Tag: Roermond

De tunnelbeelden: “streng, eenvoudig en statisch”

De replica’s van de beelden bovenop de Stationstunnel. Foto: RCE Amersfoort

De beelden voor de Stationstunnel in Roermond behoren tot de bekendste van kunstenaar Joep Thissen (1919-2010). De beelden die er nu staan, zijn echter replica’s die trouwens in slechte staat zijn. Met de plannen om het Stationsgebied te hervormen, klinkt ook de roep om de originele beelden weer terug te plaatsen.

‘Spierkracht en Denkkracht’ heten de twee levensgrote beelden, die werden geplaatst in 1954. Denkkracht wordt verbeeld door een man met in de ene hand een rol papieren en in de andere hand een tandwiel. Links naast hem staat een stoere arbeider, de kin uitdagend omhoog, ontbloot bovenlijf, met een mijnlamp en een houweel. Spierkracht!
De beelden drukken het elan uit dat zo kenmerkend was voor de jaren na de oorlog. De stad herrees uit het puin, overal werd gebouwd om te kunnen voldoen aan de sterk toegenomen vraag naar woningen, werk was er in overvloed, en na de oorlog kon de toekomst alleen maar zonnig zijn.
Voor Roermond lonkte met name het perspectief dat in Herkenbosch weldra de Beatrixmijn geopend zou worden. In die situatie was een tunnel onder het spoor geen overbodige luxe. De bevolking van Roermond was eeuwenlang klein genoeg geweest om binnen de singels te kunnen wonen, maar nu barstte de stad uit zijn voegen. Vanuit het oosten kon het spoor alleen worden overgestoken bij het Slachthuis en een stuk verderop bij de Veeladingstraat. Met het oog op de uitbreidingsplannen was dat een volstrekt ontoereikende situatie.
Niemand minder dan de beroemde architect Sybold van Ravesteijn, die in Roermond ook al de watertoren naast het station had gebouwd, kreeg opdracht voor de aanleg van een tunnel. Roermondenaar Joep Thissen kreeg de opdracht om deze te verfraaien met beelden.

Elementaire vormen

Voor Thissen waren de jaren 50 een decennium waarin hij zich enorm profileerde. Zijn vroegere werk was realistisch en natuurgetrouw, maar in deze periode begon hij zich steeds meer te concentreren op de weergave van de meest elementaire vormen. Dat was al te zien in het werk dat hij verrichtte voor de Beeselse keramische ateliers Sint Joris en Loré, maar ook in zijn beelden.
Als beeldhouwer is Thissen waarschijnlijk het bekendst geworden. Het kon ook bijna niet anders. Zijn grootvader was de beeldhouwer Joseph Thissen, voormalig ‘professor’ aan de Tekenschool en oprichter van een ‘Atelier voor kerkelijke kunst’ dat was gevestigd in de Neerstraat. Van zijn hand was het Christoffelbeeld dat in 1895 op de torenspits van de kathedraal werd geplaatst, maar tijdens een enorme storm in 1921 omlaag donderde. Na het overlijden van Joseph (1920) werd het atelier in de Neerstraat voortgezet door zijn zonen Sjef (overleden in 1934) en Christof (overleden in 1956). Joep was een zoon van Sjef.
In 1951 had Joep Thissen voor de Sint Franciscusput aan de Godsweerdersingel al een beeld gemaakt, maar de opdracht voor de tunnel was van een andere orde. Niet alleen gezien de omvang, maar ook vanwege het prestige dat eraan verbonden was. Zowel aan de oost- als aan de westkant van de tunnel waren beelden voorzien.

Het originele beeld van de graaf staat nu in het Stadspark aan de Voogdijstraat

Spierkracht en Denkkracht kwamen aan de oostkant. Natuurlijk! Want daar lag de toekomst, weg van de oude stad en het verleden. Voor de westkant van de tunnel, die naar de historische binnenstad is gericht, maakte Thissen beelden van historische figuren: een beeld van de graaf van Gelder en een beeld van zijn gemalin. Centraal in het midden kwam een beeld van de stadspatroon, Sint Christoffel.

Op 31 juli 1954, een week voor de officiële opening van de tunnel, verscheen in de Maas- en Roerbode al een artikel over de beelden, geschreven door kunstredacteur Jules Kockelkoren. Die was lyrisch. “De vier beelden zijn streng, eenvoudig en statisch gehouden, geheel gedacht tegen de massieve betonwand als achtergrond. Maar juist dit strakke gesloten houden der beelden in duidelijke, krachtige vormen (…) bereikt de monumentaliteit die deze opdracht vergde.” Nota bene: de beelden van Denkkracht en Spierkracht stonden oorspronkelijk niet bovenop de tunnel, zoals nu, maar er tegenaan, zoals aan de westkant nog het geval is met de graaf van Gelder.

Kritiek

De beelden, met hun hoekige vormen, zijn typisch voor het werk van Thissen. Juist dat stijlkenmerk leverde hem echter ook kritiek op. Geheel in lijn met zijn streven om zich te beperken tot elementaire vormen, had Thissen op het Christoffelbeeld de handen en voeten van het kind Jezus weergegeven zonder vingers. Dat kon écht niet door de beugel bij sommige vertegenwoordigers van de katholieke kerk. Er moesten vingers en tenen komen.

Dezelfde hoekigheid kenmerkt ook zijn beroemdste beeld, waarvoor hij in navolging van zijn grootvader de opdracht kreeg: de Christoffel die in 1957 op de top van de kathedraaltoren werd geplaatst. Thissen maakte het ontwerp, dat door koperslager Claessen werd uitgevoerd. Toen ook dat werk hem op kritiek van de kerk kwam te staan, was Thissen daar zo verbolgen over dat hij zich in het openbaar distantieerde van de uiteindelijke vorm: “Het is mijn beeld niet meer.”

Waar is de gravin?

Met uitzondering van het Christoffelbeeld aan de westkant van de tunnel, zijn alle originele beelden verplaatst of weggehaald. Nu er plannen zijn om het hele Stationsgebied op te knappen, klinkt ook de roep om terugplaatsing van de originele beelden. Liefst op de plaats waar die zich vroeger bevonden, dus niet óp maar tegen de tunnel.
Alleen, waar zijn ze gebleven? Lange tijd was alleen bekend welke plaats de graaf van Gelder had gekregen: tegen een muur in het stadspark aan de Voogdijstraat. Aan dat beeld is trouwens ook mooi het kwaliteitsverschil te zien tussen het origineel van euville marbrier (een grofkorrelige soort kalksteen) en de replica’s van namaakbeton die ervoor in de plaats werden gezet.

Denkkracht, in een kist op de gemeentewerf. Foto: Dennis Janssen

Waar Spierkracht en Denkkracht zich bevonden was voor menigeen onbekend. Pas in 2015 werd een van de originele beelden (Denkkracht) teruggevonden door de Stichting Ruimte, opgeslagen in een kist op de gemeentewerf. Slechts één van de twee op elkaar liggende kisten kon worden geopend, het vermoeden is dat het andere beeld in de onderste kist ligt.
Alleen de verblijfplaats van de gravin is nu nog onbekend. Enkele oproepen op internet en in het blad van Stichting Ruimte leverden geen verdere kennis daarover op. Misschien ligt zij eveneens op de gemeentewerf, en is zij samen met het tweede beeld (Spierkracht) in de onderste kist terecht gekomen. Maar we moeten ook rekening houden met een ander scenario. “Dat beeld is in duizend stukken gevallen toen werd geprobeerd het van de tunnel te takelen,” vertelde iemand. “Maar helemaal zeker weet ik het niet.” Wie het wél weet mag zich melden.

Elisabeth Adriaanse (1906-1939): gedreven juriste

In Roermond kwam het nieuws hard aan, die koude maandagmorgen in februari 1939. Geheel onverwacht was tijdens haar vakantie in het Zwitserse Chur de jonge juriste Elisabeth Adriaanse overleden, in de leeftijd van slechts 33 jaar.

Enkele dagen eerder was zij plotseling onwel geworden en opgenomen in een ziekenhuis. Hartfalen lijkt de Roermondse advocate fataal te zijn geworden.
De in Roermond uitgegeven krant De Nieuwe Koerier, stond uitgebreid stil bij haar overlijden en berichtte enkele dagen later uitvoerig over de begrafenis, die “onder een groote belangstelling” plaatsvond.

“Zoowel van buiten Roermond als uit vrijwel alle kringen der Roermondsche bevolking waren zeer velen gekomen om aan de overledene de laatste eer te bewijzen,” meldde de krant. Het is veelzeggend dat De Nieuwe Koerier in deze tijd, waarin krantenpagina’s doorgaans alleen bestonden uit grauwe tekstkolommen, een foto plaatste van de begrafenisplechtigheid. Familie, vrienden, bekenden en plaatselijke notabelen, de gibus in de hand, zien we daarop bedroefd naar de in de grond zakkende kist staren.
Zeventig jaar na haar dood was Elisabeth Adriaanse bijna vergeten. Des te mooier is het dat ze in Roermond werd geëerd met een straatnaam. De Elisabeth Adriaansestraat is een van de nieuwe straten die werden aangelegd tussen de Professor Schreinemakersstraat en het voormalige parkeerterrein van de Philips.
Maar wie was Elisabeth Adriaanse?

Familie

De familie Adriaanse kwam niet uit Roermond. Elisabeths vader Floris, werd in 1877 geboren in Middelburg, en trad in mei 1898 in dienst van de gemeente Roermond. Hij schijnt in die tijd enige tijd te hebben ingewoond bij de ouders van de schilder Hendrik Luyten, in het pand Kraanpoort 1. Ook vader Luyten werkte voor de gemeente Roermond. Zes jaar later werd Floris Adriaanse benoemd tot gemeentesecretaris, een fraaie prestatie voor iemand van buiten de provincie, die ook nog eens tot de Nederlands Hervormde kerk behoorde. In het Roermond van die dagen was dat nou eenmaal niet direct een aanbeveling. Ook buiten de gemeentelijke kaders was Adriaanse actief. Hij was een van de voortrekkers van het ‘Tramwegcomité’ dat ijverde voor de aanleg van tramlijnen in Midden-Limburg en was twintig jaar lang secretaris van de Kamer van Koophandel en Fabrieken in Roermond.

Adriaanse en zijn vrouw Elisabeth Gesina Eblie kregen in 1902 een meisje, Elisabeth, dat al in 1905 overleed. Een jaar later werd opnieuw een dochtertje geboren, ‘onze’ Elisabeth, die dezelfde namen kreeg als haar jonggestorven zusje.

Elisabeth (“Betsy”) begon haar opleiding wellicht aan het kleine protestantse schooltje naast de Minderbroederskerk. In 1923 slaagde ze aan de Rijks HBS in de Jesuïtenstraat en ging vervolgens rechten studeren in Leiden. Na haar afstuderen werd ze in mei 1931 aan de rechtbank (toen nog aan de Pollartstraat) beëdigd als advocaat en procureur. Zij was de eerste vrouwelijke advocaat aan de Roermondse rechtbank.
“De nieuw benoemde zal zich hier ter stede vestigen”, schreef De Nieuwe Koerier. Aanvankelijk hield zij kantoor aan het adres Markt 35, per 1 oktober 1932 verhuisde ze naar Kapellerlaan 30.

Bekende Roermondse

Foto gemaakt tijdens het 25-jarige ambtsjubileum van Floris Adriaanse. Rechts met de witte hoed is Elisabeth. Foto: Gemeente-archief Roermond

Vanaf het moment dat ze benoemd werd tot advocaat, verscheen de naam van mej. mr. E.F.J.A. Adriaanse veelvuldig in de krant. De rechtbankverslagen vormden in die tijd nog een vast onderdeel van de kolommen, en bij elke zaak werd vermeld door wie de verdachte werd verdedigd. De ambitieuze Elisabeth kreeg er heel wat op haar bordje. Ook waren er in deze crisisjaren nogal wat faillissementen te betreuren, waarbij zij optrad als curator. Alleen al door die veelvuldige naamsvermeldingen werd Elisabeth, althans voor de krantenlezers, een bekende Roermondse. Maar ook was zij, als vooraanstaande Roermondse vrouw, actief in charitatieve verenigingen als het “Roermondsch Crisis-Comité”, in allerlei “aanbevelingscommissies” en als lid van een stembureau. Haar naam duikt in de krantenkolommen dan ook vaak op naast die van andere Roermondse notabelen van die tijd als Jos Linssen, René Höppener, oud-wethouder Cartigny, Jules Breukers, René van Boven en dr. Imkamp.

Maar de gedreven Betsy Adriaanse was nog op andere gebieden actief. Ze schreef. In een artikel in de krant voorzag ze een nieuwe regeling van het binnenvaartrecht van commentaar. Daarnaast verscheen van haar hand een boekje over “de nieuwe drankwet” dat ook nog een herdruk beleefde.

Ook in de politiek was zij actief, als lid van de progressief liberale Vrijzinnig Democratische Bond, die na de oorlog opging in de PvdA. In 1935 stond ze bij de verkiezingen voor de Provinciale Staten van Limburg tweede op de lijst van de Vrijzinnige Democraten, overigens zonder een zetel in de wacht te slepen.
In juni 1936, het jaar dat Hitler het Rijnland herbezette, sprak ze op de oprichtingsbijeenkomst van een genootschap van juristen en politici dat beoogde te “strijden voor het behoud van den rechtsstaat in Nederland.”

Vrouwenbeweging

Maar bovenal was Elisabeth actief in de vrouwenbeweging, meer in het bijzonder in de ‘Vereeniging voor vrouwenbelangen en gelijk staatsburgerschap’. Vanaf 1935 tot haar dood maakte ze deel uit van het bestuur van de Vereeniging en zat ze in de redactie van het maandblad. In Roermond hield de Vereeniging in het voorjaar van 1935 een ‘vrouwenweek’ om aandacht te vragen ‘voor meerdere waardeering van vrouwenarbeid.’ Elisabeth hield een afsluitende ‘causerie’ in hotel Kissels.
In 1937 geeft de Vereniging voor Vrouwenbelangen een brochure van haar uit, ‘Overzicht over politieke stroomingen in Nederland’ waarin ze de positie van de vrouw in Nederland analyseert.

Bericht in het in Roermond uitgegeven dagblad De Nieuwe Koerier, over de begrafenis van Elisabeth Adriaanse.

Van het persoonlijke leven van Elisabeth is mij niets bekend, behalve dat ze ongetrouwd bleef. Sommigen vragen zich af, of de enorme activiteit die ze ontplooide op sociaal gebied misschien ten koste ging van privé-geluk.

Een ramp in de persoonlijke sfeer voltrok zich in 1932, toen haar vader overleed, nét in de tijd dat er allerlei festiviteiten waren rond het 700 jarig bestaan van de stad en kort voor de opening van het Stedelijk Museum, bij de totstandkoming waarvan hij een belangrijke rol speelde. Floris Adriaanse werd maar 55 jaar. Waar hij aan overleed vermeldden de kranten niet, maar dat hij zo jong stierf is opvallend. Was het een erfelijke ziekte die zeven jaar later ook Elisabeth trof?

Elisabeths moeder, die in 1939 nog ijlings was afgereisd naar Chur en daar haar dochter in het ziekenhuis bezocht, overleed in 1961. Met zijn drieën delen ze een graf in het protestantse gedeelte van de Aaje Kirkhaof.

Inmiddels waren veel mensen Elisabeth Adriaanse vergeten. Mooi is dat een latere generatie Roermondse vrouwen door Tiny Imkamp op haar werd geattendeerd. Zowel Tiny Imkamp als Elisabeth Adriaanse zijn nu in het Roermondse Vrijveld geëerd met een straatnaam.

Het Wilhelminaplein: de onvoltooide van Roermond

Het enige Rijksmonument op het Wilhelminaplein is dit door architect Jos Wielders ontworpen pand

Roermond heeft mooie pleinen, maar het Wilhelminaplein hoort daar niet bij. Ook na de reconstructie van de Singelring biedt het plein nog steeds dezelfde troosteloze aanblik: een friteskraam op de ene hoek, een hondentoilet op de andere, en een massa geparkeerde auto’s er tussenin. En dan hebben we het over een van de entrees van de stad. Dat moet beter kunnen.

Ga eens op het Wilhelminaplein staan, kijk om je heen en probeer je voor te stellen dat de verkeersweg er niet is. Met een klein beetje moeite zie je een groots plein met een aantal opvallende ijkpunten. Aan de zuidoost-kant ligt het grote ‘pand Strens’ (tegenwoordig Loft 76 en daarvoor meubelzaak Nollen), dat omstreeks 1900 door architect Frans Dupont werd ontworpen. Met zijn indrukwekkende volume markeert het huis het einde van de Godsweerdersingel en het begin van het Wilhelminaplein, wat nog extra wordt benadrukt door de torenachtige vorm aan de Slachthuisstraat. Opvallend is de afgeschuinde hoek, die als het ware wordt gespiegeld in de ronding van het pand Wilhelminaplein 1, op de hoek met de Slachthuisstraat.
Recht tegenover het pand Strens, op de hoek Godsweerdersingel-Wilhelminaplein, ligt een fraai pand dat architect Jos Wielders in 1928 ontwierp. Helaas staat het huis, het enige rijksmonument aan het Wilhelminaplein, al enige tijd leeg. In het monumentenregister van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed wordt het omschreven als gebouwd “in traditionele stijl met invloeden van het Zakelijk Expressionisme.” De afgeronde hoek wijst erop dat Wielders goed heeft gekeken naar de twee oudere huizen aan de overkant (Loft 76 en Wilhelminaplein 1).
Direct daarnaast staat nog een fraai pand met een opvallende raampartij (no 30), waarna de straat een hoek van 90 graden maakt, en een gesloten rij huizen (gebouwd vanaf 1913) op de hoek met de Voogdijstraat groots wordt afgerond met een door architect Maarten Engelman ontworpen gebouw voor de Kamer van Koophandel (nu: Van Arkel gerechtsdeurwaarders). Op deze plaats stond eerder een gebouw uit 1939 waarin de Lindanusschool en later het politiebureau waren ondergebracht. Engelman heeft de ronde hoeken die de panden aan de zuidzijde van het Wilhelminaplein karakteriseren mooi laten terugkomen.
Dáár recht daartegenover, op de hoek Steegstraat-Voogdijstraat en oorspronkelijk uitkijkend op het plein, ligt dan het magnifieke Huis Bocholtz uit de achttiende eeuw.

De conclusie zou kunnen zijn dat er veel lelijks te zien is rond het Wilhelminaplein: een singelwand met detonerende reclame-uitingen, een friteskraam, een appartementencomplex waarvan er dertien in een dozijn gaan en vooral heel veel auto’s.
Maar ook dat er toch wel iets te genieten valt. En vooral: het is nog steeds een plein waar iets moois van is te maken.

Voogdij

Het Wilhelminaplein ligt ongeveer op de plaats waar zich vroeger de voogdij bevond: een geheel ommuurd complex dat toebehoorde aan de voogden van Roermond, in de middeleeuwen de belangrijkste vertegenwoordigers van de graven en hertogen van Gelder. De voogdij bevond zich aanvankelijk buiten de stadswallen op de Buitenop, maar verhuisde omstreeks 1388 naar deze hoek van de stad.

De omvang van het complex en de gebouwen die er stonden, is nog mooi te zien op de bekende kaart die Herman Janssens na de stadsbrand van 1665 maakte. Na 1800 raakten de gebouwen waarschijnlijk snel in verval. De functie van voogd was toen al achterhaald en de erfvoogden woonden allang niet meer in Roermond maar in Brussel.
In 1825 werd de voogdij verkocht aan de familie Michiels van Kessenich, die het waarschijnlijk beschouwde als een beleggingsobject. Veel onderhoud lijkt er in elk geval niet te zijn gepleegd, de gebouwen begonnen er steeds havelozer uit te zien en veel werd in de negentiende eeuw al afgebroken.

Na de sloop van de stadsmuren en eind negentiende eeuw de aanleg van achtereenvolgend de Willem II-Singel (‘aaje boulevard’) en Godsweerdersingel (‘nuuje boulevard’) leek deze hoek van de stad aan de beurt voor nieuwe stedebouwkundige ontwikkelingen.

Venlooscheplein

Het Wilhelminaplein in een tijd dat het nog niet zo druk was. We kijken in noordelijke richting (naar het Outlet Centre). De datering 1905 rechtsonder is twijfelachtig, de foto is waarschijnlijk later gemaakt. Foto: gemeente-archief Roermond.

Begin twintigste eeuw besloot de gemeente het gebied in te richten als openbaar plein. In 1906 nam ze daartoe de oude voogdij over van Michiels van Kessenich. De ringmuur rond het voormalige voogdijcomplex en wat er nog stond van de uit 1400 daterende gebouwen werden in 1907 gesloopt.

Het nieuwe Venlooscheplein dat nu ontstond was enorm van omvang. Ook het driehoekige gebied ten zuiden van de Venlosepoort behoorde ertoe, het stuk waar tegenwoordig een niet al te fraai appartementencomplex staat. Maar ondanks de grootte en ondanks de bomenrij aan de oostelijke kant (de voortzetting van de bomenrij aan de Godsweerdersingel) strekte de ruimtelijke beleving van het plein zich uit tot aan de bebouwing aan de oostkant. Anders gezegd: wie toen vanuit de Godsweerdersingel het Wilhelminaplein opwandelde, had veel meer dan tegenwoordig het gevoel een ‘echt’ plein te betreden.

De grootse opzet van het plein is nog steeds voelbaar als je de omgeving op je laat inwerken. Maar het is ook duidelijk waaraan het plein ten onder is gegaan: de verkeersdruk. In het begin van de 20e eeuw was het verkeer nog zo gering dat het gewoon over het plein kon worden geleid, en dat het ook zo voelde dat je een plein opging. Tegenwoordig domineert echter de verkeersweg. Het plein is de facto verdeeld in een weg en een plein. De aanleg van trottoirs en fietspaden in het verlengde van de Godsweerdersingel heeft verder bijgedragen aan deze situatie. Weg en plein lijken niet meer bij elkaar te horen.

Daardoor is een plein ontstaan zonder kraak of smaak, dat er maar een beetje bijligt en alleen maar goed is om als parkeerplaats dienst te doen.

Toekomst

Wat zal de toekomst brengen? Als er ondanks de onvermijdelijke bevolkingskrimp toch nog bouwactiviteiten moeten plaatsvinden, lijken uitbreidingsplannen die ten koste gaan van natuur en groen achterhaald. Eerder aan de orde lijken inbreiding en kwalitatief hoogwaardige restauratieprojecten. Mits daarbij rekening wordt gehouden met het beschermde historische stadsgezicht, lijkt het Wilhelminaplein een serieuze kandidaat.
Er zal dus iets moeten gebeuren om het gebied te verlossen van zijn onvoltooide en amorfe uiterlijk.
In zijn oorspronkelijke opzet was het plein wellicht te groot, en zijn de zichtlijnen te lang. Vanuit de zuidkant van het plein in de richting van de Venlose weg, kijk je te ver weg zodat een verkleining van het plein geen slechte optie lijkt. Daarnaast is duidelijk dat de feitelijke tweedeling tussen verkeersweg en plein niet meer is terug te draaien.

De Verah garage in 1980, enkele jaren voor de sloop

Het is onduidelijk wanneer die splitsing is ontstaan, maar wellicht werd het probleem al voor de oorlog onderkend door Frans Dupont, die in het begin van de jaren dertig een fantastisch maar nooit gerealiseerd plan ontwikkelde voor een grote concertzaal. Hij positioneerde die midden op het huidige plein, dat daardoor zou verdwijnen, of zou worden gereduceerd tot een soort voorplein van het theater.
Een nieuwere ontwikkeling die wél doorging was het volbouwen van het driehoekige gebied ten zuiden van de Venlosepoort. Dat gebied is in deze vorm al herkenbaar op de genoemde kaart van Janssens. Er stond in die tijd (eind 17e eeuw) een kapelletje onder wat bomen, maar afgezien van de huizenrij aan de Venlosepoort bleef het gebiedje verder waarschijnlijk onbebouwd. Pas omstreeks 1920 verrees er een garage (Verah-garage), die waarschijnlijk nooit een schoonheidsprijs zou hebben gewonnen. In 1982 maakte de garage plaats voor een appartementencomplex dat er nu nog steeds staat en evenmin behoort tot het mooiste van wat de bouwkunst heeft voortgebracht.

Omstreeks het jaar 2000 waren er nieuwbouwplannen van projectontwikkelaar Nieuweborg. De plannen concentreerden zich op het noordelijke deel van het plein (zijde Venlosepoort), dat daardoor aanzienlijk zou worden verkleind en als het ware in zuidelijke richting zou opschuiven. De plannen voorzagen ook in een ondergrondse parkeergarage waarin de restanten van de oude stadsmuren waren opgenomen. Misschien dat er in de toekomst nog eens wordt teruggegrepen op deze plannen.

Een andere mogelijkheid zou zijn om aan de oostzijde van het plein een groots opgezette singelwand te creëren die aansluit op de bebouwing aan de Godsweerdersingel en die zich kan spiegelen aan de bestaande bebouwing langs de verkeersweg. Aan de Venlosepoort, waar nu de friteskraam staat, zou dat afgerond kunnen worden in een vorm die verwijst naar de grote dubbele stadspoort die hier ooit stond.

Voorlopig lijkt alles echter bij het oude te blijven. De gemeente Roermond laat desgevraagd weten dat er op het Wilhelminaplein geen bouwprojecten gepland staan.

Hedwig Behnisch: Koningin van de bloemen

Een kapotte grafsteen op de begraafplaats Tussen de Bergen, met een nagenoeg onleesbare tekst: heel vaag is nog te lezen dat hier Hedwig Behnisch, de echtgenote van de schilder Henry Luyten is begraven. Het is een grafsteen die door de gemeente Roermond opgeknapt zou mogen worden. Niet alleen omdat het graf eeuwigdurende rechten heeft en van de gemeente is, maar ook vanwege de verdiensten van deze vrouw voor de stad.

Want wie was Hedwig Behnisch? Lees even deze korte schets van een leven dat begon op een groot landgoed in het huidige Polen, en dat eindigde op een kamertje in het Roermondse Godshuis.

Hedwig (bijnaam ‘Hedel’) werd in 1873 geboren in Hohenangern, een circa 500 hectare groot landgoed van haar ouders Gustav en Elisabeth Behnisch in wat toen nog Duitsland, maar nu Polen is (tegenwoordig in het dorp Luszkovo). Een telg uit een rijke familie, zowel van vaders- als van moederskant, met alle kenmerken die in die tijd normaal waren in dat soort kringen: een huis vol bediendes, een educatieve reis op zijn tijd, veel aandacht voor kunst, cultuur en muziek, gouvernantes en privé-leraren voor de kinderen toen die nog klein waren en een ‘tüchtige’ opleiding aan een internaat toen ze ouder werden.
In 1899 werd het landgoed Hohenangern verkocht en verhuisde de familie naar Breslau (Wroclaw). Hedwig, die al vanaf haar jeugd verknocht was aan muziek (piano) maar vooral aan tekenen, schilderen en later ook aan fotografie, ging er studeren aan de kunstacademie. In 1907 las ze over het Institut des Beaux-Arts dat de in Roermond geboren schilder Henry Luyten vijf jaar eerder in Brasschaat (bij Antwerpen) had opgericht, een soort post-academische opleiding. Hedel besloot ze daar naartoe te verhuizen om zich verder te ontwikkelen.

Henry Luyten

Het doek Sonata van Luyten uit 1907. Hedwig Behnisch is ‘la tourneuse des pages’. Luyten beeldde ook zichzelf af, direct rechts van Hedel. De vrouw linksboven is Mara Corradini.

Luyten was in die tijd op het toppunt van zijn roem. Vier jaar eerder was hij internationaal doorgebroken met een grote en bijzonder succesvolle tentoonstelling in Wenen. In de pers werd hij bejubeld, hij werd geëerd met banketten, en zou gearmd met de aartshertog door Wenen hebben gelopen.
De Weense triomftocht had voor Luyten bovendien een aantrekkelijk commercieel staartje. In Duitsland werd zijn werk geëxposeerd in bijna alle grote steden, hij werd een van de ‘grote namen’ en slaagde hij erin zijn groeiende faam commercieel uit te baten, met name als portretschilder van diverse adellijke families. Het leverde hem niet alleen een kapitaal op, maar droeg ook bij tot het succes van het kunstinstituut in Brasschaat, dat tot het uitbreken van de eerste wereldoorlog zou blijven bestaan.

Toen Hedwig Behnisch in 1907 in Brasschaat arriveerde, werkte Luyten aan het bekende doek Sonata, dat enkele jonge vrouwen en mannen voorstelt die in een salon luisteren naar een pianiste. Feitelijk was het een scene uit het instituut, want de mensen die op het doek worden afgebeeld, waren Luyten en zijn studenten van dat moment. Speciaal om er ook Hedel aan toe te kunnen voegen, wijzigde hij het schilderij: zij is degene die voor de pianiste de bladzijden van de partituur omslaat. Dit grote doek is een van Luytens’ werken die eigendom zijn van het Roermondse Cuypershuis.

Hedel werd door Luyten beschouwd als zijn meest getalenteerde leerling. Met name haar stillevens met bloemen maakten indruk, en niet alleen op Luyten. Toen ze in 1912 in Parijs exposeerde, werd ze daar in de pers ‘La reine des fleurs’ genoemd, de koningin van de bloemen. Van de ene kant was het een titel waar Hedel haar levenlang trots op is geweest, van de andere kant schijnt ze ook spijt te hebben gehad dat ze zich zo lang toelegde op dit genre en niet ook op bijvoorbeeld het schilderen van portretten. Volgens Luytens biograaf Jozef de Beenhouwer kan er in de aanmoedigingen van Luyten om juist bloemen te blijven schilderen ook een element van ‘beroepsnaijver’ hebben meegespeeld.

Huwelijk met Luyten

Hedwig Behnisch in 1907, het jaar dat ze kennismaakte met Luyten en diens kunstinstituut

De relatie tussen Hedel en Luyten was al snel meer dan die tussen een studente en haar leermeester. In 1917, midden in de eerste wereldoorlog, trouwden de twee met elkaar in Breslau.
Hedel was niet de eerste vrouw van Luyten. In 1890 was hij al getrouwd met Joanna Brees uit Antwerpen, een ongelukkig huwelijk dat formeel duurde tot haar overlijden in 1916 maar dat al jaren onder grote spanning stond. In 1900 verliet Joanna hem voor het eerst, en vijf jaar later opnieuw. Wel kregen zij een zoon, die in 1934 zou overlijden.

Zonder twijfel was Luyten de grote liefde van Hedwich, andersom was de liefde minder groot. “Ik heb die combinatie nooit begrepen,” schreef een Amerikaanse oud-studente van Luyten later. “Maar ja, we wisten allen dat ze hem echt aanbad vanaf het eerste ogenblik dat ze hem zag.” Luyten koesterde een grotere, maar nooit beantwoorde liefde voor een van zijn andere studentes, de Zwitsers-Italiaanse Mara Corradini. De speciale relatie tussen Luyten en Corradini kwam onder meer tot uiting in een ring van Corradini die Luyten zijn leven lang bleef dragen.

Hedels huwelijk met Luyten ging niet altijd over rozen. Luytens carrière was in België in het slop geraakt, enerzijds omdat zijn huwelijk met een Duitse in de ogen van velen niet door de beugel kon, maar ook als gevolg van zijn openlijke sympathie voor de Vlaamse zaak. Mede daarom bleven Luyten en Behnisch na de oorlog nog jarenlang in Duitsland wonen, en keerden ze pas in 1923 terug naar Brasschaat.
Toen moest de grootste beproeving echter nog komen. In 1929 later trok daar een dochter van Hedels broer Kurt bij hen in: Käthe Behnisch (1914-1998). Nog geen vier jaar later reisde Käthe terug naar Duitsland… in verwachting van een kind van Luyten, een meisje dat op 19 januari 1933 werd geboren.
Voor Hedel was het een persoonlijk drama, maar zij bleef bij Luyten tot deze in januari 1945 overleed.

Museum in Roermond

Voor Luyten was het belangrijk om zijn werk onder de aandacht te houden, en daarvoor moest hij exposeren. Het aantal tentoonstellingen liep echter sterk terug: in België werd hij geboycot vanwege zijn uitgesproken Vlaamsgezindheid, maar ook zal hebben meegespeeld dat zijn werk niet meer de actualiteit van eerdere jaren had. In 1930 bood hij een aantal van zijn schilderijen aan de gemeente Roermond aan, met de uitdrukkelijke bedoeling dat ze daar permanent geëxposeerd zouden worden. Samen met het werk van Cuypers vormden ze de basis van het Gemeentelijk Museum Hendrik Luyten-Dr.Cuypers dat in 1932 werd gesticht.

Een rustige oude dag was Hedwich Behnisch na het overlijden van Henry Luyten (1945) niet gegund. Financieel zat ze volledig aan de grond. Het kapitaal dat Luyten in de jaren na 1900 verdiende was in de laatste decennia van zijn leven verdampt en de ooit eveneens kapitaalkrachtige familie Behnisch was de twee oorlogen evenmin ongeschonden doorgekomen, zodat Hedel ook van die kant niets te verwachten had. Daarnaast kon zij als Duitse geen aanspraak maken op de Belgisch oudedagsvoorzieningen en moest ze in 1945 het geld dat hoorde bij een Duitse cultuurprijs die Luyten in 1939 had ontvangen, ‘terugbetalen’ aan de Belgische staat. Er bleef haar weinig anders over dan het landgoed van Luyten te verkopen, met als geluk bij een ongeluk dat de nieuwe eigenaar haar toestond er te blijven wonen.
Als klap op de vuurpijl raakte ze kort na het overlijden van Luyten al verwikkeld in een strijd over de erfenis, waarbij zij werd verplicht om de schilderijen van haar man te verdelen met de kleinkinderen uit diens eerste huwelijk. Luytens biograaf Jozef de Beenhouwer daarover: “Dit is voor Hedwig Luyten Behnisch ongeveer het ergste wat haar kan overkomen, en juist dáárom schenkt ze onmiddellijk daarna – ondanks haar financiële nood – bij notariële akte nog eens 123 schilderijen van Henry Luyten aan het museum in Roermond.”

De grote uitbreiding van de ‘collectie Luyten’ van het museum heeft Roermond dus aan Hedwig Behnisch te danken. Maar haar eigen penibele situatie werd er daardoor niet beter op. In 1953 verhuisde de inmiddels 80-jarige weduwe naar een nicht in Kaiserslautern, en zes jaar later naar Lübeck. In 1960 regelde de toenmalige stadsarchivaris en conservator van het museum Hans Baron van Hövell tot Westerflier dat haar een kamer wordt aangeboden in het Godshuis. Daar trekt Hedel op 1 maart in en schenkt bij die gelegenheid nog eens tachtig van haar eigen schilderijen aan het museum.
Op 30 juli 1963 overlijdt ze, 90 jaar oud. Op het graf van de ‘reine des fleurs’ groeit tegenwoordig alleen onkruid.

Voorbeelden van het omvangrijke bloemenoeuvre van Hedwig Behnisch



Een verhaal over Henry Luyten vind je << hier >>

Cillekens-Dreessens: industrie in de binnenstad

Hoe ziet de binnenstad er in de nabije toekomst uit, nu de winkelfunctie snel in belang afneemt? Zal de stad straks nog steeds een ‘place to buy’ zijn, of ontwikkelt ze zich op de eerste plaats tot een ‘place to be’? Het is een vraag waar stadsplanners het tegenwoordig razend druk mee hebben, maar vast staat dat de winkelfunctie uit het recente verleden niet van alle tijden is.

Een klein deel van een spoortje dat bij het pand Cillekens-Dreessens onder de deur uitpiept, is een van de kleine elementen die nog herinneren aan de tijd dat de oude stadskern een heel andere functie had dan die van het moderne funshoppen.
Het spoortje werd, compleet met een remise, in 1906-1907 aangelegd en maakte deel uit van het ijzerwarenbedrijf dat in het laatste kwart van de negentiende eeuw werd gesticht door Jacques Cillekens. Zijn bedrijf strekte zich vanaf de Neerstraat in westelijke richting uit tot aan de Roersingel. Achter de winkel bevond zich een groot pakhuis annex overslagruimte, en nog verder richting de Roersingel (de uitvalsweg waar grondstoffen werden aangevoerd) lag de werkplaats: de koperslagerij. Detailhandel, groothandel en industrie waren daarmee in één bedrijf samengevoegd.

Jacques Cillekens werd in 1837 geboren in Heythuysen. Waarschijnlijk was hij van de familie Cillekens die in deze periode in Heythuysen een fabriek had, waar vooral land-bouwmachines werden gemaakt. Op 20-1-1874 huwde Jacques met de Roermondse Anne Marie Hubertina Dreessens. Zij was de weduwe van de koopman Constantinus Campioni, die een jaar eerder op zijn 36ste was overleden. Met haar kinderen uit dit eerste huwelijk was Anne Marie woonachtig op een van de percelen op het gebied tussen Neerstraat en Roersingel, die later bij het bedrijventerrein van Cillekens-Dreessens werden getrokken. Op de kadastrale kaart die F. Bingen kort voor 1900 maakte, zijn in deze omgeving nog de gebouwen van textielfabrikant Philip Claus ingetekend. Hier begon Jacques Cillekens zijn bedrijf.

IJzerwarenwinkel

In 1900 verrees aan de Neerstraat een nieuwe ijzerwarenwinkel. Cillekens was toen al een vermogende ondernemer, en liet dat ook goed zien met zijn rijk gedecoreerde pand met hypermoderne hoge etalageruiten, opvallende entree, gietijzeren zuilen en fraai gestucte plafonds. De architect van het nieuwe winkelpand is niet bekend, maar er wordt wel eens gedacht aan Jean Speetjens, die in dezelfde tijd ook het grote pand Schuitenberg 45 (het ‘pand Meisters’) bouwde.
Toen Cillekens zijn winkel aan de Neerstraat bouwde was hij de 60 al voorbij, maar hij had nog brandende ambities. Dat blijkt niet alleen uit latere uitbreidingen van de ijzerwarenzaak (het smalspoortje dateert van 1907) maar ook uit de grondaankopen die hij tussen 1908-1910 deed nabij het Klein Hellegat in de Voorstad, waar hij vervolgens een stoomwasserij oprichtte.
De entrepreneur Cillekens had echter ook oog voor nieuwe bouwkundige ontwikkelingen. Daarop wijst niet alleen de fraaie winkel aan de Neerstraat, ook het achterliggende complex was uitermate modern opgezet. De betonnen vloer/plafondconstructie in de verdiepingen van het pakhuis, waarbij het zogenaamde systeem van Hennebique werd toegepast, was zelfs een absolute noviteit. Dankzij Cillekens is Roermond in het bezit van de oudst bekende betonconstructie in Limburg, die tevens een van de oudste in Nederland is. Ook vooruitstrevend waren de  geavanceerde systemen voor het tonen en opslaan van de waar in datzelfde pakhuis én de functie ervan. De fraaie afwerking met onder andere terrazzovloeren en polychromie onderstreepten het ‘publieke’ doel: hier werden detaillisten ontvangen. In de cultuurhistorische analyse die in 1998 van het bedrijvencomplex werd gemaakt wordt het vermoeden uitgesproken dat Cillekens-Dreessens een van de eerste moderne groothandels in Limburg was.

Logistieke vervolmaking

Het complex Cillekens-Dreessens strekte zich uit tussen Roersingel en Neerstraat. De grondstoffen kwamen binnen aan de Roersingel, waar zich ook de werkplaats bevond. Daarachter lagen het pakhuis en daar weer achter de winkel.

Al die onderdelen stonden met elkaar in verbinding en de aanleg van het smalspoortje vormde de logistieke vervolmaking van het complex. Tot 1907 werd het transport van waren over het terrein verricht met handkarren, maar daar kwam nu een einde aan. De losplaats aan de Roersingel, de koperslagerij, het pakhuis en de winkel werden nu met elkaar verbonden door een soepel lopend railsysteem, met verschillende aftakkingen. Vanaf de werkplaats ging een deel van de eindproducten naar het pakhuis, vanwaar detaillisten werden voorzien. Een ander deel liep door tot de Neerstraat, om ook de eigen winkel te kunnen bevoorraden.
Het was een bijzondere innovatie. Smalspoortjes waren niet ongebruikelijk in grotere industriële complexen, maar toepassing in een relatief klein stedelijk complex als dat van Cillekens-Dreessens was wel zeldzaam.

Een remise voor de wagons bevond zich niet ver van de Roersingel en legde het loodje tijdens de aanleg van het Roercenter. De aanleg van het spoortje en remise waren overigens een van de laatste grote projecten van Jacques Cillekens. Vier jaar later, in 1911, verkocht hij de zaak aan zijn oudste zoon Hendrik. Hij overleed op 27 juli 1925 op 88-jarige leeftijd.
Zijn nazaten bouwden het bedrijf met wisselend succes verder uit. In 1930 ging de zaak failliet, maar het bedrijf kon toch worden voortgezet. De oorlog was een mijlpaal. Na die tijd werd het terrein niet verder ontwikkeld, en daarna werden het handelsgedeelte en het productiedeel zelfs geleidelijk afgebouwd. Ook het spoortje zal toen uit gebruik zijn genomen. Ook de winkelpui kwam de oorlog niet zonder schade door. Op vooroorlogse foto’s is te zien hoe hoog de dakkapellen vroeger waren opgetrokken. In 1948 werd de winkel verbouwd door architect Jan Bongaerts.


Foto uit (waarschijnlijk) de jaren 30. Op de achtergrond verrijst het pand Cillekens-Dreessens, destijds nog met hoog opgetrokken dakkapellen. Een van die geveltoppen stortte in als gevolg van een storm in december 1961, waarna de andere ook werd verwijderd. Uit de Maas en Roerpost van woensdag 6 december 1961: “De wind heeft gisteren stevig huisgehouden, ook in Roermond. Reeds dagen ligt het werk aan de Maasbrug stil, omdat de arbeiders eraf zouden waaien. Gevaarlijker was het incident gistermiddag rond kwart over een aan de Neerstraat. Toen donderde plotseling een der twee loze geveltoppen van het pand van de N.V. Cillekens-Dreessens, ijzerhandel naar beneden en sloeg met een harde klap een gat in het trottoir. Enkele voetgangers waren net gepasseerd en dankten daaraan hun leven. De brandweer, onmiddellijk gealarmeerd, rukte met de magyrusladder uit en verwijderde voorzichtig ook de tweede geveltop, die al even wankel bleek te staan. Daarna mocht de brandweer ook elders op plaatsen in de stad assistentie verlenen omdat televisieantennes het ook al begeven hadden.


Meer over de Roermondse industrie in de 19de eeuw:

Van meelmolen tot modern kantoorpand

De dwerggalerij van de Munsterkerk

Roermond is een stad aan de Roer en aan de Maas maar zijn oudste en wellicht beroemdste monument, de Munsterkerk, wordt algemeen beschouwd als een typisch voorbeeld van laat-Romaanse Rijnlandse bouwkunst. In de kunsthistorische literatuur over het Maasland wordt ze soms niet eens genoemd, ze is immers ‘Rijnlandse import’.

Ook om andere redenen is de kerk uiteenlopend gewaardeerd. Is het nou een romaanse kerk? Of een vroeg gotische? En wat is er niet allemaal veranderd sinds de ingrijpende verbouwingen door P.J.H. Cuypers in de negentiende eeuw? In de jaren 80 zette Bernadette van Hubar een aantal van die uiteenlopende standpunten eens achter elkaar en verzuchtte: “Na een dermate verwarrende veelvoud aan kwalificaties zou men haast denken, met een gespleten persoonlijkheid van doen te hebben in plaats van met een bouwwerk aus einem Guss.”

Hoe dan ook: het was een kerk met Rijnlandse vormen. In zijn bijdrage in de Algemene Geschiedenis der Nederlanden, noemde J.J. Terwen haar het “grandioze hoogtepunt van de gehele Rijnlandse groep in het Maasgebied.” Om het Rijnlandse karakter van de kerk te onderstrepen, wordt vooral gewezen op de klaverbladvorm van het koor, en op de zogenoemde dwerggalerij in koor en transeptarmen. Dat zijn typische elementen die niet of nauwelijks voorkomen in de laatromaanse Maaslandse kerken, maar wél in kerken die in deze tijd aan de Nederrijn werden gebouwd.

Maar waar hebben we het precies over? De dwerggalerij van de Munsterkerk is een hoog gelegen, smalle en overdekte loopgang aan de buitenzijde van de kerk. Boven de borstwering worden romaanse boogjes in een vast ritme gedragen door kolommetjes en muurwerk. In het koor is het ritme: twee boogjes – muur – twee boogjes enz. Dit patroon wordt zeven keer herhaald.
Onder de dwerggalerij bevindt zich een zogenaamde cassettenfries, en daaronder de zeven grote ramen van het koor, die het ritme van de dwerggalerij volgen. Daarvan is het middelste raam zodanig veel hoger dan de andere dat het de cassettenfries doorsnijdt.
 Dit ritme van de dwerggalerij wordt voortgezet in de oosttorens, een situatie die Cuypers tijdens zijn restauratie ongewijzigd liet. In de transeptarmen is het ritme anders: drie boogjes – muur – drie boogjes.

Vanaf ongeveer 1150 worden deze dwerggalerijen een populair element in de romaanse kerken in het Nederrijngebied. Als het vroegste voorbeeld van een kerk waarbij een apsis met dwerggalerij wordt geflankeerd door twee torens, wordt meestal gewezen naar de Munsterkerk in Bonn (1153). Andere vroege voorbeelden zijn de St.-Gereon in Keulen (voor 1156), de kloosterkerk van Maria Laach (1156) en St.-Castor in Koblenz (voor 1158).
De kerk van Schwarzrheindorf (gemeente Bonn, ingewijd in 1151) wordt beschouwd als de oudste geheel Romaanse kerk in het Rijnland. Zij heeft wél een dwerggalerij, maar geen torens in de oostpartij. In de dom van Trier is de dwerggalerij gebouwd in het westwerk, dat dateert uit de elfde eeuw.

Rijnlandse kerken met dwerggalerijen. V.l.n.r.: de St.-Quirinius in Neuss, de kerk in Schwarzrheindorf (Bonn), de St.-Gereon in Keulen en de Munsterkerk in Bonn.

Allemaal twaalfde-eeuwse kerken in het Rijnland. Toch wil dat niet zeggen dat dwerggalerijen een Rijnlands bedenksel zijn en ook niet dat ze uit de twaalfde eeuw stammen. Die oorsprong zou Lombardisch zijn. Ten noorden van de Alpen zijn ze voor het eerst toegepast in de dom van Spiers (Speyer). Die kerk dateert in aanzet uit de 11de eeuw, en heeft al een klaverbladkoor en dwerggalerij.
Dat bouwkundige onderdelen van de kathedraal in Spiers hier zo beeldbepalend werden, heeft vooral te maken met het geweldige prestige dat deze kerk genoot binnen het Duitse rijk. Hier lagen immers de Saksisch-Salische keizers begraven, die in een aantal opzichten kunnen gelden als de opvolgers van de meest bewonderde van alle middeleeuwse vorsten, Karel de Grote.
Voor zo’n grafkerk werd niet op een cent gekeken: zij moest immers het belang weerspiegelen van degenen die er begraven lagen. In Speyer werden daarom een aantal bouwkundige vernieuwingen toegepast. Niet alleen het klaverbladkoor en de dwerggalerijen trokken de aandacht, daarnaast was ze ook een van de eerste grote kerkgebouwen met een (peperdure) stenen overwelving.
Prestigieuze gebouwen als de dom van Spiers of de Paltskapel in Aken (grafkerk van Karel de Grote en de eerste koepelkerk boven de Alpen) vonden in de middeleeuwen gretig ‘navolging’. Delen van de kerk of bepaalde kenmerken ervan, werden als het ware gekopieerd.
 Zo is de octogonale vieringstoren met koepel (overigens in de huidige vorm pas daterend van na 1665) van de Munsterkerk wel beschouwd als een verwijzing naar de koepel van de Akense Paltskapel, die weer verwees naar de San Vitale in Ravenna, en indirect naar de H.-Grafkerk in Jeruzalem.
Mogelijk was dat niet alleen christelijke symboliek, maar probeerden de opdrachtgevers (in Roermond dus graaf Gerard IV van Gelre) zich zo ook te spiegelen aan de machtige bouwheren van Spiers of Aken: wat Karel de Grote was voor zijn rijk, dat was de in de Munsterkerk begraven Gelderse graaf Gerard IV voor zijn graafschap.

De dom van Spiers (2015)

De Munsterkerk staat te boek als een typisch product van Rijnlandse architectuur maar klaverbladvorm en dwerggalerijen zijn dus geen oorspronkelijk Rijnlandse elementen. Volgens kunsthistorica Elisabeth den Hartog zijn ze zelfs vanuit Spiers via het Maasland in het Rijngebied terecht gekomen.
Daarbij gaat het eigenlijk om de vraag welke kerk met oostpartij met torens en dwerggalerij het oudst is.
Volgens Den Hartog is dat geen van de bovengenoemde kerken in het Rijnland, maar de Sint-Servaaskerk in Maastricht. De uit de 11de eeuw daterende oostpartij van de Sint-Servaas, oorspronkelijk zonder torens en zonder dwerggalerij, werd in de twaalfde eeuw vervangen door nieuwbouw (tevens de huidige situatie) mét torens en dwerggalerijen. Volgens de traditionele geschiedschrijving zou de bouwheer van Maastricht zich daarbij hebben laten inspireren door de iets oudere Munsterkerk in Bonn, maar Den Hartog vermoedt dat het precies andersom is. Zij wees erop dat in de oudste kerken het ‘verticale element’ in het koor veel prominenter aanwezig was dan bij de later gebouwde kerken.
 De Sint-Servaas heeft een veel verticalere opzet dan de kerk in Bonn, wat de veronderstelling voedt dat de oostpartij van ‘Maastricht’ ouder is dan die van Bonn. Niet Bonn, maar Maastricht zou dan de stad in de streek van Maas- en Nederrijn zijn geweest, waar deze vorm van oostbouw met dwerggalerijen het vroegst opdook. Vanuit Maastricht zou dit beeld zich dan hebben verspreid naar Bonn en de andere bovengenoemde Rijnlandse kerken uit de twaalfde eeuw. Later verrezen soortgelijke oostpartijen ook in Neuss (1209) en de Roermondse Munsterkerk (1220).

Waartoe diende de dwerggalerij eigenlijk? Was het alleen een bouwkundige verfraaiing?
 De dwerggalerij van de St.-Servaas in Maastricht had een functie die direct te maken had met de kerk als bewaarder van kostbare relieken. Vanaf de galerij, die zich aan de kant van het Vrijthof bevindt, werden deze relieken op bepaalde dagen getoond.
Ook de Munsterkerk had omstreeks 1225 reliekschatten en trok pelgrims. Of deze vanaf de dwerggalerij aan de gelovigen werden getoond is niet zeker. Een verschil met de Sint-Servaas is in elk geval dat de dwerggalerij daar lag aan het het Vrijthof, waar de pelgrims samenstroomden.


Aangehaalde literatuur:

  • J.J. Terwen, De bouwkunst van het Noorden 1000-1500, in: Algemene Geschiedenis der Nederlanden dl. 3, Bussum 1982, blz. 308.
  • B. van Hellenberg Hubar, Van monument in de marge tot symbolische architectuur. De Munsterkerk te Roermond als toetssteen der stijlkritiek, in: Bulletin KNOB 1988-1, blz. 9-20.
  • E. den Hartog, Romanesque Architecture and Sculpture in the Meuse Valley, Leeuwarden 1992, 56-64.
  • G. Venner, Roermond als bedevaartsoord omstreeks 1225, in: De Maasgouw 103 (1984) kol. 179-182.

Wijnhandel in een gotisch huis

Deel van de voorgevel met ornament van een wijngod en wijnranken. Foto: L. Tangel/RCE

Aan de gevel van het gotische huis in de Brugstraat is een gebeeldhouwde wijngod aangebracht. Het lijkt een authentiek detail bij dit oude koopmanshuis, maar het ornament is relatief nieuw en werd pas aangebracht bij een restauratie in de jaren 1942-1943, in opdracht van de toenmalige eigenaar, de jong overleden Henri Drehmanns (1919-1945).


Welke beeldhouwer de ornamenten heeft gemaakt is niet precies te achterhalen. In de papieren die betrekking hebben op deze restauratie, in bezit van de familie Drehmanns, duikt de naam van een steenhouwer genaamd Spee op, maar een voornaam of initialen ontbreken. Mogelijk betreft het hier een van de ornamentstekers van die naam die in het verleden hebben gewerkt in het atelier van Pierre Cuypers, al zouden die in 1942 behoorlijk op leeftijd zijn geweest. Voor de vervaardiging van het ornament werden meer dan 250 uur in rekening gebracht.
Het ornament, zo breed als de hele gevel, was eigenlijk één groot reclamebord dat op niet mis te verstane wijze de aandacht vestigde op de business die er door Drehmanns werd gedreven: een wijnhandel. Langer dan een eeuw was het gotische huis aan Brugstraat 7 eigendom van deze familie.
De familie Drehmanns, waarvan de oudst bekende voorvader afkomstig was uit Süchteln (tegenwoordig een deel van Viersen) was één van de families uit het Duitse Rijnland die in de eerste helft van de negentiende eeuw naar Roermond trokken. De betekenis van deze vooral Rijnlandse emigranten voor de ontwikkeling van de stad was aanzienlijk. Het waren van oorsprong Duitse ondernemers als Philip Claus (textielfabrikant) en Jacob Burghoff (papier) die van Roermond een voor Nederlandse begrippen vroeg centrum van industrialisatie maakten.

De eerste Drehmanns die zich in Roermond vestigde, was Frans Joseph (1806-1876). In 1825 trok hij vanuit Krefeld naar Roermond, en zette hier een wijnhandel en likeurstokerij op poten. Daarmee trad hij in de voetsporen van zijn voorvaderen, die ook al actief waren in die branche. In 1857 kocht Frans Joseph Drehmanns het gotische huis in de Brugstraat van de graveur Jan Michiel Dionisy, die het pand lange tijd met zijn vader had bewoond.
In 1858, dus een jaar na de koop van het gotische huis liet Drehmanns het huisje links ervan bouwen. Volgens de voormalige stadsarchivaris Mart Smeets bevond zich daar oorspronkelijk waarschijnlijk een inrijpoort die leidde tot het achtererf van het gotische huis. Een in de kelder van het gotische huis gevonden hardstenen gevelsteen met het jaartal 1628 en de initialen HK (van een bewoner in de 17de eeuw, genaamd Hendrik Kindt) diende mogelijk als sluitsteen van deze poort. Wanneer die toegangspoort is gesloopt, is onbekend. Op de als betrouwbaar te boek staande stadskaart van Herman Janssens uit 1671 is op deze plaats in ieder geval reeds aaneensluitende bebouwing te zien.
Na het overlijden van Frans Joseph Drehmanns in 1876, werd de Roermondse wijnhandel en likeurstokerij voortgezet door zijn zoon Henri (1841-1924) die zich ontwikkelde tot een van de belangrijkste ondernemers van Roermond. De firma Drehmanns had ook nog een tak in Maaseik, waar Louis Drehmanns, een andere zoon van Frans Joseph aan het roer stond.
 Henri Drehmanns was echter degene die de Roermondse wijngroothandel verder uitbouwde. Hij importeerde rechtstreeks van de wijnbouwers, bezocht daarvoor elk jaar de wijngebieden en exporteerde tot het uitbreken van de eerste wereldoorlog op grote schaal wijnen naar Duitsland. In de collectie zaten de duurste wijnen, zoals Mouton Rothschild. Voor zo’n exclusieve wijn moest je natuurlijk diep in de beurs tasten: bij Drehmanns koste hij liefst vier gulden!

Klap

Henri Drehmanns, geportretteerd door Heinrich Windhausen

In 1885 krijgt Drehmanns een enorme klap in zijn privé-leven, als zijn vrouw Caroline overlijdt. Henri is dan 44 jaar, en blijft achter met zijn twee kleine zoontjes, kleuters nog. Met zijn gezin woonde hij aan de Zwartbroekpoort, maar na het overlijden van zijn vrouw besluit hij in te trekken bij zijn moeder en zus, die nog in het ouderlijke (gotische) huis aan de Brugstraat wonen. De opvoeding van de twee jongens wordt voor een gedeelte aan die vrouwen overgelaten, Henri stort zich op zijn werk en op de plaatselijke politiek.
 Drehmanns was één van de kartrekkers van de in 1877 opgerichte RK Kiesvereeniging, kwam in 1887 in de Gemeenteraad, en was van 1897 tot 1913 wethouder. Ongetwijfeld had de familie Drehmanns na 1900 een hele dikke vinger in de Roermondse pap. Niet alleen omdat Henri wethouder en kopstuk van de machtige katholieke partij was, maar vooral ook omdat in dat jaar zijn jongere broer Josephus Drehmanns (1843-1913), werd benoemd tot bisschop van Roermond.
In 1903 verlaat Henri Drehmanns het gotische huis, en koopt hij het grote pand Neerstraat 56 (het huis met het putbeeld, recht tegenover de Paradisstraat).

Kelderruimte

Ondertussen floreerde de wijnhandel, die met name in de afzet richting Duitsland een sterke internationale component had.
Drehmanns had echter één probleem: kelderruimte. De opslagmogelijkheden in het gotische huis waren beperkt, en het ging bepaald niet om een kleine hoeveelheid. In 1890 berekende Henri de voorraad op 97.788 liter, en in de jaren daarna bleef de voorraad hangen rond de 100.000 liter, met uitschieters naar bijna 150.000 liter. Al met al lagen er tweehonderdduizend flessen! Waar moest hij al die wijn laten?
Om de wijn te kunnen opslaan was Drehmanns ertoe over gegaan om op diverse plaatsen in de buurt van de Brugstraat kelderruimte te huren. Zo lag er bijvoorbeeld wijn opgeslagen in de gewelvenkelders aan de Marktstraat (het pand waar tegenwoordig Dagblad de Limburger zit, maar ook verderop, onder het pand van de latere zaadhandel van Wolters). Ook had hij voorraden ondergebracht in het pand Hiegentlich, aan de Markt (tot voor kort: Laumen). En natuurlijk was er de diepe kelder van het gotische huis zelf. In totaal huurde Drehmanns zeven kelders in dit deel van de stad.

De ondergrondse onderkomens garandeerden weliswaar goede en constante temperaturen, maar de verspreiding van de waar over verschillende lokaties was natuurlijk verre van ideaal.
Enige leniging in de nood vormde de aankoop, rond 1900, van een kelderloos pand aan de Roersingel waar de wijn gelijkvloers werd opgeslagen. Dat ‘entrepot’, staat er nog steeds: het huisje met de klokgevel naast restaurant De Roerganger. Het entrepot werd na de oorlog volledig nieuw vormgegeven door architect Jan Bongaerts.
Ondertussen bleef Drehmanns trouwens ook gewelvenkelders huren. Hij moest wel, want de voorraad groeide gestaag verder tot (in 1913) 197.341 liter (263.100 flessen).

Minderbroederssingel

In 1907 greep Drehmanns zijn kans. Aan de Minderbroederssingel werden de laatste restanten van de oude stadswallen gesloopt, waardoor er tegen gunstige voorwaarden (zes gulden per vierkante meter) grond vrij kwam, direct grenzend aan de achtertuin van zijn pand in de Neerstraat. Henri Drehmanns (inmiddels 66 jaar oud) bouwde er een nieuw, hypermodern bedrijfspand, waarin een grote opslagruimte werd gerealiseerd. Op twee niveaus liet hij een smalspoortje aanleggen, om de ‘order picking’ efficiënter te laten verlopen. In de voorraadkelders voerde het spoortje naar een soort overlaadplateau. Daar konden de flessen door middel van een elektrische (!) takelinstallatie een verdieping hoger worden gehesen, waar ze werden geëtiketteerd en klaargemaakt voor verzending. Ook de bovengrondse ruimtes waren door middel van een smalspoortje met elkaar verbonden.
Zeker in kleine, stedelijke bedrijven kwamen smalspoortjes weinig voor. Het toeval (of niet?) wil, dat er hier twee vlak bij elkaar lagen, die beide dateerden van 1907. Even verderop, in de Neerstraat, had Jacques Cillekens (van ijzerwarenhandel Cillekens-Dreessens) immers óók een smalspoortje laten aanleggen, dat de verschillende delen van zijn onderneming met elkaar verbond. Je vraagt je af of Drehmanns en Cillekens, in die tijd beide gearriveerde maar nog altijd uiterst ambitieuze ondernemers, het er met elkaar over hebben gehad.
Het gotische huis was vanaf die tijd niet meer het punt van waaruit de wijnhandel plaatsvond en werd verhuurd aan H. Engels, die er een winkel in ‘galanterieën en metaalwaren’ vestigde.

Straatbeeld van de Brugstraat omstreeks 1920, toen het gotische huis tijdelijk verhuurd was aan H. Engels. Het ornament boven de etalages is er in die tijd nog niet.

Tikje zelfingenomen

Henri Drehmanns was een van de grote ondernemers van Roermond in het fin de siècle. Een man die lange tijd in het centrum van de macht stond. Hoe groot die macht was toen hij zelf wethouder, en zijn broer bisschop van Roermond was, laat zich raden. Hoe dan ook: een bijzonder energieke entrepreneur en politicus, een harde werker die betrokken was bij belangrijke initiatieven als de bouw van het slachthuis, en de aanleg van de tramverbindingen naar de omliggende dorpen.
Maar hij wordt ook gekarakteriseerd als drammerig en een tikje zelfingenomen.
 Die laatste karaktertrek lijkt hem parten te spelen als het bij de raadsverkiezingen van 1913 aankomt op een tweede stemronde, waarbij het gaat tussen Drehmanns en zijn rivaal dr. L. Stijns. Aan zo’n herstemming heeft Drehmanns, die dan al 26 jaar in de raad zat, totaal geen behoefte: hij werpt de handdoek in de ring, verklaart niet langer uit te zijn op verlenging van zijn mandaat en zegt de politiek abrupt vaarwel. Het lijkt erop dat hij zich in de steek gelaten en onbegrepen voelt door het electoraat van de stad, die hij zo lang heeft gediend.
 Nog datzelfde jaar verlaat hij niet alleen de politieke arena, maar ook de stad Roermond. Hij verhuist naar Maaseik, de geboorteplaats van zijn jong overleden vrouw én de stad waar de Belgische tak van het bedrijf was gevestigd. Ondanks dat Henri het vast even had gehad met Roermond, werd zijn vertrek óók ingegeven door het overlijden van zijn broer Louis, die de zaak in Maaseik bestierde. In Maaseik vestigt Drehmanns zich in de prestigieuze Boschstraat, achter de Markt.

Rampjaar

In de door Henri’s kleinzoon Jos (1925-2018) geschreven familiekroniek wordt het jaar 1913 bestempeld als een ‘rampjaar’. Daarmee wordt niet alleen gedoeld op de politieke nederlaag van Henri en het overlijden van broer Louis. Later dat jaar overlijdt ook Josephus, de bisschop.
 Een ramp van een heel andere orde voltrok zich een jaar later, toen in 1914 de eerste wereldoorlog uitbrak. Nederland bleef weliswaar neutraal, maar met de wijnexport was het  onmiddellijk gedaan. Drehmanns’ handel met Duitsland stortte compleet in: het kwartaal direct vóór het uitbreken van de oorlog bedroeg de export nog 9710 liter (13.000 flessen), het kwartaal erop nog maar tachtig liter…
In 1911 was een van Henri’s zonen, eveneens Henri (1883-1941) geheten, in de zaak gekomen. Nadat Henri senior in 1924 overleed, zette deze de zaak voort. Henri junior was ook degene die in 1935 het gotisch huis aan de Brugstraat een eerste keer restaureerde, en dat opnieuw deed toen het pand in de tweede wereldoorlog wederom schade had opgelopen.
Na de tweede wereldoorlog werd het bedrijf voortgezet door Jos Drehmanns, kleinzoon van Henri en later tevens directeur van het Limburgs Dagblad. Hij bouwde in 1955-1956 een woonhuis en kantoorruimte bovenop de wijnkelder aan de Minderbroederssingel 7. In 1973 besloot hij bij gebrek aan een opvolger om de wijnvoorraad te verkopen, waarmee na 150 jaar een einde kwam aan het familiebedrijf in Roermond. Het gotisch pand aan de Brugstraat werd kort na 1980 verkocht aan de familie Van den Bergh, die er nog steeds een sportzaak in drijft.

V.l.n.r.: het gotische huis in de jaren 1980, detail van een kruisvenster met daarboven de afbeelding van een wijngod, en het voormalige depot aan de Roerkade.

Met dank aan de heer J.J.M.H. Drehmanns, voor het ruimschoots en vriendelijk verschaffen van informatie over de wijnhandel en het gotische huis.

Oude meelfabriek werd modern kantoorpand

Een van de fraaiste overblijfselen van 19de eeuws industrieel erfgoed in Roermond is ongetwijfeld het kantoorpand van Wonen Limburg aan de Willem II Singel. Na een lange periode van verloedering en een eveneens lange restauratieperiode trok de wooncorporatie in april 2013 in het rijksmonumentale pand, dat toen prompt werd omgedoopt tot Wonen Limburg Huis.

Sindsdien is in het stationsgebied een monumentaal ensemble in eer hersteld met aan de overkant van het spoor de voormalige moutfabriek van Beltjens, in de richting van het station de door Sybold van Ravesteyn ontworpen watertoren  en nog iets verder de oude locomotievenloods.
Over het complex van Wonen Limburg bestaan enkele misverstanden en onduidelijkheden. Het eerste betreft de naam. Nog steeds wordt het gebouw vaak aangeduid als het Baco-complex. Ten onrechte, want de Baco koffiebranderij was er nooit gevestigd.
Dat zit als volgt: Vanaf de Veeladingstraat gezien staan er drie gebouwen. Eerst een appartementencomplex, dan een gedeeltelijk gesloopt gebouw en dan het complex van Wonen Limburg. De Baco had zijn kantoor in een tegenwoordig verdwenen gebouw dat stond op de plaats van het huidige appartementencomplex, in het gebouw daarachter vond productie plaats. In het gebouw waar thans Wonen Limburg huist, was de Baco nooit actief.
Ook over de datering heerst onduidelijkheid. De voormalige Baco-gebouwen worden omstreeks 1870 gedateerd, op grond van de daar aangetroffen gietijzeren constructie, die nog steeds zichtbaar is. Van het hoge gebouw is wel verondersteld dat het in 1905 werd gebouwd, omdat er een gevelsteen in is gevonden met het inschrift ‘Meelfabriek Arius van Andel 1905’.
Inderdaad was het complex gedurende enige tijd eigendom van meelfabrikant Johan van Andel, die een zoon had die Arius heette. In 1905 was deze Arius echter pas acht jaar oud. Zoals we verderop zullen zien werd deze steen waarschijnlijk geplaatst na een ingrijpende verbouwing, waarbij het oorspronkelijke zadeldak werd vervangen door het huidige platte dak.

Stoommeelmolen

Zowel het lagere gedeelte als het hoge gebouw lijken omstreeks 1875 te zijn gebouwd als stoommeelmolen van de firma Tijssen-Linssen. In april 1874 werd een vergunning aangevraagd voor het oprichten van dat gebouw.
In Roermond waren vanaf 1853 meerdere stoommeelmolens in bedrijf, om graan te malen. Nadat in 1864 het station was gebouwd en Roermond door middel van een treinverbinding werd ontsloten, werd het stationsgebied een aantrekkelijke vestigingsplaats voor bedrijven die deden in bulkgoederen. In 1868 bouwde Renier Smeets op de plaats van het huidige busstation al een stoommeelfabriek.
De fabriek die aan de andere kant van het station door Tijssen-Linssen werd gebouwd, zou de grootste stoommeelmolen van Nederland zijn geweest. Aanvankelijk leek het het bedrijf voor de wind te gaan. Een jaar na de opening werd al een aanvraag ingediend voor het plaatsen van een tweede stoomketel in hetzelfde gebouw. Wéér een jaar later, in 1877, ging het bedrijf echter al failliet toen de invoerrechten op meel werden afgeschaft en de markt als het ware overspoeld werd met goedkoop graan uit onder andere de VS.
In maart 1878 werd “de groote stoommeelmolen met annexe gebouwen, der vroegere firma Tijssen-Linssen, bij de spoorweg-station alhier, die sedert geruimen tijd stil heeft gestaan” in een publieke veiling verkocht aan een maatschappij, waarin waarschijnlijk ook Carl Trupp participeerde. In elk geval wordt een jaar later al gesproken van de “meelfabriek der Heeren Trupp en Co.”
Op de bekende kaart die F. Bingen kort voor 1900 vervaardigde, is duidelijk te zien dat het complex zich naar het zuiden uitstrekt tot aan de Veeladingstraat, en dat zowel de lagere gebouwen als het hogere deel erin zijn opgenomen.
Op de kaart, maar vooral ook op een briefhoofd uit het begin van de twintigste eeuw, is ook mooi de aftakking van het spoor te zien, die speciaal voor dit gebouw moet zijn aangelegd.
Op de kaart van Bingen werd het complex nog aangeduid als ‘Trupp & Cie’, maar Carl Trupp was toen waarschijnlijk al dood. Hij overleed begin mei 1888, op slechts 42-jarige leeftijd toen hij in de trein tussen Bonn en Keulen werd getroffen door een slagaderbreuk.

Van Andel

Dan verschijnt de in Dordrecht geboren Johannes van Andel op het toneel. In december 1888 trad hij al op als liquidateur bij de ontbinding van de firma Trupp en in 1890 was hij een van de vennoten aan wie de weduwe Trupp, die toen in Rotterdam woonde, het pand verkocht.
De nieuwe firma ging door het leven als Roermondsche Stoommeelfabriek Van Andel en Co., maar volgens G. Linssen in zijn dissertatie over de industriële ontwikkeling van Midden- en Noord-Limburg heeft Van Andel in Roermond nooit productie gedraaid. Hij zou het gebouw alleen als opslagplaats voor zijn graanhandel hebben gebruikt.
Zeker is dat Van Andel delen van het gebouw ook aan anderen verhuurde, als opslagruimte. Regelmatig verschenen in de plaatselijke kranten advertenties waarin opslagruimte in het complex te huur werd aangeboden. Onder anderen de bekende kermisexploitant Benner, die woonde aan het Stationsplein (broodjeszaak “Doedels”) maakte daar gebruik van.
In deze tijd onderging het gebouw ook een grote uiterlijke verandering. Op enkele tekeningen (gebruikt als briefhoofd) werd de oude situatie weergegeven met een zadeldak. Op één daarvan is het jaartal ‘190..’ al gedeeltelijk voorgedrukt, zodat de grote verbouwing tussen 1900 en 1910 moet hebben plaatsgevonden. Waarschijnlijk heeft de bovengenoemde gevelsteen uit 1905 hier mee te maken.
In april 1921 werden de “kapitale en nieuwe gebouwen der voormalige Meelfabriek der firma van Andel en Co. met bergplaats, machinekamer, grooten schoorsteen, erven enz. gunstig gelegen aan het emplacement der Staatsspoorwegen” geveild. Waarschijnlijk is toen niet het hele complex verkocht, want ook daarna worden er onder de naam Van Andel nog magazijnruimtes in verhuurd.
Als in 1925 een luchtfoto van het complex wordt gemaakt, is het hoge gebouw in elk geval al eigendom van de Eerste Nederlandse Rijwielenfabriek van Burgers, die de hoofdvestiging had in Deventer. Ook is dan het zadeldak vervangen door een plat dak. Ook op deze foto is heel mooi de aftakking van het spoor te zien.

Luchtfoto van het complex in 1925. In die tijd was de fietsenfabriek van Burgers in het hoofdgebouw gevestigd, dat toen al geen zadeldak meer had. Duidelijk is nog de aftakking van het spoor te zien, die tot vlakbij het gebouw kwam, en op de voorgrond de laadperrons die nog lange tijd daarna werden gebruikt door Van Gend en Loos. In de lagere gebouwen links, grenzend aan de Veeladingstraat, was de Baco gevestigd. Alleen het gebouw met het zadeldak is voor een gedeelte behouden. Op het dak daarvan is nu een vlindertuin gemaakt.

Sigarenfabriek Ernst Casimir

Tijdens en direct na de oorlog waren verschillende bedrijven in het pand ondergebracht. Na de bombardementen op de binnenstad in 1944, vestigde bijvoorbeeld drukkerij Van der Marck zich daar. De drukkerij bleef er zitten tot ze in 1958 verhuisde naar een nieuw pand aan de Dr. Philipslaan.
In 1954 werd het hoge gebouw, dus het gedeelte waar nu Wonen Limburg zit, gekocht door sigarenfabriek Ernst Casimir van de familie Steuns die voor die tijd aan de Kapellerlaan was gevestigd. Het gebouw was toen enige tijd in de lengte verdeeld. Aan de stadskant zat Van der Marck, aan de spoorkant de sigarenfabriek. Aardig detail is dat de ruim opgezette bedrijfskantine eind jaren zestig nog een tijdje dienst deed als repetitielokaal van “de keuninklikke”, de Koninklijke Harmonie.
Maar niets duurt eeuwig. Sigarenfabriek Ernst Casimir beëindigde de productie in 1970, vier jaar later werd het gebouw verkocht aan Berden Meubelen en die werden weer opgevolgd door Wonen Limburg.

Wonen Limburg heeft de voormalige meelmolen opvallend verbouwd: in het gebouw is als het ware een glazen doos opgetrokken, waardoor het karakter van het gebouw behouden blijft. Door deze ruime spouw wordt ook het klimaat gereguleerd.
In het gebouw, dat nu is omgedoopt tot “Wonen Limburg Huis”, is plaats voor ongeveer 170 werkplekken. Voor een groot gedeelte zijn dat flexwerkplekken. Om de naam “huis” eer aan te doen, is het pand ook min of meer ingericht als een woonhuis: zonder balies, maar mét een woonkamer voor ontmoetingen, studeerkamer, leefkeuken.
Het ontwerp voor de verbouwing is van SatijnPlus Architecten. Martijn Frank Dirks ontwierp de inrichting.

Foto: SatijnPlus Architecten

Met dank aan dhr. L. Steuns, de laatste directeur van Ernst Casimir Sigarenfabriek.

Een “barbaarsche afbraak”

Beeld van het oude kazerneterrein vóór 1924. Het gedeelte dat zich uitstrekt in de richting van het Munsterplein was in essentie nog dertiende-eeuws. De dwarsgevel waar we tegen aan kijken werd ook in 1924 gesloopt maar dateerde uit de achttiende eeuw. Foto Gemeente-archief Roermond (GAR).

 

In 1924 werd aan de Graaf Gerardstraat in Roermond het zogenoemde “oud-klooster” afgebroken. Pas tijdens de sloop bleek dat men bezig was een van de oudste, nog uit de dertiende eeuw daterende gedeeltes van de oude Cisterciënzer-abdij te slopen. Het werd een monumentenrel die veel stof deed opwaaien. Een reconstructie.

Op 29 oktober 1923 stonden vier mannen voor de ingang van het zogenaamde “oud-klooster”, ongeveer aan het einde van de Graaf Gerardstraat waar de pandtuin bij de Munsterkerk begint. Het waren dr. Jan Kalf, directeur van het Rijksbureau voor de Monumentenzorg en zijn medewerker dr. Berlage, architect ir. Jos Cuypers en het hoofd van de Roermondse gemeentewerken ing. Kuylaars.
Kalf en Berlage waren op verzoek van de gemeente Roermond uit Den Haag gekomen om aanwezig te zijn bij de presentatie van Cuypers’ plannen voor de herinrichting van het kazerneterrein, diezelfde dag in het stadhuis. Die plannen voorzagen onder andere in de sloop van het oud-klooster, een gebouw waar eigenlijk door niemand veel waarde aan werd gehecht en dat kort daarvoor nog in gebruik was geweest door het garnizoen. Menigeen zag er vooral een obstakel in dat de Munsterkerk niet tot zijn recht liet komen.
Nu ze toch in Roermond waren, zouden Kalf en Berlage het gebouw nader bekijken, een soort cultuur-historische quickscan.
Wat die dag precies werd besproken en wat er gebeurde, is onduidelijk vanwege de elkaar tegensprekende berichten. Het eind van het liedje was in elk geval dat toen werd besloten dat het oud-klooster afgebroken kon worden. De eventuele monumentale waarde van het gebouw, zou niet opwegen tegen de stedebouwkundige voordelen die sloop met zich meebracht.
De officiële versie is die van Kalf. Kort na de sloop, in maart 1924, schreef hij een uitgebreid verslag aan de minister van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen waarin hij meldde het gebouw op die bewuste dag “in en uitwendig bekeken” te hebben. Hier en daar waren naar aanleiding van deze inspectie wel wat aarzelingen ontstaan, maar “… na eenig beraad moesten Dr. Berlage en ik den heer Cuypers toegeven, dat het niet aanging, terwille van zóó armelijke overblijfselen van een oud gebouw, aan een rationeele bebouwing van het kazerneterrein moeilijkheden in den weg te leggen.”

Maar was dat echt zoals het gebeurde? In 1942 zette Jos Cuypers zijn versie van de gebeurtenissen op papier en stelde zijn aantekeningen ter hand van de Roermondse historicus en archivaris Mart Smeets. Cuypers kwam met een heel ander verhaal. Volgens hem had Kalf nooit een inpandig onderzoek verricht. Aangekomen bij de ingang van de gebouwen zou gemeente-ambtenaar Kuylaars hebben aangegeven dat hij geen sleutels bij zich had. Niet zo erg, zo werd er volgens Cuypers nog bij gezegd: binnen was toch niet meer te zien dan “naakte vlakke muren.”
Volgens Cuypers werd het besluit tot sloop dus genomen zonder dat daar een deugdelijk onderzoek aan vooraf ging. “Dit is een tekortkoming geweest tegenover de algemeene instructies voor archeologisch onderzoek.”
Mart Smeets, die het verhaal op verzoek van Cuypers pas na diens dood publiceerde, ging nog een stap verder. Hij concludeerde dat Kalf, de hoogste ambtenaar van monumentenzorg, willens en wetens de procedures aan zijn laars had gelapt, en vermoedde tevens boze opzet van de gemeente. Roermond was er immers op uit om een vrij terrein voor verkaveling en bebouwing te verkrijgen, de voorgenomen sloop maakte onderdeel uit van de werkloosheidsbestrijding en ten stadhuize had men het niet begrepen op vertraging omwille van onderzoek.
Het eind van het liedje was in ieder geval dat op die dag het doodvonnis over het gebouw werd geveld. Tijdens de sloop werd pas duidelijk wát er eigenlijk werd afgebroken: achter lelijk en onbeduidend muurwerk ging een belangrijk, nog uit de dertiende eeuw daterend onderdeel van de oude abdij schuil.

De Munsterkerk voor de ingrepen door Cuypers, in de jaren 60 van de negentiende eeuw. Op de plaats waar nu de Zuidwest-toren staat, is nog de aanzet zichtbaar van een zadeldak dat behoorde tot de oude kloostervleugel, die kort voor 1840 verdween. Foto: Gemeente Archief Roermond.

Ontluistering

De ontluistering van de abdij was al veel eerder begonnen. De Munsterkerk was oorspronkelijk niet vrijstaand. Ongeveer parallel aan de kerk lag het oud-klooster, en van daaruit sloten een west- en een oostvleugel aan op het kerkgebouw.
De delen die het oud-klooster met de kerk verbonden, waren aan het eind van de achttiende eeuw al verdwenen. Kort na 1781 werd de oorspronkelijke, op het transept aansluitende oostvleugel al gesloopt en verder naar het oosten (richting Hamstraat) verlegd. De westvleugel die ongeveer ter hoogte van de huidige zuid-westtoren op de kerk aansloot, en dateerde uit de dertiende eeuw, verdween kort voor 1840.
Een volgende grote verandering kwam met de aanleg van het Munsterplein, waarvan de plannen al dateerden uit 1857. Om een open stadsruimte te creëren werd de metershoge muur om het kloostercomplex gesloopt maar ook het voormalige, uit de vijftiende eeuw daterende abdissenhuis en de brouwerij. De woning van de abdis (later omgebouwd tot Huis van Bewaring) bevond zich ongeveer ter hoogte van de huidige kiosk en stond er al vóór 1456. Ondanks die ouderdom werd het gebouw in 1865 zonder een spoor van protest afgebroken. “Geruisloos,” merkte voormalig gemeente-archivaris J. Baron van Hövell tot Westerflier daarover op. Ook de notaris en ‘oudheidkundige’ Ch. Guillon, die enkele jaren later luidruchtig strijd voerde met Cuypers over diens ingrijpende restauratie van de Munsterkerk, liet toen niet van zich horen. Niet zo vreemd, want toen de Munsterpleinplannen in 1857 werden ontwikkeld was hij wethouder: de plannen en de daarmee gepaard gaande sloopacties kwamen uit zijn koker.

Geen protesten

De sloop van het oud-klooster in 1924 was dus het slotstuk van een proces van ontmanteling dat al meer dan een eeuw gaande was. Ondanks dat vanaf de jaren 60 van de negentiende eeuw een soort ‘monumentenbesef’ ontstond, blijkt daarvan nog helemaal niets bij de geleidelijke afbraak van de Munsterabdij. Toen Jos Cuypers in oktober 1923 zijn plannen voor de reconstructie van het kazerneterrein ontvouwde en duidelijk werd dat daarin voor het oud-klooster geen plaats was, klonken er geen protesten. Integendeel, de reacties waren overwegend positief. Eindelijk zou nu de Munsterkerk verder worden vrijgelegd. En wat ook belangrijk was: voor menigeen stond vast dat de sloop in overeenstemming was met de denkbeelden die de twee jaar eerder overleden en door velen geadoreerde Pierre Cuypers had over ‘zijn’ kerk.
De oudheidkundige organisaties hulden zich in stilte. In Roermond toonde A.F. van Beurden, oprichter van ‘Limburg, Provinciaal Genootschap voor Geschiedkundige wetenschappen, taal en kunst’ zich ingenomen met de plannen en ook toen al bestaande verenigingen als de Bond Heemschut en de Nederlandse Oudheidkundige Bond lieten niet van zich horen.

Schematische weergave van de Munsterabdij voor de grote sloopacties. Gebouw I is de Munsterkerk, de zwartgekleurde gebouwen zijn gesloopt. De in 1924 gesloopte delen zijn IIIa en IIIb. Het meest waardevolle gebouw was IIIa, dat dateerde uit de dertiende eeuw. IIIb werd tussen 1781 en 1787 gebouwd. De kloostervleugel IV werd vóór 1840 al gesloopt. Het abdissenhuis is afgebeeld als gebouw Va. Afbeelding in: Bull. KNOB 71 (1972), tegenover blz. 88.

 De stemming slaat om

De stemming sloeg echter pijlsnel om toen eind januari 1924 werd begonnen met de sloop. Eerst was het dak aan de beurt. Tevoorschijn kwam toen, in de woorden van Cuypers: “een prachtige eikenhouten kap, die als spitsboogrij springend van de eene lange muur naar de andere stond met vele kepers die de boogvorm volgden, zooals nog in vele kerken in Noord-Nederland te zien is.
Voor het gemeenteraadslid A. Bongaerts was dat reden om al op 1 februari de alarmklok te luiden omdat de oude kloostermuren volgens hem zoveel oudheidkundige waarde hadden, dat deze behouden moesten blijven. Het gemeentebestuur richtte zich tot het Rijksbureau voor Monumentenzorg (Kalf) met het verzoek om de situatie ter plaatse nog eens te onderzoeken. En wel graag zo snel mogelijk “… daar men met het sloopingswerk -ter bestrijding der werkloosheid – niet langer kan wachten.” Erg veel enthousiasme voor de ontdekking van een middeleeuws kloostergebouw klinkt daar niet in door.
Kalf had nog wat anders te doen en reisde pas een week later (7 februari) af naar Roermond. Het dak en de toppen van de dwarsgevels lagen er toen al af. Tevens werd duidelijk dat de noordelijke muur van het gebouw van mergel was. Hier kwamen venstertjes van Naamse steen en restanten van een geprofileerde kroonlijst aan het licht die eerder verborgen waren gebleven onder het dak.
Hoewel duidelijk werd dat het oud-klooster van grotere monumentale waarde was dan gedacht, bleek het in gang gezette proces niet meer te stoppen. Afblazen van de sloop kwam niet aan de orde. Kalf kon in zijn rapport maar weinig waardering opbrengen voor de restanten van het klooster, maar moest toch toegeven dat hier misschien iets waardevols verdween. “Wij hadden vóór ons een geheel verminkten romp, leelijk voor het oog, maar oudheidkundig niet zonder belang.” Hij stelde nogmaals voor om alles goed na te meten, “voorzichtig” te slopen en goed in de gaten te houden wat er gedurende het sloopproces aan het licht zou komen, om zodoende achteraf een reconstructie van het klooster te kunnen maken. Kuylaars kreeg opdracht om de zaak te fotograferen en nauwkeurig op te meten.

Prestige

Dr. P.J.M. van Gils, de felste tegenstander van de sloop

Wat er eigenlijk gebeurde, was dat gedurende de sloop steeds duidelijker werd dat het oud-klooster vanuit kunsthistorisch oogpunt belangrijker was dan gedacht. Kalf lijkt zich te hebben vergist. Als we Jos Cuypers mogen geloven had hij zich bovendien niet aan de voorgeschreven procedures gehouden, en zichzelf daardoor in een precaire positie manoeuvreerd die het hem onmogelijk maakte zonder gezichtsverlies terug te komen op zijn eerdere standpunten.
Gemeenteraadslid Bongaerts was de eerste die zich roerde, maar nu kwam er steeds meer protest vanuit de hoek van historisch geïnteresseerden. Ook de plaatselijke kranten volgden de ontwikkelingen op de voet.
Tot de felste tegenstander van de sloop ontpopte zich dr. P.J.M. van Gils (1869-1956), priester, classicus, docent, onderwijs-inspecteur én sinds 1921 lid van het bestuur van het Limburgs Geschied- en Oudheidkundig genootschap.
Tijdens een bijeenkomst over de plannen tot vrijlegging van de Munsterkerk op 12 februari vroeg Van Gils het woord en gaf vervolgens het gemeentebestuur de wind van voren. De vrijlegging van de kerk berustte niet op historische gronden, betoogde hij. En trouwens: waarom had de gemeente zich alleen laten informeren door Haagse geleerden als Kalf en waren er geen Limburgse deskundigen geraadpleegd?
Vanaf dat moment ontwikkelde de discussie over het oud-klooster zich tot een prestigekwestie. Van Gils, die aanvankelijk geen enkel protest had laten horen tegen de plannen van Cuypers, profileerde zich nu opeens als een actievoerder die gemeenteraadsleden en krantenredacties probeerde te mobiliseren. Hij verweet Kalf een gebrekkige kennis van de regionale geschiedenis. Kalf kon of wilde niet terugkomen op zijn eerder ingenomen standpunten en pakte zijn tegenstander hard aan op diens beperkte bouw- en kunsthistorische kennis.

Oude kapittelzaal

Ondertussen ging de afbraak verder en kwam er hoe langer hoe meer aan het licht. Op 20 februari ontplofte de zaak, toen opnieuw fraaie restanten van dertiende-eeuwse architectuur aan het daglicht kwamen en bleek dat men bezig was de oude kapittelzaal te slopen.
Van Gils seinde onmiddellijk naar het dagblad De Tijd: “Zuilen, kapiteelen, basis en duidelijke sporen van schilderwerk met nog eenig bladornament zijn aanwezig. Dit is een hoogst merkwaardige ontdekking.”
Een dag later gaf hij in dezelfde krant Kalf een veeg uit de pan. “Het geheel is eenig in ons vaderland. Ten diepste is het te betreuren, dat in de beroemde kunststad zoo meedoogenloos het oude klooster, wellicht het merkwaardigste woonhuis nog in Nederland bestaande, is gesloopt en vernietigd. Welk aandeel bij deze droevige vernietiging van dit monument, dat met den oorsprong en heel de latere geschiedenis der stad is samengeweven, de Rijksmonumentencommissie heeft gehad, zal nader moeten blijken. Zeker is dat dr. Kalf, voorzitter dier commissie, het gemeentebestuur van advies gediend heeft.”
Van Gils riep op om bij Limburgse experts advies in te winnen en geen moeite te sparen om “wetenschap en kunst te dienen. Roermond smeekt en bidt er om.”
Naar aanleiding van de nieuwe vondsten liet de gemeente de sloop tijdelijk stopzetten, en reisde Kalf opnieuw af naar Roermond. Daar bleek inmiddels ook de verdieping al te zijn gesloopt en was men aan de oostkant begonnen met het neerhalen van de benedenmuren. Daarbij waren de fraai gebeeldhouwde kapitelen en een muurschildering voor de dag gekomen. Van Gils kon zich niet voorstellen dat ergens in Nederland mooiere kapitelen aangewezen konden worden, en hekelde de “barbaarsche afbraak.” Kalf stelde in iets soberder bewoordingen vast dat de barbarij zich al eerder had voltrokken: de zaal had in het verleden een functiewijziging ondergaan, waarbij het er tijdens de verbouwing niet zachtzinnig aan toe was gegaan. “Wanneer (…) de oude wand er afschuwelijk verminkt uitziet, dan is dat dus geenszins de schuld van hen, die het gebouw thans sloopen, maar van een vroeger geslacht, dat de zaal veranderde.”
Van Gils kon foeteren en schrijven wat hij wilde, de sloop ging verder. Kalf kwam niet op zijn standpunten terug, en de politieke wil om het klooster te redden ontbrak. Zelfs ideeën om enkele kapitelen in te metselen in omliggende gebouwen haalden het niet.

Spijt

Aan Jos Cuypers schijnt de hele discussie voorbij te zijn gegaan, juist in de tijd dat de rel over de sloop speelde zou hij in het buitenland zijn geweest. Pas begin maart was hij weer op het voormalige kazerneterrein. Nu ik dezen morgen de gelegenheid had om mij ter plaatse rekenschap te geven van hetgeen alsnog overeind staat, verandert mijn inzicht natuurlijk omtrent mijn ontwerp zeer sterk. In een vroeg stadium had volgens Cuypers de sloop moeten worden stilgelegd “… en zoodra die prachtige architectuur langs twee wanden van de 7×20 M. groote zaal aan den dag kwam [had] onvoorwaardelijk behoud van dit zoo zeldzaam vroeg 13e-eeuwsch stuk binnenarchitectuur” vooropgesteld moeten worden. In dat geval, zei Cuypers, had hij zijn plan voor het kazerneterrein eenvoudig kunnen aanpassen.
Het was allemaal te laat.
Nadat de restauratie van de Munsterkerk door Pierre Cuypers voor veel rumoer zorgde, was de sloop van het oud-klooster in 1924 aanleiding voor een tweede ‘monumentenrel’. Hoe zou het zijn geweest als het oud-klooster met zijn kruisgang, behouden was gebleven? Hadden we dan midden in de stad een oud kloostercomplex gehad, zoals bijvoorbeeld in Bonn? Was het gebouw door eerdere verbouwingen écht zo “afschuwelijk verminkt” als Kalf schreef, of deed die zijn best om het belang ervan te ‘downplayen’? We weten het niet. Het enige wat ons nog rest van het oud-klooster, zijn enkele basementen en kapitelen in het depot van het Historiehuis.

 

FAMILIEWAPENS IN DE KLOOSTERGANGEN

In 1897 beschreef A.F. van Beurden de familiewapens die de in het klooster verblijvende zusters (allen “adellijke juffers”) hadden laten aanbrengen in de voormalige kloostergangen.
Althans datgene wat aan het eind van de eeuw daarvóór niet al was vernield door de Franse revolutionairen.
“Op grijzen grond plaatste men vier aan vier de stamwapens der adellijke juffers, na hunne intrede, de wapens waren in frissche kleuren gemaald, gescheiden door een ornament terwijl een schild of cartouche in gouden letteren den naam en het jaartal bevatte.”
En passant gaf hij ook een beschrijving van de kruisgang. “De kruisgang was hoog ongeveer 4 meter en breed 3 m en 60 c.m. Het gewelf was door op hun schuinen kant liggende balken in vakken van 1 m. 30 c.m. gedeeld en de tusschenruimten waren met tonbogen, in fraai metselwerk, gevuld. Om den anderen vond men een vischgraatboog of een boog met concentrisch metselwerk.”
Een deel van de gang waarin zich de door Van Beurden beschreven familiewapens bevonden was op dat moment in gebruik als kantine voor de onderofficieren. Een ander deel diende als paardenstal en smederij.

Foto: RCE Amersfoort

 

Het grafmonument van Mattis Maroyen en Jutt Bartelmans (1592)

In de St.-Christoffelkathedraal van Roermond is het grafmonument van Mattis Maroyen en zijn echtgenote Jutt Bartelmans ingemetseld.

Op de steen is het echtpaar ten voeten uit afgebeeld, realistisch weergegeven, gekleed volgens de mode van die tijd en met in gebedshouding gevouwen handen. De man en de vrouw zijn enigszins naar elkaar toegekeerd, in driekwart profiel. Het ingebeitelde omschrift in antieke kapitalen vermeldt dat Mathis Maroyen op 4 april 1592 overleed, slechts twee weken na het overlijden van zijn echtgenote op 21 maart van dat jaar:

ANNO 1592 DEN 4 APRILIS STARF MATTIS MAROYEN VND DEN 21 MARTY DES SELVIGE JAERS STARF JUTT BARTELMANS SYNE HVISFROVWE

Het snel na elkaar sterven van man en vrouw doet vermoeden dat beiden overleden als gevolg van een besmettelijke ziekte.

Tussen de beide figuren is een doodshoofd met gekruiste beenderen en een zandloper afgebeeld, twee symbolen van de dood die omstreeks 1600 herhaaldelijk voorkomen op Maaslandse grafzerken en dan, zoals ook hier het geval is, doorgaans worden verwerkt in het bovenste deel van de achtergrond. Aan hun voeten zijn de familiewapens afgebeeld, en in de vier hoeken de symbolen van de vier evangelisten: de adelaar (Johannes), het gevleugelde rund (Lucas), de engel (Matteüs) en de gevleugelde leeuw (Marcus). Ook de weergave van de evangelistensymbolen is eigen aan de Maaslandse grafkunst van die tijd. De grafsteen van pastoor Johannes Daniëls (overleden 1608) in de St.-Lambertuskerk in Neeroeteren toont dezelfde cirkelvormige motieven met daarin de evangelistensymbolen.

De gebruikte steen kwam waarschijnlijk uit een van de steengroeves uit de Maasvallei. De Naamse kalksteen is zeer fijnkorrelig, wat het mogelijk maakt om er fijne en scherpe groeven in te kappen.
Al sinds de 13de eeuw werd de Naamse steen via de Maas naar onze streek en verder stroomafwaarts vervoerd. Het is echter niet uitgesloten dat de zerk in een Luiks beeldhouw-atelier is vervaardigd. Hij is gemaakt in een zogenoemd vlak- of elementair reliëf. Het oorspronkelijke vlak van de zerk is daarbij behouden, maar de omtrekken van de hoofdfiguren zijn uitgespaard, en vervolgens een weinig uitgediept. Zo wordt een diepte-effect gecreëerd terwijl de figuren niet boven het oorspronkelijke vlak van de zerk uitsteken. Het is een techniek waarin met name de renaissance-kunstenaars uit Luik excelleerden.

Dat de twee echtelieden enigszins naar elkaar zijn toegekeerd, is kenmerkend voor deze renaissancestenen, waarbij de overledenen wat vrijer en in natuurlijkere houdingen worden afgebeeld dan daarvoor. Op de grafsteen van Jacob Eil en Elizabeth Groisbeck, die is ingemetseld in de kerk van Geijsteren en werd gemaakt na de dood van de vrouw (1574) is het echtpaar nog frontaal en in een veel stijvere houding uitgebeeld.

Gewichtige positie

Mathis Maroyen was een telg uit een bekende Roermondse familie, en bekleedde enkele belangrijke ambten, waaronder dat van raadslid, peyburgemeester, armenmeester en ontvanger van de licenten. Niet de eerste de beste dus. “De enorme grafsteen blijkt evenredig te zijn aan de gewichtige positie die hij in de stad innam,” schreef de voormalige archivaris Mart Smeets.
Pas bij de na-oorlogse restauratiewerkzaamheden in 1945 werd de bijzondere afbeelding van het echtpaar Maroyen ontdekt. Tot dan lag de bijna drie ton zware steen omgedraaid, met de vlakke kant naar boven op het O.L.Vrouwekoor. Aan deze vlakke zijde zijn verschillende namen van afstammelingen van de Maroyens ingebeiteld, die in hetzelfde graf werden bijgezet. Het oudst vermelde jaartal is 1687. Minstens vanaf die tijd maar waarschijnlijk nog langer, hebben de Maroyens met hun gezichten in het zand gelegen.
Waarom de zerk ooit is omgedraaid, is onbekend. Mogelijk stak de massieve grafplaat oorspronkelijk een beetje boven de vloer uit, iets wat in de zestiende eeuw niet ongebruikelijk was bij grafstenen voor de elite. Sommige van deze zerken lagen zelfs op korte pootjes of op een lage voet, zodat bezoekers er altijd omheen moesten lopen. Of dit bij de steen voor het Maroyen ook het geval was, is niet meer na te gaan. De geprofileerde afbeelding van het echtpaar zal echter nooit hebben aangemoedigd om er overheen te lopen.


Literatuur:

Caster, E. van en R. Op de Beeck, De grafkunst in Belgisch Limburg, Assen 1981.
Smeets, M., De kathedraal van Sint Christoffel te Roermond, Roermond 1953.
Kockerols, H., Monuments funéraires en pays Mosan 4. Arrondissement de Liège. Tombes et épitaphes, Malonne 2004.