exact naar Roermond werd overgebracht is niet bekend, maar het ligt voor de hand dat dit in de jaren ’90 van de achttiende eeuw gebeurde. Franse troepen plunderden het Dalheimer klooster in 1792 en 1794. In 1802 werd het klooster definitief gesloten.

Legende

Evenmin is iets bekend over hoe het kruisbeeld in Roermond terechtkwam, maar er bestaat wel een mooie legende over. Het beeld zou op een wagen zijn geladen, die werd getrokken door een blind paard dat zonder begeleiding van een menner of koetsier zelf zijn weg zocht en uiteindelijk in Roermond stopte. Moraal van het verhaal: hier was het wonderdadige kruis op zijn plek.

Uit dankbaarheid voor de betoonde gastvrijheid werd het beeld in 1810 door de Dalheimer zusters aan de “parochiale kerke van den heijligen Christophorus der stad Ruremonde vergunt.

Daartoe werd het in een feestelijke processie naar de kathedraal gebracht. De overdracht werd bekrachtigd in een op 25 juli 1810 gedateerde akte die was ondertekend door vier “religieusen der gesupprimeerde adelijcke abdeij Dalheim… nogtans onder deze conditie, dat bij herstellinge in de voorschrevene abdeij, of andere van onsen order, het selve beeldt zal terug gegeven worden.
Met andere woorden: als het klooster in Dalheim ooit opnieuw zou worden geopend, dan moest het kruis worden teruggegeven. Het beeld kwam overigens niet ongeschonden door de oorlog, de armen moesten na die tijd worden gerestaureerd.

Gaffelkruisen

Gaffelkruisen zoals dit hebben een Y-vorm die verwijst naar de Boom van de Kennis van Goed en Kwaad, waarmee volgens de christelijke dogmatiek de zonde in de wereld kwam, een zonde die weer werd weggenomen door het lijden van Christus. En precies dat wordt hier afgebeeld: de hangende Christus met uitstekende ribben, omlaaggezakt hoofd met openhangende mond en het bloed dat uit de steekwond gutst. Het is een typische ‘crucifixus dolorosus’, heel anders dan bijvoorbeeld het oudere Christus triomfatorbeeld in de Munsterkerk.

Gaffelkruisen worden ook wel pestkruisen genoemd, maar dat is een misleidende naam want toen de eerste grote Europese pestepidemie uitbrak (1340) bestonden deze kruisbeelden al. Ze ontstonden omstreeks 1300 onder invloed van de mystiek, en komen vooral in het Rijnland voor. Het beroemdste is waarschijnlijk dat in de St. Maria im Kapitol te Keulen (gedateerd vóór 1312), waarvan het holle corpus bij een recente restauratie ongeveer 50 relieken bleek te bevatten. Maar ook in Saksen, Italië, Oostenrijk en Spanje komen ze in geringe aantallen voor, zodat gesteld kan worden dat de gaffelkruisen meer zijn geweest dan een regionale vorm.

 

 

 

Het Christoffelhuis in Roermond

Foto Rijksdienst voor Cultureeel Erfgoed RCE

Iedereen kent wel de zogenoemde Vitruviaanse man van Leonardo da Vinci, een binnen een cirkel en een vierkant getekende man die in twee poses is afgebeeld: met schuin uitgestoken benen en armen en rechtop staand met recht uitgestoken armen. Leonardo wilde met zijn tekening aantonen dat er een directe relatie bestaat tussen het menselijke lichaan en de twee als volmaakt beschouwde vormen: cirkel en vierkant.

Als echte renaissancekunstenaar greep hij daarbij terug op klassieke auteurs, meer in het bijzonder de Romeinse architect Vitruvius. Deze had betoogd dat maatverhoudingen de basis vormen voor een geslaagde bouwkundige compositie en dat de ideale maatverhoudingen bovendien zijn afgeleid van het menselijke lichaam.
Leonardo was bepaald niet de enige die zich baseerde op Vitruvius. Vele generaties bouwkundigen volgden hem en altijd ging het daarbij om de toepassing van ideale verhoudingen en ideale grondvormen in een bouwwerk. We zien dat met name terug in grote bouwprojecten als stadhuizen en kerken maar ook wel in woonhuizen.
Volgens deze ‘klassieke’ principes werd kort na de tweede stadsbrand van 1665 het Christoffelhuis gebouwd in wat toen nog de Hegstraat heette en nu de Lindanusstraat is. In het cultuurhistorisch onderzoek dat het Monumentenhuis in 1999 uitvoerde, wordt gesteld dat het huis bij uitstek getuigt van de zeventiende-eeuwse architectuurdoctrine met betrekking tot de proportieleer: “Door de toepassing van modules en geometrische patronen als cirkel en driehoek, zouden zich als vanzelf de ‘volmaakte’ verhoudingen in een bouwwerk manifesteren, waardoor de hoogste graad van schoonheid bereikt kon worden.

Zonder meer was de bouw van het later Christoffelhuis een prestigieus object, waarvoor een architect werd ingehuurd met verstand van zaken, en voor mensen die ontwikkeld genoeg waren om in de keuzes van die architect mee te gaan. Wie dan wel die opdrachtgevers en de architect waren, is helaas onbekend.
Vanuit Roermonds perspectief is het een uniek huis. “Het enig bekende voorbeeld van deze ontwerppraktijk in Roermond, waardoor van een bijzondere meerwaarde gesproken kan worden,” aldus het Monumentenhuis.

Stadsbrand en slappe was

Waarschijnlijk heeft Herman Janssen het Christoffelhuis al ingetekend op zijn bekende stadskaart uit 1671. Hij tekende het pand daarop met een rood dak, wat betekent dat het bij de stadsbrand van 16655 afbrandde en op het moment dat de kaart werd getekend weer was opgebouwd.

De Hegstraat behoorde tot de zwaar getroffen stadsdelen van deze brand, die een enorme ravage veroorzaakte. Het verklaart mogelijk de opmerkelijke ligging van de kelder. Deze kelder met tongewelf loop wel in de lengterichting onder het huis, parallel aan de straat, maar ligt vreemd genoeg niet direct aan de straat maar aan de achterzijde van het pand. Mogelijk was de bodem aan de straatzijde zodanig verstoord door overblijfselen van eerdere (stenen) gebouwen, dat de kelder na 1665 verder naar achteren, van de straat áf, gerealiseerd moest worden.
De ‘nieuwbouwbuurt’ die na 1665 in deze hoek van de stad verrees, mocht er zijn. Het was een chique wijk, met het nieuwe bisschoppelijke paleis, het stadhouderlijke paleis en het jezuïtenklooster. De woonhuizen in de omgeving waren eigendom van vermogende Roermondenaren.

Ook de opdrachtgevers voor de bouw van het Christoffelhuis zaten goed in de slappe was. Door onderzoek van Jan Ruiten is bekend dat het Johan Lintgens is geweest, die raadsheer was aan het Hof van Gelder. Hij kreeg het huis in eigendom door zijn huwelijk (ca. 1664) met Anna Christina van Hillen, een telg uit een Roermonds patriciërsgeslacht dat diverse schepenen en burgemeesters leverde. Hun dochter Catharina Theresia Lindtgen (1681-1759) huwde met Hieron Albert de Gilkens (1656-1722) die eveneens advocaat bij het Hof van Gelder was. Zij waren de volgende bewoners van het huis. Ook de volgende bewoners (zie bewonerstabel) behoorden tot de Roermondse upperclass.

Hoogstandje en feest

In 1777 werd het Christoffelhuis eigendom van de toen 45-jarige Amsterdamse handelaar Octave Leon Barbou, die getrouwd was met de Roermondse Alexandrina van der Vrecken. In welke staat het huis toen verkeerde is onbekend, maar het echtpaar Barbou besloot de zaak flink te verbouwen en hoefde daarbij blijkbaar niet op een cent meer of minder te kijken.
Het neoclassicistische interieur dat toen werd gerealiseerd (stucplafonds, haarden, deuren in Louis XVI-stijl) alsmede het inrichten van een ‘heerenkamer’ en een ‘boudoir’ voor de dames wijst op welstand en smaak.”Dit neclassicistische interieur vormt nog altijd een van de esthetische en cultuurhistorische hoogstandjes van het huis”, schreef het Monumentenhuis in 1999. De stucdecoraties in de ruimtes op de begane grond en eerste verdieping zijn voor Roermond zeer bijzonder.
Van het exterieur uit die tijd is iets terug te zien op het schilderij dat ergens tussen 1794 en 1814 werd gemaakt vanaf de inmiddels afgebroken Heilige Geestkerk.

Een aardige bijkomstigheid: in 1787 promoveerde Gijsbert Johannes Alexander van der Vrecken, oud-leerling van het Roermondse keizerlijk College, in Leuven tot doctor in de filosofie. De nieuwbakken doctor woonde weliswaar niet meer in Roermond, maar toch was het ook hier feest: Hij had hier immers een deel van zijn opleiding genoten en in de stad woonden diverse familieleden, waaronder het echtpaar Bardou-Van der Vrecken. Roermond liep dus uit om de primus uit Leuven feestelijk te onthalen. Na zijn aankomst (hij werd opgehaald bij de Rode Brug) was de geleerde held de centrale figuur van een optocht van schutters, muzikanten, praalwagens en diverse koetsen. Het feest, met concerten en dansavonden, duurde maar liefst drie dagen. Het Christoffelhuis was toen enkele dagen hét feestcentrum van de stad.

In 1871 werd het huis eigendom van een andere bekende Roermondenaar: de advocaat en procureur Constant Guillon, de jongere broer van notaris Charles Guillon die enkele jaren daarvoor het bekende monumentale pand aan de Swalmerstraat (links van wijnhandel Berger) bouwde.
De Guillons waren voorlopig de laatsten die het pand gebruikten als gezinswoning. In 1910 kreeg het huis een opmerkelijke bestemming, toen het werd aangekocht door Het Comité voor Katholieke Actie. Het was in de jaren van opkomend socialisme, en blijkbaar werd het in Roermond nodig geacht om daar een ‘katholiek’ antwoord op te geven. De stad kon immers niet zonder slag of stoot worden overgeleverd aan het rode gevaar. De Katholieke Actie richtte zich op het maken van katholieke propaganda, en het Christoffelhuis diende daarbij als een soort uitvalsbasis. Pas na de aankoop door De Katholieke Actie kreeg het huis ook zijn huidige naam, afgeleid van de stadspatroon.

Verbouwingen

Na 1665 werd lange tijd maar weinig verbouwd en bijgebouwd aan het Christoffelhuis. Tussen 1700 en 1750 verrees naast het pand een remise met mansardedak en vervolgens was er de restauratie door het echtpaar Barbou-Van der Vrecken. In het tijdperk Katholieke Actie (1910-1961) werd de zaak echter flink vertimmerd. In 1915 begon een inpandige verbouwing, waarbij onder andere het trappenhuis werd verplaatst en in de loop van de jaren in totaal acht zalen werden gecreëerd. Die zalen deden niet alleen dienst als kantoor- en vergaderruimte van de Katholieke Actie, maar dienden ook als ontspanningsruimte, bibliotheek en leeszaal voor de parochianen van de binnenstad. Het Christoffelhuis had de functie van patronaatsgebouw gekregen. In dezelfde tijd kreeg de remise een nieuwe gevel.

In 1936 vond de volgende ingrijpende verbouwing plaats naar een plan van architect J.J.M. Thurlings, die toevallig ook in het bestuur van De Katholieke Actie zat. Thurlings verbreedde de ingang aan de Lindanusstraat aanzienlijk en bracht de pui met luifel aan die we nu nog steeds zien. Ook de belettering (St. Christoffelhuis) boven de ingang dateert uit deze tijd.

Het Christoffelhuis nu. Het gebouw rechts is de voormalige remise. Foto Jac Ruyters Groep.

Daarnaast werd het zalencomplex aan de achterzijde verder uitgebouwd. Die zalen hadden voor een gedeelte een recreatie-functie. Verschillende kerkkoren hadden er hun repetitielokaal, evenals harmonie St.-Caecilia. Gymnastiekvereniging Kracht en Vriendschap verzorgde regelmatig uitvoeringen, evenals de Roomse Toneel Werkliedenvereeniging. Maar we waren ook andere instellingen in gevestigd, zoals het ziekenfonds, het arbeidsbureau, het ijkwezen. Daarnaast werd er vergaderd door onder andere de Alliance Française en de Land- en Tuinbouwbond, werden er fancy fairs en industriebeurzen gehouden, was er een militair keuringslokaal enzovoort.

Het zalencomplex werd in 1970 grotendeels gesloopt. Het Christoffelhuis met al zijn bijgebouwen was toen al negen jaar eigendom van de gemeente Roermond. Vanaf 1989 was er het kunstenaarscollectief L5 gevestigd.

Vanaf 2003 werd het door J.Ruyters in Echt, eigenaar van de Ruyters Groep die ook een schildersbedrijf omvat, grondig gerestaureerd. Dat karwei nam drie jaar in beslag en was hard nodig, want het Christoffelhuis was flink aan het aftakelen. Door die opknapbeurt is het sindsdien weer het chique pand dat de opdrachtgevers in de zeventiende eeuw voor ogen stond.

 

Bewoners van het Christoffelhuis

1710 Echtpaar De Gilkens-Lindtgen
na 1722 Catharina Theresia Lindtgen en kinderen
tot 1771 Arnold Emmanuel Ruys
1771-1777 Paulus Departh en Theresia de Muller
1777-1899 Echtpaar Barbou-Van der Vrecken
1800-1817 Weduwe Alexandrina Barbou van der Vrecken
1817-1852 Jean Baptist Barbou en Agnes Sebilla barones de Plevits d’Afens
1852-1871 Gerard Willem Bongaerts
1871-1894 Echtpaar Guillon-Sax
1894-1897 Erven Constant Guillon
1897-1910 Eugène Charles Joseph Guillon
juni-nov, 1910 Notaris Rutten, Heythuysen
1910-1961 Comité voor Katholieke Actie
Vanaf 1961 Gemeente Roermond
Vanaf 1989 Kunstenaarscollectief L5
2004 Arag Rechtsbijstandverzekeringen

Casanova in Roermond

Roermond is in de loop van de geschiedenis bezocht door vele beroemdheden. Sommige lieten een beschrijving achter van de stad. Zoniet Giacomo Casanova, die hier anderhalve dag doodziek doorbracht, maar Roermond toch even vermeldde in zijn memoires.

Afbeelding: Wikipedia

 

In 1764 ratelde een uit Brussel afkomstige koets over de Stenen Brug, door de enorme Brugpoort en vervolgens door de met keitjes beklinkerde Brugstraat van Roermond. In het rijtuig zat een beroemde passagier, niemand anders dan de Venetiaanse avonturier Giacomo Casanova (1725-1798).
Casanova was kort daarvoor na een verblijf in Engeland teruggereisd naar Europa en was nu via Doornik en Brussel op doorreis naar Braunschweig waar hij hoopte een voormalige minnares weer te ontmoeten.

Jaren later schreef hij in zijn omvangrijke memoires heel kort over zijn verblijf in Roermond, dat anderhalve dag duurde. Veel zin om er rond te kijken, heeft Casanova waarschijnlijk niet gehad want hij was doodziek. Hij klaagde in die tijd over ‘opgezwollen klieren’, en had zich in de voorafgaande weken al meerdere keren doen aderlaten. Het verblijf in Roermond was min of meer gedwongen: “In Roermond was ik zo ziek dat ik er 36 uur moest blijven.”

Het dagboek van Casanova is opvallend gedetailleerd, aan allerlei ontmoetingen en kleinere gebeurtenissen wordt aandacht gegeven. Maar over zijn verblijf in Roermond wordt verder niets vermeld. Mogelijk heeft hij de anderhalve dag die hij hier spendeerde alleen maar ziek in zijn bed gelegen. Waar zou dat zijn geweest? In de sjieke Gouden Leeuw wellicht? Volgens zijn dagboek reisde hij anderhalve dag na aankomst in Roermond verder naar Wesel.

Mooi herstelde Middeleeuwse herberg

Marktstraat 8 is het witte huis, met aan de rechterkant de steeg naar de Roerkade.

In september 2017 reikte de Stichting Ruimte zijn ‘Ruimtekeurmerk’ uit aan onder andere Nico Meyer van kledingzaak M-Zone aan Marktstraat 8. Met het keurmerk drukt de stichting zijn waardering uit voor initiatieven die bijdragen tot het stadsschoon. Een terechte onderscheiding want het huis werd 2012 fraai opgeknapt.

Marktstraat 8 is een van die Roermondse huizen waar je zomaar langs zou lopen, maar die bij nadere beschouwing historische pareltjes blijken. Het pand is al tientallen jaren bekend als winkelpand. Vanaf 1936 waren er slagerijen in gevestigd (Helwegen, en de Ceni), daarna zat speelgoedwinkel De Klepper er in.

De Roermondse historicus Jos Linssen, die als geen ander de middeleeuwen van de stad onderzocht, veronderstelde dat het pand in de veertiende eeuw werd bewoond door Jacob Licop, telg van een belangrijke familie en in 1389, 1392 en 1394 genoemd als schepen van Roermond.
Linssen dacht ook dat in dit pand de herberg ‘in de Hertzhorn’ was gevestigd. In 1451 wordt voor het eerst een huis met die naam vermeld. In 1496 werd het pand beschreven als “geheyten int Hertzhoeren (…) in der Nederstraeten by den merckt neest der gatzen.” In de Neerstraat bij de Markt naast de gats. Dat kunnen alleen maar de twee huizen aan de Marktstraat, aan weerszijden van de Gats zijn. Daarbij is te bedenken dat de huidige Marktstraat in die tijd ook tot de Neerstraat werd gerekend. In de jaren daarna duikt het huis met die naam verschillende keren op in aktes, waarbij steeds ter verduidelijking de locatie naast het steegje wordt genoemd.

Voornaam etablissement

In de Hertzhorn was overigens niet zomaar een herberg maar lijkt het voornaamste etablissement in de stad te zijn geweest. Toen tijdens de Nederlandse Opstand om de haverklap soldaten en officieren in Roermond werden ingekwartierd, werden de belangrijkste personen altijd hier ondergebracht.
Tijdens de grote stadsbrand van juli 1554, die aan deze kant van de stad ongekende schade toebracht, werd ongetwijfeld ook dit huis getroffen. Het achterhuis, dat zoals veel panden in de binnenstad mogelijk in vakwerkstijl was opgetrokken, was niet meer te redden. Van het voorhuis bleven alleen delen van de kelder en van de buitenmuren bewaard.

De herstelwerkzaamheden na die grote brand, werden een jaar later afgerond.  Diverse mooie details uit die tijd en ouder zijn nog steeds zichtbaar, zoals de gemetselde kaarsennisjes in de kelder, geprofileerde sleutelstukken onder enkele balken en de kapconstructie van het voorhuis. Dat het huis na de stadsbrand (gedeeltelijk) opnieuw werd opgebouwd, blijkt heel duidelijk uit het jaartal 1555 dat in een zestiende-eeuws lettertype in een van de balken op de zolder is gekerfd. Later werd in dezelfde balk ook nog het jaartal 1745 gebeiteld.
De inscriptie wijst er ook op dat het huis gespaard bleef, toen Roermond 111 jaar later opnieuw werd getroffen door een stadsbrand. Anders had de inkerving uit 1555 het niet overleefd.

Restauratie

Het pand bestaat uit een geheel onderkelderd voorhuis met daarboven drie bouwlagen en een zadeldak met de nok haaks op de straat. Aansluitend aan dit voorhuis bevindt zich een niet onderkelderd achterhuis met daarboven twee bouwlagen en eveneens een zadeldak met nok haaks op de straat.

De kap van Marktstraat 8, tijdens de verbouwingswerkzaamheden in 2012.

Een oud en voornaam pand dus, dat in zijn huidige opzet voor groot gedeelte dateert van na 1554, maar waarvan sommige onderdelen uit de late middeleeuwen stammen. En nu is het fraai gerestaureerd. Opvallend is dat de oude winkelpui is gesloopt, en vervangen door een moderne pui met centrale entree. Die oude pui had echter geen monumentale waarde en werd pas aangebracht toen het huis in 1936 werd omgebouwd tot slagerij. Heel mooi is dat de kelder met zijn tongewelf is ingericht als winkelruimte. Deze kelder was oorspronkelijk alleen via de straat te bereiken. Later is er ook inpandig een keldertrap gemetseld. De oorspronkelijke keldertoegang is jaren verstopt geweest onder een ijzeren dekplaat, zoals we kunnen zien bij meer panden in de Roermondse binnenstad (bijvoorbeeld Brugstraat 7). De oude keldertoegang van Marktstraat 8 is sinds de verbouwing weer zichtbaar onder een glazen afdekking komen te liggen.

Eén punt is nog niet gerealiseerd, en dat is de openstelling van de naastliggende Gats, die naar de Roerkade loopt. De steeg was jarenlang volledig afgesloten en onzichtbaar achter een dichte houten poort. In 2012 is er aan de kant van de Marktstraat een deftige smeedijzeren poort in gemaakt. De doorgang tot aan de Roerkade is nog niet gerealiseerd omdat de verschillende eigenaren van het stukje grond niet met elkaar tot overeenstemming kunnen komen.

 

Literatuur:
• Linssen, J., Roermond rond 1400, in: Publications de la Société Historique et Archéologique dans le Limbourg 101 (1965) aldaar blz. 87.
• Dukers, B., Cultuurhistorische analyse Marktstraat 8 Roermond, januari 2012.

De omstreden verkoop van een beeldengroep in Boukoul

In 1956 werd een middeleeuws houten beeldje uit de Boukoulse St.-Theresiakerk verkocht aan het Rijksmuseum. Van de 25 duizend gulden die het kerkbestuur met de (omstreden) verkoop opstreek, liet men ramen maken door de Roermondse glazenier Max Weiss. Niet iedereen was in zijn sas met de move van het kerkbestuur.

Wat voorafging. In 1933 liep burgemeester Charles Strens van Swalmen, een kruiwagen voor zich uit duwend, over de bochtige weg tussen het wegkapelletje in de dorpskern en zijn woning Graeterhof. In de kruiwagen vervoerde de burgervader een niet alledaags voorwerp: een middeleeuws beeld, daterend uit omstreeks 1480 en van de hand van de bekende beeldsnijder Arnt van Kalkar.

Strens, die het kostbare kleinood de volgende drie jaar bij zich op Graeterhof zou houden, had het beeld niet zomaar meegenomen. In de kapel waar het houtsnijwerk zich al sinds halverwege de negentiende eeuw bevond, was eenvoudig geen plaats meer. Besloten was namelijk dat Boukoul verrijkt zou worden met een kerk, en in het kapelletje zou een offerblok worden geplaatst om geld bijeen te brengen voor de bouw daarvan. Tevens werd er een beeld geplaatst van de heilige Theresia, de naamgeefster van het nieuwe godshuis.

De kapel in Boukoul, waar de Bewening lange tijd stond

Hoe het houtsnijwerk dat Strens die dag in 1933 in een kruiwagen vervoerde, überhaupt in Boukoul belandde, is nog onopgehelderd. Omdat op het beeld, dat de bewening van Christus voorstelt, een kartuizer monnik is afgebeeld, wordt verondersteld dat het ooit zijn plaats had in de nabijgelegen Roermondse kartuis, die aan het eind van de achttiende eeuw werd opgeheven. Misschien is het daarna meegenomen door een monnik die in de buurt pastoor werd. Maar het is ook mogelijk dat het tijdens een fancy fair begin negentiende eeuw in Roermond is gekocht door de familie Obers, de stichters van de Boukoulse kapel.

Drie jaar stond de ‘bewening’ in de Graeterhof, tot de Theresiakerk in 1936 gereed kwam en het weer in het kapelletje teruggezet kon worden. De nieuwe kerk was ontworpen door de Roermondse architect Jos Franssen, met in het priesterkoor prachtige glas-in-loodramen van Joep Nicolas.

De kerk was echter geen lang leven beschoren. Op 28 februari 1945, één dag voor de bevrijding van Roermond, Swalmen en Maasniel, werd de toren opgeblazen door een Duits ‘Sprengkommando’. Die groep van (zo wordt gezegd) stomdronken Duitse soldaten blies diezelfde dag ook de toren van de kathedraal en de kerk in Maasniel op.

Verkoop van de bewening

 De St.-Theresiakerk werd al in 1946-47 hersteld, maar het ligt voor de hand dat de restauratiekosten een enorme last zijn geweest voor de kerkgemeenschap, die het in de na-oorlogse jaren tóch al niet breed had. Waarschijnlijk heeft geldnood uiteindelijk, in 1956, geleid tot verkoop van de “bewening” door het kerkbestuur aan het Rijksmuseum in Amsterdam.

Dat vormde het begin van een kleine affaire. Want had het kerkbestuur wel het recht om het beeldje te verkopen? Moest de bisschop daar niet in worden gekend? Hoe verhield zich de verkoop door het kerkbestuur met het kerkelijk recht? Trouwens, was de kerk überhaupt wel de rechtmatige eigenaar van het beeld? Of was het misschien eerder het collectieve eigendom van de Boukoulse parochianen?

Landelijke katholieke dagbladen als de Volkskrant en De Tijd berichtten over de verkoop van het beeldje, deskundigen als de Sittardse kunsthistoricus Zef Timmers bemoeiden zich ermee, en burgemeester Strens (een liberaal) probeerde de verkoop te verhinderen door een handtekeningenactie op poten te zetten.

Uiteindelijk gebeurde er echter helemaal niets, waarschijnlijk omdat een Midden-Limburgse poldervariant zijn werk deed én omdat iedereen zich pas druk begon te maken toen de feitelijke deal al rond was. Timmers besloot bij nader inzien er niet te veel energie in te steken. Het bisdom maakte zich er ook niet overdreven druk over, al vond de secretaris van de bisschop wel dat het kerkbestuur de parochianen eigenlijk zelf had moeten vragen wat ze van de verkoop vonden. Het Boukoulse kerkbestuur was voor geen gat te vangen, en meldde bij monde van rector Eugène Debie monter dat dit nog altijd wel kon gebeuren. “Dit (…) zal wel geen moeilijkheden opleveren,” vermoedde Debie.

Tenslotte liep de handtekeningenactie van de burgemeester uit op een fiasco. Meer dan vijftien handtekeningen zou hij (volgens Debie in een brief aan het bisdom) niet hebben opgehaald. Debie: “En dan moet u weten van wie en waarom.”

En zo wisselde het beeldje voor 25.000 gulden van eigenaar. Een groot deel van het geld werd ­gebruikt om het noodglas in de kerk te vervangen door nieuwe glazen. De man die de nieuwe ramen zou maken was een in 1910 geboren Duitser die in 1939 het atelier Nicolas in Roermond kocht: Max Weiss.

Raam van Max Weiss in de Theresiakerk van Boukoul.

Ramen

De ramen van de Theresiakerk zijn van de hand van twee kunstenaars. Joep Nicolas maakte de ramen in het priesterkoor, dat nog behoort tot het originele deel van de kerk: het gedeelte dat het opblazen van de kerktoren in februari 1945 overleefde.

Nicolas vertrok in 1939 uit Roermond en vestigde zich in Amerika. Het atelier verkocht hij aan zijn voormalige chef d’atelier Max Weiss. De ramen die Weiss voor de Boukoulse kerk maakte, zouden zijn gemaakt naar een ontwerp van Nicolas. Hoe dat te rijmen is met de slechte relatie die Nicolas en Weiss na de oorlog hadden, is niet direct duidelijk. Misschien was het oorspronkelijk de bedoeling dat Nicolas de gehele kerk zou beglazen, maakte hij er ook de ontwerpen voor, maar gooide de oorlog en Nicolas’ vertrek naar Amerika roet in het eten. Weiss zou dan bij de koop van het atelier in 1939 ook deze lopende (?) opdracht en de daarvoor reeds gemaakte ontwerpen hebben overgenomen.

 

Dit is de bewerkte versie van een artikel dat eerder werd gepubliceerd in Ruimtelijk, het kwartaalblad van de Stichting Ruimte in Roermond. Het verhaal van de beeldjesaffaire is gebaseerd op Frits Scholten, ‘Daar krijgen we ’n hoop gedonder mee, de affaire van de beeldengroep uit Boekoel,’ in: Bulletin van het rijksmuseum 4 (2006) 461-467.

 

De Noormannen in Asselt

In september 2017 verscheen een lijvig rapport van archeoloog dr. Leo Verhart, waarin deze het onderzoek dat dr. J.H. Holwerda in 1928 en 1929 uitvoerde naar een vermeend Noormannenkamp en Karolingische curtis in Asselt, tegen het licht hield. Verhart concludeerde dat de methodes die Holwerda hanteerde niet van deze tijd zijn en dat diens conclusies in het geheel niet kloppen. Holwerda vond helemaal niets dat het bestaan van een Noormannenkamp of een Karolingische curtis (het centrum van een agrarisch domein) in Asselt aantoonde. Hoe zit het nu met die Noormannen daar?

Uit de kroniek die Regino, de zevende abt van Prüm in het jaar 907 schreef:
Eveneens vestigden zich in hetzelfde jaar in de maand november twee koningen van de Noormannen, Godfried en Siegdried, met een niet te schatten menigte voetvolk en ruiters op een plaats die wordt genoemd Haslon aan de Maas.

Uit de Annalen van Fulda, in de versie van Meginhard:
… en met dezelfde instelling trokken ze [een groot leger van Franken, Alamannen, Norikers, Thüringers en Saksen, onder aanvoering van keizer Karel de Dikke] op vol verlangen om te vechten tegen de Noormannen. Toen ze daar waren aangekomen, belegerden ze hun versterking, welke Ascloha wordt genoemd.

Wat we in de kronieken kunnen lezen, is dat een grote Noormannenmacht in 881 neerstreek in een Frankische curtis, Ascloha genaamd  (ook: Ascloa, Haslon of Ahslon) en vanuit dat kamp kloosters en steden langs de Maas en Rijn plunderden en vernielden: Maastricht, Cornelimünster, Prüm, Aken, Trier, Keulen en Bonn waren onder de plaatsen die worden genoemd. Keizer Karel III de Dikke trok vervolgens met een legermacht die was samengesteld uit krijgers van diverse nationaliteiten op naar die plaats om de Noormannen daar te bestrijden. In plaats van het op een beslissende veldslag te laten aankomen (en de zege was volgens de kroniekschrijvers onvermijdelijk), knoopte de keizer echter onderhandelingen aan met de koningen Siegfried en Godfried, kocht hij de ene om met een zilverschat en beleende hij de andere met een paar graafschappen.

Dat Ascloha een Frankische curtis was staat vast want twee decennia eerder, in 860, vaardigde Lotharius vanuit die plaats een oorkonde uit. De vraag wáár Ascloha lag, is echter al decennia een onderwerp van debat.

In 1924 publiceerde de Roermondse landmeter A.F. van Beurden een artikel over ‘Hillenrade, Swalmen en Asselt’ in het jaarboek van het Provinciaal Genootschap Limburg, destijds zo’n beetje de Roermondse tegenhanger van het Maastrichtse Limburgs Geschied- en Oudheidkundig Genootschap. Het stuk was typisch voor de journalistieke stijl van Van Beurden, die zijn verhalen graag goot in de vorm van een wandeling waarbij hij zijn lezers als het ware bij de hand nam en vervolgens niet alleen strooide met historische gegevens, maar ook vertelde over het landschap, over opvliegende vogels, en het werk dat de boeren op het land verrichtten.

Bij Asselt aangekomen maakte hij melding van het “door een muur omgord plateform” waarop de kerk is gebouwd, maar schreef hij ook dat  onder het oppervlak verborgen de fundamenten zaten van “een bemuurd vierkant, overeenkomende met de huidige bemuring, maar met vier torens van vier meter middellijn op de hoeken.”
Van Beurden had deze funderingen waargenomen toen in 1916 de ringmuur waar hij over schrijft, en die de kerkberg  beschermde tegen de “woelende wateren der Maas” moest worden hersteld. De landmeter liet uiteraard niet na om van de situatie ook een tekening te maken, waarop hij de hoektorens intekende.

Een dergelijke vondst bij het duizend jaar oude kerkje, dat is opgebouwd uit veldstenen waartussen ook Romeinse dakpannen en restanten van een Romeins hypocaustum (verwarmingssysteem) zijn aangebracht, zou normaal tot enige historische beroering hebben geleid. Maar nu niet. Volgens Van Beurden was de gebrekkige belangstelling te wijten aan de rector van de Asseltse kerk, J.H. Pinckers (1876-1945), die bang zou zijn geweest dat verder onderzoek zou leiden tot uitstel van de renovatiewerken die toen aan de gang waren, en daarom de uitgegraven fundamenten weer snel liet toedekken.

De veronderstelling van Van Beurden, dat Pinckers voorrang gaf aan het restauratieproject en daarom de hele zaak snel dichtgooide, lijkt onwaarschijnlijk. De rector en latere pastoor was juist een enorme promotor van de geschiedenis van Asselt die destijds al was begonnen met het aanleggen van een verzameling historische objecten, maar die zich ook interesseerde voor volksgebruiken. Zijn verzamelwoede culmineerde in 1927 in de opening van het Folkloristisch en Oudheidkundig Museum, waar Pinckers zijn steeds verder uitdijende collectie tentoon kon stellen en dat werd gevestigd in het voormalige bakhuis van de naastgelegen boerderij Asselterhof.


De vraag is eerder of de fantasie niet een beetje aan de haal is gegaan met Van Beurden. Een ander die de herstelwerkzaamheden in 1916 met bijzondere interesse volgde, was de latere Rijksarchivaris  J. Goossens, overigens een neef van Pinckers. In 1918 schreef Goossens in de Maasgouw, het contactblad van de LGOG, over Asselt “dat men bij het graafwerk voor de fundeeringen van het nieuwe koor, links en rechts daarvan, oud metselwerk gevonden heeft, dat diep in den bodem zat en door zijn ronden vorm aan de grondslagen van hoektorens deed denken. Het Romeinsch karakter er van kon evenwel niet met zekerheid vastgesteld worden.” (J. Goossens, Romeinsche vondsten in Limburg in 1917, in: De Maasgouw febr. 1918, no. 2, blz. 11) De rondelen die Van Beurden aan de westkant van de muur tekende, werden door Goossens niet vermeld.

Holwerda

Meer dan tien jaar later verscheen een nieuwe figuur op het toneel in de persoon van dr. J.H. Holwerda, directeur van het Rijksmuseum van Oudheden in Leiden en in die tijd absoluut de grootste autoriteit op archeologisch gebied. Holwerda stond al enige tijd in contact met Van Beurden maar ook met Pinckers, die ervan overtuigd was dat er in de omgeving van het eeuwenoude kerkje veel meer kon worden gevonden, als er maar deugdelijk archeologisch onderzoek zou plaatsvinden. En wie anders dan Holwerda zou dit onderzoek moeten verrichten? Holwerda hield de boot lange tijd af maar toen Pinckers in het voorjaar van 1928 bij graafwerk achter het museum stootte op onder andere graven en funderingen, hapte hij toe. Nog in de zomer van 1928 en in 1929 voerde hij opgravingen uit rond het kerkje en achter het museum.

Holwerda hapte niet zomaar. Hij was al langer op zoek naar het Noormannenkamp Ascloa, dat hij in eerste instantie zocht in Elsloo. De opgravingen die hij daar verrichtte, bleven echter zonder succes. Daarnaast deed hij ook onderzoek in Dorestad (Wijk bij Duurstede) waar hij eveneens een Karolingische koningshof vermoedde en die hij later ook meende te hebben ontdekt.

Gravure van de Brittenburg

Hoe zo’n Karolingische curtis er precies uitzag en waar hij dus naar moest zoeken was niet helemaal duidelijk, maar in 1923 werd hij geattendeerd op een schilderij van de zogenaamde Brittenburg, een tegenwoordig verdwenen Romeinse ruïne bij Katwijk aan Zee. Op dat schilderij, dat Holwerda in 1926 verwierf voor zijn museum, is de Brittenburg afgebeeld als een plattegrond met halfronde torens. Voor Holwerda was het aanleiding om zich verder te oriënteren op vroeg-middeleeuwse vestingen, waarna hij uiteindelijk concludeerde dat de Brittenburg geen Romeins bouwwerk was, maar een Karolingische curtis die was opgebouwd met ouder Romeins materiaal. Voor Holwerda was het duidelijk: zó zag een Karolingische curtis er dus uit.

Ongetwijfeld kreeg voor Holwerda ook de tekening die Van Beurden in 1924 publiceerde daarmee een grotere betekenis en toen Pinckers hem in 1928 schreef dat hij bij de verbouwing van zijn museum op funderingen en graven was gestoten, trok hij snel daarna naar Asselt om er te graven. Dat wil zeggen: om de boeren uit de omgeving te laten graven, want daar begon Holwerda niet zelf aan. Verhart: “Er is niet een foto bekend van Holwerda met een schep in zijn hand.”

Niet open minded

Voor Holwerda moet het zijn geweest alsof een aantal puzzelstukjes plotseling op hun plaats vielen: de tekening van Van Beurden, het schilderij van de Brittenburg, de naamkundige verwantschap tussen Ascloha en Asselt. Juist dat lijkt zijn valkuil te zijn geweest: Holwerda begon niet onbevangen en ‘open minded’ aan de opgravingen. Hij wist bij wijze van spreke al wat hij in Asselt zou aantreffen, namelijk een Karolingische curtis die in verband gebracht kon worden met het Noormannenkamp Ascloha. Verhart toont in zijn rapport aan waar Holwerda in de fout ging. Dat begon al bij het sleuvenonderzoek, waarbij lange greppels en putten werden gegraven en waarbij verkleuring van de aarde vervolgens aanwijzingen konden geven, en er zo nu en dan natuurlijk ook tastbare zaken als scherven naar boven kwamen. Het is een methode die zeker zijn verdiensten had maar die niet veel zekerheden oplevert omdat de putten en sleuven vaak te ver uiteen liggen om er goede conclusies uit te kunnen trekken.

In Dorestad had Holwerda op de locatie De Heul dezelfde methode toegepast en ook daar meende hij een Karolingische curtis gevonden te hebben. Maar net als in Asselt verbond hij in Dorestad té gemakkelijk een grondspoor uit de ene sleuf met een spoor uit een andere sleuf. Toen later nieuw onderzoek plaatsvond op de plaats waar Holwerda meende de curtis van Dorestad te hebben gevonden, werd aangetoond dat hij waarschijnlijk was gestoten op de overblijfselen van een houten kerkje, met wat begravingen eromheen, maar zeker niet op een curtis.

Holwerda en zijn vrouw poseren voor een auto.

Net als in Dorestad leidden de opgravingen in Asselt tot vondsten van funderingen, keienbedden, scherven en bouwfragmenten, en kon Holwerda de verleiding niet weerstaan om ze allemaal in verband te brengen met een Karolingische curtis, waarvan hij vóór de opgravingen al had laten weten dat hij hoopte dat hij hem zou vinden. Een aantal merkwaardige en onverklaarbare zaken, die eigenlijk niet zo goed in het verhaal pasten, nam hij daarbij voor lief. Bijvoorbeeld dat de keienbedden die hij aantrof in het oosten van het opgravingsgebied aanmerkelijk hoger lagen dan die in het westen, wat zou hebben betekend dat de curtis op een hellend vlak zou hebben gelegen. Zeer onwaarschijnlijk voor een verdedigingswerk.

Nog zo’n onwaarschijnlijkheid: Holwerda trof een gracht aan die rondom de curtis zou zijn aangelegd, evenals sporen van een omwalling. Dat zou mooi passen in het beeld van een curtis, alleen zou de gracht die Holwerda vond dan aan de binnenzijde van het curtisterrein gelegen moeten hebben, en de omwalling daarbuiten. Dat is bijzonder merkwaardig: bij alle verdedigingswerken ligt die gracht juist aan de buitenzijde met daarachter een omwalling.

Leo Verhart besluit zijn rapport met de conclusie dat bij het Rozenkerkje, de locatie waar Holwerda zocht, “geen Karolingische curtis met voorhof, noch een Noormannenkamp heeft gelegen.” Holwerda legde veel te gemakkelijk verbindingen zonder deze goed te onderbouwen.

Overigens is Verhart niet de eerste die ernstig twijfelde aan Holwerda’s onderzoeksresultaten. In 1973 schreef oud-pastoor dr. A. van Rijswijck van Asselt over Holwerda: “Helaas: deze verdienstelijke man bezat de eigenaardigheid om altijd in de grond aan te treffen, wat hij er tevoren al in aanwezig had vermoed (…) Hij neemt de mening van Van Beurden omtrent de bastions over en fantaseert er een gracht, een wal, een muur van palissaden bij.”
In 1996 kwamen J. Venner en J. Verlinden tot eenzelfde conclusie, toen kort daarvoor duidelijk was geworden dat Holwerda in Dorestad in de fout was gegaan. “Nu aangetoond is dat in De Heul geen curtis gelegen was, is elke gedachte over het uiterlijk van de curtis daar zonder waarde. Daarmee is ook het fundament weggeslagen onder de gedachten van Holwerda met betrekking tot de curtis in Asselt en de vorm daarvan. Holwerda trok namelijk zeer nadrukkelijk parallellen tussen de vindplaatsen in Dorestad en Asselt.”

 

Asselt heeft de beste papieren

Leo Verhart toonde aan dat het onderzoek van Holwerda zo lek als een mandje was. De curtis Ascloha lag niet op de plaats waar Holwerda hem vermoedde, namelijk in de directe omgeving van de kerk. Maar dat sluit andere locaties in de buurt niet uit, want Asselt blijft ondanks deze bevindingen toch de meest waarschijnlijke kandidaat voor de curtis Ascloha.

Lang is Ascloha geïdentificeerd met Elsloo, maar dat is eigenlijk alleen gebeurd omdat Bollandus de naam Ascloha in de zeventiende eeuw abusievelijk vertaalde als Elsloo, een fout die vervolgens eeuwenlang kritiekloos is overgenomen. Tegen Elsloo en voor Asselt pleiten nog andere zaken. Allereerst wordt Ascloha in de oude bronnen uit de negende en tiende eeuw steeds genoemd in samenhang met plaatsnamen rond Roermond, het is dus waarschijnlijk dat het dichtbij Roermond lag.

Ook naamkundige gegevens pleiten voor Asselt. Het eerste deel van de naam Ascloha is een verwijzing naar essen (de bomen), het tweede (loa) naar bos (vergelijk het woord: loo). Bij Elsloo wordt verwezen naar een elzenbos. De letter ‘h’ die soms wordt toegevoegd (Ahslon, Haslon, Ascloha) heeft volgens de naamkundigen geen betekenis, zodat het eerste deel van de naam altijd ‘es’ en het tweede deel altijd ‘loo’ is. Elsloo kan echter nooit ‘Esloo’ worden, volgens de naamkundigen omdat de L in Elsloo onverbrekelijk verbonden is met het eerste deel van de naam.

Grafmonumenten: het leeft niet

In het Noord-Franse Marville (Meuse) zijn tientallen grafstenen uit de zestiende en zeventiende eeuw gered voor invloeden van het weer en opgeslagen in de oude kerk op het Cimétière St. Hillaire.

Over grafplaten met hun uitgehouwen teksten, symbolen en versierselen mocht je in de Middeleeuwen gerust lopen. Vaak was het ook onvermijdelijk, zo veel zerken lagen er in de kerkvloeren. De teksten werden daardoor weliswaar langzaam steeds vager en op den duur vaak onleesbaar, van de andere kant symboliseerde dit de vergankelijkheid van alles: zelfs harde steen valt op den duur weer uiteen tot stof.

Vanuit het standpunt dat erfgoed beschermd moet worden, wordt daar tegenwoordig iets anders over gedacht. Ook al zijn de grafplaten gemaakt van hardsteen, als we er met zijn allen maar overheen blijven lopen, is er straks niets meer van over. En toch gebeurt dat, terwijl er daarnaast ook nog altijd stokoude grafzerken verdwijnen van de kerkhoven.
Het is een zorg die niet nieuw is. Al in 1907 werd er door het Limburgs Geschied- en Oudheidkundig Genootschap (LGOG) gewezen op het belang van de grafstenen en aangedrongen op een inventarisatie. Het genootschap wees er op dat grafstenen niet alleen cultuurhistorische waarde hadden, maar ook behoudenswaardig waren vanwege de genealogische of heraldische informatie die de inscripties soms boden.
De oproep kwam op een moment dat het aantal grafmonumenten in sneltreinvaart afnam. Onachtzaamheid, ondeskundigheid en vooral desinteresse waren er de oorzaak van. Soms werden oude kerkvloeren overtegeld, in andere gevallen werden grafstenen uitgebroken en door kerkmeesters voor een habbekrats verkocht aan aannemers die ze vervolgens voor de meest uiteenlopende doeleinden gebruikten.
Ook Roermond blies in dat opzicht een aardig deuntje mee. Toen de amateurhistoricus Van Beurden in 1915 een artikel schreef over families die het hier in de 18de en 19de eeuw voor het zeggen hadden, wees hij zijn lezers erop dat ze eigenlijk eens langs de oevers van de Maas moesten wandelen, want daar lagen de grafstenen van de mensen waarover hij schreef. Ze waren er neergelegd om de oevers te verstevigen. Daarnaast was er ook nog een onbekend aantal zerken in het Groot Hellegat gedumpt.
Ook in de dorpen in de streek kwamen zulke praktijken voor. In Thorn en in Ittervoort verdwenen oude grafstenen in de beek. In Grathem en ook in Thorn werden zerken uit de zestiende eeuw nieuw bestemd als onderdeel van het trottoir. In Grathem werd een oude altaarsteen herbestemd als drempel naar het kerkhof. In Heel kreeg het recyclen een creatievere invulling: daar werd een zware zerk van Naamse steen waarop het wapen van Ghoor prijkte, kapot gehakt en nieuw vormgegeven tot grafkruis.

 

Grafsteen van ridder Conraed van Gaure in Elsloo. Op de achtergrond het in Maaslandse stijl opgetrokken ‘Schippershuis’

Achteruitgang

Het algemene beeld is dat het aantal oude grafmonumenten fors achteruit is gegaan. De aandacht die erfgoedorganisaties als het LGOG hier sinds 1907 aan besteedden, had misschien wel een beetje effect, maar niet heel veel. Heel duidelijk bleek dat toen in 1961 eindelijk een inventarisatie van Limburgse grafzerken werd gepubliceerd door Jan Belonje: tal van grafstenen die nog waren beschreven in oudere publicaties waren toen al niet meer terug te vinden.
Ongetwijfeld was dat voor een gedeelte toe te schrijven aan de oorlog en aan de opruimwoede in de wederopbouwperiode, toen tal van oude zerken bij het grof vuil werden gezet. Maar de oorlog is niet de enige verklaring. Zo werden in Belonjes inventarisatie van 1961 bijvoorbeeld nog 36 monumenten genoemd in de dorpen van de Roerstreek. Maar toen de Heemkundevereniging Roerstreek (HVR) twintig jaar later de stand van zaken opnieuw onder de loep nam, bleken er van die 36 alweer acht verdwenen.
Het onderzoekje in de Roerstreek werd destijds verricht door Ton Wolswijk uit Vlodrop. Hij heeft het grafstenenbestand in de Roerstreek daarna niet meer geïnventariseerd, maar is nog steeds zeer betrokken, onder andere bij het opknappen van het oude kerkhof in zijn woonplaats. Wolswijk weet wel zeker dat de achteruitgang niet te stuiten is.
“Ik zie het gewoon gebeuren. Laatst zag ik weer zo’n oude zerk liggen tegen een kerkhofmuurtje. Het wordt beschouwd als vuilnis. De gedachte er achter is natuurlijk dat oude graven niets meer opleveren, er worden geen grafrechten meer voor betaald. Maar het is ook een gebrek aan belangstelling en historische kennis, bij zowel gemeente Roerdalen als de kerkbesturen. Het interesseert ze allemaal geen moer. Grafmonumentjes zijn gewoon niet sexy genoeg.”
Het verhaal van Wolswijk wordt onderschreven door Peter Nouwen van de Monumentenwacht in Thorn. “Als er nieuwe graven kunnen worden verkocht, dan kiezen sommige kerkbesturen voor het geld. En ja, soms ook als daarvoor een zerk uit de zeventiende eeuw moet wijken.”
Jammer en onnodig, zegt Nouwen. Hij wijst op de mogelijkheid om een oude zerk te adopteren. Als er een nieuw graf moet worden gedolven, dan zou dat ook onder een oude monumentale steen kunnen. Daar zou dan een kleiner steentje bij geplaatst kunnen worden met de naam van degene die er recenter is begraven.
Nouwen: “Sommige mensen stellen het op prijs in zo’n monumentale omgeving begraven te worden, maar dan moet je die monumentale omgeving wel in stand houden.”

Pilotproject

De situatie waar Nouwen en Wolswijk op wijzen, heeft niet zozeer betrekking op de oude zerken die nu nog in de vloer van de kerkgebouwen liggen, maar vooral op de oude kerkhoven. En dan niet de Aaje Kirkhaof van Roermond, waar juist grote zorg aan wordt besteed, waar de grafmonumenten worden hersteld en die voor heel Limburg een voorbeeldfunctie heeft. Nouwen: “De Aaje Kirkhaof was een soort pilotproject dat liet zien hoe het óók kan. Maar in Limburg is dat maar door zes of zeven andere begraafplaatsen opgepakt. En we hebben ongeveer 350.”
De praktijk om oude zerken uit de kerkvloer te breken en vervolgens te dumpen of op een onorthodoxe manier te hergebruiken, komt nauwelijks meer voor. Dat is in elk geval één pluspuntje.
Toch is ook in de oude Roermondse kerken het aantal zerken achteruit gegaan. Jac Wijnands schreef in zijn jubileumboek over de kathedraal dat er vroeger “ruim 80 grafstenen” lagen. Tegenwoordig stopt de teller al bij even over de 40.
Van de 22 gedocumenteerde graven in de Munsterkerk, trof Belonje er in 1961 nog 17 aan (inclusief het praalgraf), al gaan er mogelijk nog grafstenen schuil onder de op plankieren geplaatste banken. Het oude kerkhof aan de noordzijde van de kerk is natuurlijk allang verdwenen, evenals de graven in de voormalige kloostergebouwen.
In de Minderbroederskerk zijn 26 grafstenen gedocumenteerd, van Roermondse burgers maar ook de grafkelder van (waarschijnlijk) Margareta van Wittem (+1626), de eerste echtgenote van graaf Hendrik van den Bergh, de roemruchte stadhouder van Spaans Gelre.
Nog steeds duiken er soms fragmenten op van grafmonumenten die zich ooit bevonden in afgebroken kerken of op de kerkhoven. In een tuin aan de H.Geeststraat werd een aantal jaren geleden een steen aangetroffen met gotische letters, waarschijnlijk een deel van een grafzerk die later werd hergebruikt als dorpel of deur- of raamomlijsting. Bij de sloop van een pand in dezelfde straat, werd in 1957 een tegel aangetroffen die waarschijnlijk afkomstig was uit de voormalige H.Geestkerk.

Grafkunst

Grafsteen in Geijsteren

Doorgaans worden grafmonumenten pas echt interessant gevonden, als er niet alleen een tekst en familiewapens op zijn aangebracht, maar ook een afbeelding van de overledene, of een Bijbels tafereel.
Helaas is daar in de streek rond Roermond niet veel van overgebleven. De stad zelf mag zich gelukkig prijzen met het praalgraf van de Gelderse graaf Gerard IV en zijn gemalin Margaretha van Brabant (gedateerd op ongeveer 1240), dat behoort tot de topstukken van de grafkunst, en in Nederland een bijzondere positie inneemt. (Kijk HIER voor meer info) Liggende grafbeelden (gisants) zoals die in de Munsterkerk komen wel meer voor, maar zijn allemaal van latere datum. Fraaie exemplaren treffen we aan op het praalgraf in de kerk van Heinsberg (kijk HIER voor meer info) en de abtszerken in de abdijkerk Roldoc (Kerkrade). Het bekendste monument daar is van hertog Walram II van Limburg. De hertog overleed in 1226, drie jaar voor de ‘Roermondse’ graaf Gerard, maar het oorspronkelijke grafmonument, waarschijnlijk een zogenoemde ‘tafeltombe’ is er niet meer. Het grafmonument dat er nu is te zien, dateert van 1715.
Een andere categorie grafmonumenten zijn de stenen waarop de overledene wel is afgebeeld, maar niet geheel vrijstaand zoals bij de gisants het geval is. De grafsteen van Matthijs van Maroyen en zijn echtgenote Judith Bartelmans in de kathedraal is daarvan een sprekend voorbeeld. (Kijk HIER voor meer info)
Renaissancestenen zoals die in de Roermondse kathedraal, waarin de steenhouwers meer reliëf hebben aangebracht vormden ook een grotere artistieke uitdaging dan zerken met alleen een grafschrift en een wapen. In de streek rondom Roermond zijn er bij mijn weten geen bewaard gebleven. Iets verder weg wel. In Lövenich (Erkelenz) bevindt zich in de Pauluskerk de grafsteen van ridder Arnold von Harff (overleden in 1505). Hij was ridder in dienst van de hertogen van Jülich-Berg, heer van Nierhoven en ‘Kämmerer’ (schatmeester) van Gelder. Von Harff is vooral bekend van de reisverslagen van zijn pelgrimstochten naar onder andere Santiago, Rome, en Jerusalem.
Aan de Nederlandse kant van de grens kennen we de zerk voor ridder Conraed van Gaure (+1570) in de muur van de kerkhofkapel in Elsloo, de bijzonder fraaie steen voor Johan van Wittenhorst (+1569) en zijn gemalin in de kerk van Horst en de grafsteen voor Jacob van Eijll (+?) en Elisabeth Groesbeek (+1574) die na de oorlog is ingemetseld in een muur van de St.-Willibrorduskerk in Geijsteren. Op de laatste is een vers te lezen:
“Al ben ick jonck, rice, sterck vnd welgemoet,
noch tant moet ich rvsten op die doet.”

Lang niet alle afbeeldingen van de overledenen op grafmonumenten werden zo in reliëf weergegeven als op deze zerken. De oudere zerken met voorstellingen zijn een stuk eenvoudiger: vlakke stenen waarop een voorstelling werd ingekrast: een soort lijntekening in een grafsteen. Ook dit soort grafmonumenten zijn in Roermond en de directe omgeving niet bewaard, we zullen ervoor naar Maastricht moeten waar de zerk voor Wolter van Cortenberg (+1294) in de Nieuwenhofkapel geldt als een van de oudste en fraaiste voorbeelden in Nederland. Iets dichter bij huis, maar over de grens, is in de toren van de Annakerk van Aldeneik de grafzerk van Goswijn de Insula (+1445) ingemetseld, de oudst bekende pastoor van Kessenich die gelet op zijn naam (de insula) mogelijk uit Stevensweert of Visserweert afkomstig was.
De overledenen werden er niet op afgebeeld zoals ze er werkelijk uitzagen, het zijn allemaal onpersoonlijke, stereotype portretten. De steen in Aldeneik geldt zelfs als een voorbeeld van serieproductie waarbij de menselijke vorm volgens een vast stramien werd aangebracht en voor een volgende steen alleen enkele details, met name de tekst, werden veranderd. In het Luikse zijn meerdere zerken gevonden die vrijwel identiek aan de zerk in Aldeneik zijn.
De zeldzaamste categorie grafmonumenten is gemaakt van koper. Ooit kwamen ze veel voor, maar de meeste werden uiteindelijk omgesmolten. Niet zo heel ver van Roermond is echter nog een oud en fraai exemplaar te zien in de St.-Maartenskerk van het Duitse stadje Linnich, vanuit Roermond 35 kilometer stroomopwaarts aan de Roer. Het is de grafplaat van Werner van Pallant (+1474). Het voordeel van een koperen grafplaat was dat er fijnere afbeeldingen op konden worden gemaakt, zoals mooi te zien is op de fraai bewerkte plaat in Linnich. (Kijk HIER voor meer info over deze plaat).

Grafkruisen

Kruisbeeld met beroepsteken in Elmpt

De eenvoudigste grafmonumenten zijn de stenen grafkruisen. Ook die waren lang niet voor iedereen weggelegd. Hardsteen was in onze streek een duur importproduct, waar de kosten van de steenhouwer nog bovenop kwamen. Bovendien had een kruis met ingebeitelde memorietekst, alleen betekenis voor degenen die wisten wat er op stond: Je moest ervoor kunnen lezen en dat was tot in de 16de eeuw lang niet iedereen gegeven. Mede daarom bleef een anoniem graf voor de grote massa nog tot het einde van de achttiende eeuw heel gewoon.
De oudste kruisen dateren uit de 16de eeuw, toen ook de geletterdheid sterk toenam. Kruisen van vóór 1500 zijn zeldzaam. Eén zo’n kruis uit de 15de eeuw zou hebben gestaan in het Duitse dorp Boslar (gemeente Linnich), maar heb ik niet meer teruggevonden.
Dichter bij huis en eveneens oud is het kruis voor Jan Ruesen (+1558) op het kerkhofje van Asselt, een zogenoemd ‘zadelkruis’, vanwege zijn spits toelopende ‘dak’. Het beeld in Asselt is niet alleen interessant omdat het zo oud is maar ook vanwege wat er op het kruis staat, of beter: wat er níet op staat. Gebruikelijk is immers om op grafmonumenten te voorzien van teksten als “hier ligt begraven”, “bid voor hem” of “rust in vrede”. Op het grafschrift van het Ruesen-kruis ontbreekt echter elke verwijzing naar de godsdienst, en staat alleen de overledene centraal. Alleen zijn naam hoeft onthouden te worden. Op hetzelfde kerkhof zijn nóg twee oude grafkruisen behouden, uit 1615 en 1616.
Bijna net zo oud als dat van Jan Ruesen is het kruis dat in 1588 in Elmpt werd gemaakt voor Pouls Kremers. In dat dorp telde kapelaan Heinrich Hillers in 1942 trouwens nog 21 oude stenen kruisbeelden op het ‘oude’ kerkhof rond de Laurentiuskerk. Dat zijn er nu al acht minder.
Een aantal oude kruisbeelden staat tegenwoordig weer direct om de Elmpter kerk, maar het interessantste staat op het ‘nieuwe’ kerkhof, aan de rand van het dorp. Het is het uit 1599 daterende kruis voor Lutter des Bartheine Sohn. Het is met name bijzonder omdat onder het grafschrift een beroepsteken is aangebracht, waarschijnlijk dat van een (textiel)verver.

Ook al waren het ‘maar’ eenvoudige grafkruisen, vaak waren het toch notabelen in de kleinere dorpen waar ze voor werden opgericht. Jan Ruesen was schepen in Swalmen, de oude kruisen in Elmpt behoorden eveneens aan mensen uit de plaatselijke elite. Een beroepsteken als dat op het kruis in Elmpt moet worden beschouwd als een uiting van zelfbewustzijn onder de burgerij.
Héél soms zeggen de grafkruisen ook iets van de ‘gewone’ mensen. Bijvoorbeeld een inscriptie op een steen van het kerkhof in Heythuysen voor ‘Wilm Kessels Die onnoosel starff Ao J6Z9 Den 1 juni’
“Jammer dat het steeds minder wordt,” zegt Ton Wolswijk. “Wij als vrijwilligers hebben het er wel eens over hoe we de interesse zouden kunnen opwekken, maar het is gewoon heel moeilijk met die grafmonumenten. Het leeft gewoon niet.”

De tunnelbeelden: “streng, eenvoudig en statisch”

De replica’s van de beelden bovenop de Stationstunnel. Foto: RCE Amersfoort

De beelden voor de Stationstunnel in Roermond behoren tot de bekendste van kunstenaar Joep Thissen (1919-2010). De beelden die er nu staan, zijn echter replica’s die trouwens in slechte staat zijn. Met de plannen om het Stationsgebied te hervormen, klinkt ook de roep om de originele beelden weer terug te plaatsen.

‘Spierkracht en Denkkracht’ heten de twee levensgrote beelden, die werden geplaatst in 1954. Denkkracht wordt verbeeld door een man met in de ene hand een rol papieren en in de andere hand een tandwiel. Links naast hem staat een stoere arbeider, de kin uitdagend omhoog, ontbloot bovenlijf, met een mijnlamp en een houweel. Spierkracht!
De beelden drukken het elan uit dat zo kenmerkend was voor de jaren na de oorlog. De stad herrees uit het puin, overal werd gebouwd om te kunnen voldoen aan de sterk toegenomen vraag naar woningen, werk was er in overvloed, en na de oorlog kon de toekomst alleen maar zonnig zijn.
Voor Roermond lonkte met name het perspectief dat in Herkenbosch weldra de Beatrixmijn geopend zou worden. In die situatie was een tunnel onder het spoor geen overbodige luxe. De bevolking van Roermond was eeuwenlang klein genoeg geweest om binnen de singels te kunnen wonen, maar nu barstte de stad uit zijn voegen. Vanuit het oosten kon het spoor alleen worden overgestoken bij het Slachthuis en een stuk verderop bij de Veeladingstraat. Met het oog op de uitbreidingsplannen was dat een volstrekt ontoereikende situatie.
Niemand minder dan de beroemde architect Sybold van Ravesteijn, die in Roermond ook al de watertoren naast het station had gebouwd, kreeg opdracht voor de aanleg van een tunnel. Roermondenaar Joep Thissen kreeg de opdracht om deze te verfraaien met beelden.

Elementaire vormen

Voor Thissen waren de jaren 50 een decennium waarin hij zich enorm profileerde. Zijn vroegere werk was realistisch en natuurgetrouw, maar in deze periode begon hij zich steeds meer te concentreren op de weergave van de meest elementaire vormen. Dat was al te zien in het werk dat hij verrichtte voor de Beeselse keramische ateliers Sint Joris en Loré, maar ook in zijn beelden.
Als beeldhouwer is Thissen waarschijnlijk het bekendst geworden. Het kon ook bijna niet anders. Zijn grootvader was de beeldhouwer Joseph Thissen, voormalig ‘professor’ aan de Tekenschool en oprichter van een ‘Atelier voor kerkelijke kunst’ dat was gevestigd in de Neerstraat. Van zijn hand was het Christoffelbeeld dat in 1895 op de torenspits van de kathedraal werd geplaatst, maar tijdens een enorme storm in 1921 omlaag donderde. Na het overlijden van Joseph (1920) werd het atelier in de Neerstraat voortgezet door zijn zonen Sjef (overleden in 1934) en Christof (overleden in 1956). Joep was een zoon van Sjef.
In 1951 had Joep Thissen voor de Sint Franciscusput aan de Godsweerdersingel al een beeld gemaakt, maar de opdracht voor de tunnel was van een andere orde. Niet alleen gezien de omvang, maar ook vanwege het prestige dat eraan verbonden was. Zowel aan de oost- als aan de westkant van de tunnel waren beelden voorzien.

Het originele beeld van de graaf staat nu in het Stadspark aan de Voogdijstraat

Spierkracht en Denkkracht kwamen aan de oostkant. Natuurlijk! Want daar lag de toekomst, weg van de oude stad en het verleden. Voor de westkant van de tunnel, die naar de historische binnenstad is gericht, maakte Thissen beelden van historische figuren: een beeld van de graaf van Gelder en een beeld van zijn gemalin. Centraal in het midden kwam een beeld van de stadspatroon, Sint Christoffel.

Op 31 juli 1954, een week voor de officiële opening van de tunnel, verscheen in de Maas- en Roerbode al een artikel over de beelden, geschreven door kunstredacteur Jules Kockelkoren. Die was lyrisch. “De vier beelden zijn streng, eenvoudig en statisch gehouden, geheel gedacht tegen de massieve betonwand als achtergrond. Maar juist dit strakke gesloten houden der beelden in duidelijke, krachtige vormen (…) bereikt de monumentaliteit die deze opdracht vergde.” Nota bene: de beelden van Denkkracht en Spierkracht stonden oorspronkelijk niet bovenop de tunnel, zoals nu, maar er tegenaan, zoals aan de westkant nog het geval is met de graaf van Gelder.

Kritiek

De beelden, met hun hoekige vormen, zijn typisch voor het werk van Thissen. Juist dat stijlkenmerk leverde hem echter ook kritiek op. Geheel in lijn met zijn streven om zich te beperken tot elementaire vormen, had Thissen op het Christoffelbeeld de handen en voeten van het kind Jezus weergegeven zonder vingers. Dat kon écht niet door de beugel bij sommige vertegenwoordigers van de katholieke kerk. Er moesten vingers en tenen komen.

Dezelfde hoekigheid kenmerkt ook zijn beroemdste beeld, waarvoor hij in navolging van zijn grootvader de opdracht kreeg: de Christoffel die in 1957 op de top van de kathedraaltoren werd geplaatst. Thissen maakte het ontwerp, dat door koperslager Claessen werd uitgevoerd. Toen ook dat werk hem op kritiek van de kerk kwam te staan, was Thissen daar zo verbolgen over dat hij zich in het openbaar distantieerde van de uiteindelijke vorm: “Het is mijn beeld niet meer.”

Waar is de gravin?

Met uitzondering van het Christoffelbeeld aan de westkant van de tunnel, zijn alle originele beelden verplaatst of weggehaald. Nu er plannen zijn om het hele Stationsgebied op te knappen, klinkt ook de roep om terugplaatsing van de originele beelden. Liefst op de plaats waar die zich vroeger bevonden, dus niet óp maar tegen de tunnel.
Alleen, waar zijn ze gebleven? Lange tijd was alleen bekend welke plaats de graaf van Gelder had gekregen: tegen een muur in het stadspark aan de Voogdijstraat. Aan dat beeld is trouwens ook mooi het kwaliteitsverschil te zien tussen het origineel van euville marbrier (een grofkorrelige soort kalksteen) en de replica’s van namaakbeton die ervoor in de plaats werden gezet.

Denkkracht, in een kist op de gemeentewerf. Foto: Dennis Janssen

Waar Spierkracht en Denkkracht zich bevonden was voor menigeen onbekend. Pas in 2015 werd een van de originele beelden (Denkkracht) teruggevonden door de Stichting Ruimte, opgeslagen in een kist op de gemeentewerf. Slechts één van de twee op elkaar liggende kisten kon worden geopend, het vermoeden is dat het andere beeld in de onderste kist ligt.
Alleen de verblijfplaats van de gravin is nu nog onbekend. Enkele oproepen op internet en in het blad van Stichting Ruimte leverden geen verdere kennis daarover op. Misschien ligt zij eveneens op de gemeentewerf, en is zij samen met het tweede beeld (Spierkracht) in de onderste kist terecht gekomen. Maar we moeten ook rekening houden met een ander scenario. “Dat beeld is in duizend stukken gevallen toen werd geprobeerd het van de tunnel te takelen,” vertelde iemand. “Maar helemaal zeker weet ik het niet.” Wie het wél weet mag zich melden.