Auteur: Rondom Roermond

Meester van Elsloo: “Limburgse Barbapapa”

Foto: Harry Segers

 

Van februari tot juni 2019 was in het Bonnefantenmuseum in Maastricht een grote tentoonstelling te zien van laat-gotische houten beelden die zijn toegeschreven aan de Meester van Elsloo. Van diens belangrijkste werk staat vast dat het tot 1850 in de Munsterkerk stond, reden waarom de kunsthistorische discussies over deze beeldensnijder ook in onze stad op veel belangstelling kunnen rekenen. Verantwoordelijk voor de overzichtstentoonstelling in Maastricht is Lars Hendrikman, conservator oude kunst van het museum.

“Ik begrijp wel dat in Roermond bij sommigen de wens leeft om de Meester van Elsloo aan de stad te verbinden, maar die wens is tot nog toe niet onderbouwd met harde feiten.”

Lars Hendrikman draait een beetje op zijn bureaustoel achter een grote werktafel die vol ligt met stapels boeken, catalogi en aantekeningen. Aan de muren hangen foto’s van houten beelden en een grote plattegrond van de zalen waar straks de tentoonstelling plaatsvindt. Twee jaar geleden nam hij de organisatie van die expositie op zich. Ondertussen werkt hij aan een nieuw boek over ‘de Meester’, dat in februari moet verschijnen, houdt hij lezingen en verricht hij aanvullend onderzoek. Over de relatie tussen Roermond en de Meester van Elsloo is hij stellig.

“Als er ook maar iets was geweest dat de werkplaats in Roermond situeert dan had ik dat natuurlijk graag opgeschreven. Liever dan te zeggen dat kunsthistorici, waarvan ik er zelf een ben, al jaren onderzoek doen en dat we eigenlijk nog steeds geen flauw idee hebben. Toch is dat laatste het geval. Helaas.”

Bijna tachtig jaar nadat de Sittardse kunsthistoricus Zef Timmers, toen nog een student, de naam Meester van Elsloo bedacht, is er dus nog steeds niets bekend over wie deze meester was, waar hij woonde en waar hij zijn atelier had. Het is zelfs nog onzeker of wat wij Meester van Elsloo noemen wel een mens van vlees en bloed was, of dat we ons meerdere werkplaatsen moeten voorstellen waar door meerdere beeldensnijders werd gewerkt, misschien wel gedurende meerdere generaties. “We hoopten het mysterie te gaan ontrafelen, en dat wij de antwoorden zouden vinden,” zegt Hendrikman, “maar die hoop hebben we al snel moeten opgeven.”.

In een klein artikel van slechts enkele bladzijden vestigde Timmers in 1940 de aandacht op een groep beelden, waarvan hij op stilistische gronden aannam dat ze door één beeldensnijder gemaakt moesten zijn. Het hoofdwerk van deze anonieme kunstenaar, een bijzonder fraaie Anna-te-drieën, bevond zich in 1940 en ook nu nog in de Sint-Augustinuskerk in Elsloo. Wat Timmers toen misschien al wist, en wat later door de Roermondse historicus Gerard Venner werd aangetoond, was dat het beeld tot 1850 in de Munsterkerk stond en in dat jaar door het Roermondse kerkbestuur werd verkocht aan de toen nieuwe kerk in Elsloo. Ook ontdekte Venner dat er al in de zestiende eeuw een Anna-altaar in de Munsterkerk stond, en tevens dat er juist in de periode waarin de Meester van Elsloo actief moest zijn geweest (omstreeks 1500) in Roermond beeldensnijders werkten met de naam Van Oell. Zijn we met deze Jan en Geurt van Oell op het spoor van de Meester van Elsloo, vroeg Venner zich destijds af.

Is Roermond op geen enkele manier een centrum te noemen voor de beelden van de Meester van Elsloo?

“Onderzoek in het verspreidingsgebied van de beelden levert ons een veertigtal namen van beeldensnijders op in de eerste helft van de zestiende eeuw. Daarvan zijn er in Venlo meer gedocumenteerd dan in Roermond, terwijl Venlo toch een kleinere stad was. Je moet niet te sterk vanuit de huidige situatie denken maar vooral kijken naar de situatie toen. Anders dan bijvoorbeeld Venlo en Maastricht had Roermond op dat moment nog geen houtstapel, dus niet het recht om hout over te laden en te verhandelen. En het voor handen zijn van genoeg en goed hout is toch een prettige bijkomstigheid voor beeldensnijders. Van de Maastrichtse beeldensnijder Jan van Steffeswert weten we dat hij pal naast de markt in Maastricht woonde waar ook hout werd verhandeld.

“Het is ontegenzeglijk waar dat de Anna-trits die ook op de tentoonstelling een centraal werk zal zijn, uit de Munsterkerk afkomstig is. Maar nergens is aangetoond dat het ook voor de Munsterkerk gemaakt is.”

Maar het is wel heel waarschijnlijk dat hij daar heel lang heeft gestaan

“Dat kán. Op een oude inventarislijst komt een Anna-altaar voor, wat daar op zou kunnen wijzen. Maar in de zestiende eeuw nam de cultus van Anna welhaast hysterische vormen aan en het had mij pas verbaasd als er géén Anna-altaar had gestaan. In iedere kerk stond er een. Dus het voorkomen van een Anna-altaar op deze inventarislijst heeft geen enkele bewijskracht. Maar goed, we kunnen het zeker ook niet uitsluiten.”

In Roermond staan opvallend veel beelden die zijn toegeschreven aan de Meester van Elsloo. Ook dat zou erop kunnen wijzen dat zich het atelier hier bevond

“Maar van de meeste beelden is onduidelijk waarom ze aan de Meester van Elsloo zijn toegeschreven. Neem de grafleggingsgroep in de Munsterkerk. Dat is wat mij betreft een typisch voorbeeld van de wens om de Meester van Elsloo aan Roermond te verbinden. Wat is nu specifiek het aanknopingspunt om deze beelden aan de Meester van Elsloo toe te schrijven? Ik zie het niet. Roermond wordt vaak als de stad van de Meester van Elsloo genoemd omdat hier een cluster van werken staat die aan de Meester van Elsloo wordt gekoppeld. Maar het is precies andersom: er is ooit de wens geuit om de Meester van Elsloo aan Roermond te koppelen en dus is een aantal in Roermond aanwezige werken aan hem toegeschreven. Dat is wat mij betreft een self fulfilling prophecy. En dan nóg, je hebt het dan over slechts enkele beelden op een groep van tweehonderd die aan de Meester van Elsloo zijn toegeschreven.”

Het verspreidingsgebied van de beelden komt min of meer overeen met het marktgebied van Roermond. Is dat geen aanwijzing?

“Vanaf het einde van de jaren 40 heeft men wel gedacht: Roermond ligt wel echt in het midden van dat verspreidingsgebied. Misschien kan hij daar vandaan komen. En dan is het natuurlijk wel heel prettig dat er ook een beeldhouwer gedocumenteerd is in Roermond. Maar het heeft geen enkele bewijskracht. Mijn collega Cynthia Osiecki heeft een ‘heat map’ gemaakt, waarbij we elk beeld in kaart hebben gebracht. Daaruit blijkt dat de kern van het verspreidingsgebied feitelijk het land van Thorn is, en niet Roermond. Thorn was het centrum van het verspreidingsgebied en daar zat de grootste cluster van beelden, waarvan zich er sommige nog op de oorspronkelijke locatie bevinden. Thorn is dan wel niet zo ver van Roermond, maar het is wel degelijk iets anders.”

Lars Hendrikman naast een aan de Meester van Elsloo toegeschreven beeld van de H. Antonius abt, oorspronkelijk afkomstig uit de kerk van Beegden.

Hendrikman oppert de mogelijkheid dat in Thorn een beeldsnijdersatelier bestond dat afhankelijk was van de abdij daar. Beeldensnijders die daar werkzaam waren, zouden dan hofkunstenaars zijn geweest, die niet ingeschreven hoefden te zijn bij een gilde en dus in de bronnen niet zijn terug te vinden als lid van zo’n gilde. In het verleden is ook wel de mogelijkheid geopperd dat we ons de Meester van Elsloo niet moeten voorstellen als één geniale beeldensnijder, maar veeleer als een atelier waar meerdere kunstenaars werkten. Dat zou niet alleen de stijlverschillen binnen het aan de Meester van Elsloo toegeschreven oeuvre kunnen verklaren, maar ook de enorme hoeveelheid van meer dan tweehonderd beelden.

Kon aan zo’n hof, bijvoorbeeld in Thorn, een groter atelier hebben bestaan?

“Ik kan me wel voorstellen dat zo’n beeldsnijder als er veel gemaakt moest worden, een aantal vakgenoten die hij kende, optrommelde. Er was ook toen natuurlijk een netwerk van mensen met hetzelfde beroep. Dan zouden er bijvoorbeeld dagloners kunnen zijn aangesteld. Een heel bekend fenomeen in die periode. In die ateliers zijn immers tal van jongens opgeleid die nooit meester zijn geworden. Ofwel omdat ze het niet wilden, ofwel omdat ze het niet konden betalen. Want jezelf inkopen in een gilde was in die tijd hetzelfde als jezelf tegenwoordig inkopen in een maatschap van chirurgen: dat kost geld. Als je jezelf kon laten inhuren door een meester beeldhouwer en zo in je levensonderhoud kon voorzien, dan hoefde je dus niet ingeschreven te zijn.

“Dat er echt grote ateliers bestonden, is onwaarschijnlijk. Ook in grote artistieke centra als Antwerpen of Brussel werkten in een kunstenaarsatelier zelden meer dan twee of drie personen, namelijk de meester, een dagloner en een leerling. Zou dat dan in kleinere centra anders zijn geweest? In 1974 is het wel geopperd dat er een enorme werkplaats moet zijn geweest in Roermond, maar dat is echt het terugprojecteren van een 19de eeuws fenomeen (bijvoorbeeld de werkplaats van P.J.H. Cuypers) op de late Middeleeuwen. Af en toe wordt er met dat idee nog wel geflirt, maar dat is ook omdat er niets beters is dan dat.”

Alle onduidelijkheid, zegt Hendrikman, is eigenlijk al begonnen met Timmers omdat die niet goed beargumenteerde waarom de beelden die hij toeschreef aan een Meester van Elsloo met elkaar in verband moesten staan.

“In een boek uit 1949 schrijft Timmers weer andere werken toe aan de Meester van Elsloo dan in 1940. Zonder argumentatie. Hij legt ook nergens uit waarom zijn nieuwe ideeën beter waren dan zijn oude. Timmers heeft een enorme invloed gehad, maar op het gebied van de Meester van Elsloo bewijst hij maar weinig. Dat is een interessant fenomeen. Ik ben er stellig van overtuigd dat als hij niet hoogleraar kunstgeschiedenis was geweest, geen directeur van het Bonnefantenmuseum, en nog zo zes of zeven posities in Zuid-Limburg, het fenomeen niet was uitgegroeid tot wat het nu is. De enorme autoriteit van Timmers heeft er mede toe geleid dat we nu met dit fenomeen Meester van Elsloo zitten.”

Dat we ermee zitten…

“Tsja, als je je realiseert dat het in 1940 begon met een student kunstgeschiedenis die vijf beelden bij elkaar zette, waarvan hij bij de laatste twee al niet eens de moeite nam om te beargumenteren waarom ze bij elkaar horen… Dan creëer je een fenomeen maar ook een probleem. Dit laat onverlet dat de stukken die Timmers toeschreef wel degelijk een regionale identiteit en stijl vertegenwoordigen en van uitzonderlijk hoge kwaliteit zijn. Een belangrijke insteek van de tentoonstelling is dat we willen laten zien dat in onze streek, in die periode werken van een bijzonder niveau zijn gemaakt.”

Uit de archieven valt weinig te halen, dus jullie moeten het als kunsthistorici toch vooral hebben van stijlovereenkomsten

“En dat is een tricky business, want iedereen ziet wel ergens een overeenkomst of een verschil. En wat kenmerkt nu een Meester van Elsloo? Vanaf 1974 zie je dat het gierend uit de klauwen loopt met die toeschrijvingen. Maar slechts zelden zie je een argument. Het mooiste voorbeeld is een tentoonstelling in 1991 in Sint Truiden, met een prachtig beeld van een staande ridder. Mooi uitgewerkt, en toegeschreven aan de Meester van Elsloo. Maar waarom? Waarom werd dit werk aan de Meester van Elsloo toegeschreven? Het beeld staat op de cover van die catalogus, maar zonder argumenten.

“In de hele provincie Limburg is er inmiddels al bijna geen stuk houtsculptuur te vinden dat niet aan de Meester van Elsloo is toegeschreven. Het is in feite al meer een geografische aanduiding dan een werkelijke persoonsnaam. Het toegeschreven oeuvre is heel fluïde, met veel stilistische en functionele verschillen. Het is een soort Limburgse Barbapapa, die dan weer eens die en dan weer eens die vorm aanneemt.”

Frustrerend?

“Uit de literatuur hebben we wel de namen van veertig beeldhouwers en we hebben ook wel wat gegevens over levering van objecten, maar we hebben geen van die objecten kunnen koppelen aan een object dat we nu nog kennen.

“In Antwerpen kennen we op een gegeven moment tweehonderd namen van schilders, maar van nog geen twintig weten we wat ze gedaan hebben. Met andere woorden: van tien procent hebben we een naam en een toegeschreven oeuvre.

“Die tien procent geldt ook precies voor deze regio. We hebben veertig namen en aan vier ervan kunnen we een oeuvre koppelen. De enige in het huidige Limburg is de Maastrichtenaar Jan van Steffesweert, die ook signeerde en dateerde. En verder Kersten Woyers en Dries Holthuys uit het Kleefse en Daniel Mauch die in Luik werkte. Kortom: precies dezelfde situatie als in de grote steden in Brabant. Dus misschien een beetje frustrerend, maar ook geen verrassing.”

 


Foto: Harry Segers

Het naamgevende werk

Het centrale werk in het oeuvre van de Meester van Elsloo is deze Anna-trits uit de Augustinuskerk van Elsloo. Het beeld is 1.29 meter hoog, 81,5 centimeter breed, weegt 80 kilo en is gemaakt uit een stuk waar de boomstam zich splitst. De achterkant is nauwelijks bewerkt en hoefde dus niet gezien te worden. Het beeld stond in de negentiende eeuw in de Munsterkerk maar werd in 1849-1850 samen met het barokke altaar waar het in stond, verkocht aan de destijds nieuwe kerk in Elsloo. Ook een altaar dat was gewijd aan de H. Barbara werd toen van de hand gedaan. Beide altaren waren op dat moment overigens niet in gebruik, en stonden waarschijnlijk samen met een voorraad hout en nog wat andere beelden te verstoffen op een zolder van het voormalige Arresthuis op het Munsterplein.

Middeleeuwse ridderzaal op Baxhof

Foto: Jacques Obers

Vanaf de Beeselseweg bij Swalmen kan je hoeve De Baxhof in de verte al zien liggen. Een complex van meerdere gebouwen, allemaal eeuwenoud, met in de verre omtrek geen spoor van moderne bebouwing. Rondom de hoeve bevinden zich een kleine boomgaard met notenbomen, restanten van de gracht die waarschijnlijk in de late Middeleeuwen werd aangelegd, en verder vooral vers omgeploegd land. Van een afstandje zal het er tweehonderd jaar geleden niet veel anders hebben uitgezien en staand op de fraaie, met Maaskeien en natuursteen beklinkerde binnenplaats lijkt de tijd er bevroren te zijn.

Dat de Baxhof meer is dan ‘gewoon’ een oude boerderij was al bekend door artikelen van met name Loe Giesen en Giel Geraedts van Heemkundevereniging Maas en Swalmdal. Geraedts wist in een artikel uit 1983 te melden dat de hoeve al werd genoemd in een akte uit 1461 en daarna generaties lang eigendom was van de regionale adel. Giesen slaagde er vervolgens in de bewonersgeschiedenis nog wat verder terug te traceren en kwam uiteindelijk uit bij een zekere Eva van der Maesen, dochter van Petrus de Mosa, die in augustus 1374 haar testament liet opmaken en die hoogstwaarschijnlijk woonachtig was op de Baxhof.

Bouwhistoricus Coen Eggen, die een standaardwerk schreef over Limburgse vakwerkbouw en geldt als een specialist op het gebied van houten bouwconstructies, heeft daar in 2016 weer nieuwe gegevens aan toe weten te voegen. Eggen ontdekte dat de hoeve een grote representatieve ruimte bevatte die volgens hem moet zijn aangelegd in de vijftiende eeuw. Met andere woorden: nadat eerder onderzoek er al opleverde dat de Baxhof ooit werd bewoond door de regionale elite, blijkt nu dat van van dat oude woonhuis een bijzonder gedeelte nog bijna geheel intact is gebleven.

Der hoff op gen hoeve

In de akte uit 1461 waarin de hoeve voor het eerst verschijnt, is sprake van “der hoff op gen hoeve gelegen onder Swalmen”, een omschrijving waarin volgens Eggen al besloten ligt dat de Baxhof meer was dan alleen een boerderij. Hoff en hoeve worden hier immers afzonderlijk genoemd, wat volgens hem kan wijzen op twee functies: de hoeve als landbouwbedrijf en de hoff als woning.

Al in de vijftiende eeuw lijkt die woning de allure te hebben gehad van een sterkte, een weerbaar huis. Verschillende zaken wijzen daar op. Op de eerste plaats de gracht, waarvan nu nog slechts een klein gedeelte over is maar die nog in de twintigste eeuw het gehele gebouwencomplex omringde. Op de oudste betrouwbare kaart van het gebied, in 1774 getekend door landmeter Smabers, is de omgrachting al duidelijk zichtbaar maar dat hij er al veel eerder was blijkt uit een pachtcontract uit 1709, waarin wordt geschreven dat er twee ‘optreckende bruggen’ (ophaalbruggen) overheen lagen.

Het arkeltorentje van de Baxhof. Het witte gebouw op de achtergrond dateert uit de 18de eeuw.

Het weerbare karakter van het complex blijkt ook uit het arkeltorentje dat in het oudste gedeelte van de boerderij nog aanwezig is, en dat aan de andere kant van het gebouw een pendant gehad moet hebben, die nu echter verdwenen is. Vanuit deze torentjes, die oorspronkelijk misschien met een spits werden bekroond, kon de wijde omgeving in de gaten worden houden.

Op de gracht en op het arkeltorentje werd door eerdere schrijvers al geattendeerd, de betekenis die Eggen toeschrijft aan de grote zolder is nieuw maar past helemaal bij wat destijds een huis op stand was. Het betreft een ruimte van meer dan zeven meter hoog, twintig meter lang en meer dan zes meter breed en wordt door Eggen wordt omschreven als “een piekfijn ridderzaaltje”. Het is een ruimte die zaken als het arkeltorentje en de omgrachting complementeert, en die eens te meer bevestigt dat de Baxhof in het verleden een status had die ver uitging boven die van een gewone boerderij. Ooit deed deze ridderzaal volgens Eggen dienst om in te feesten en gasten te ontvangen, maar ook als vergaderruimte en plaats waar belastingen werden geïnd.

De ruimte is niet alleen nog bijzonder gaaf maar ook zeldzaam. Uit het bouwhistorische rapport: “De hele zaal is, ondanks kleine verminkingen (…) van een ongekende zeldzaamheid: de kleine landadel leefde hier op haar manier in welstand.”

Relatie met Maastricht

Voor de datering van de ridderzaal ging Eggen, die honderden bouwkundige onderzoeken uitvoerde, te rade in zijn eigen archief. Hij ontdekte dat de kapconstructie van de Baxhof bijna identiek is aan die van de (vermoedelijke) ziekenzaal van het Beggaardenklooster in Maastricht. En van die laatste bestaat een bouwrekening uit 1480. Eggen concludeerde daaruit dat de ridderzaal van de Baxhof ongeveer net zo oud moet zijn.

Er zijn nog meer overeenkomsten tussen de kap in Maastricht en die in Swalmen. Ook de zogenoemde sleutelstukken, die werden gebruikt om de draagbalken te ondersteunen op plaatsen waar deze in de muur werden geplaatst, lijken aan elkaar verwant. Niet alleen hebben ze een vergelijkbare vorm, ook lijken ze beide te zijn gemaakt met eikenhout uit Wallonië. “[Het is] dan ook goed denkbaar dat de constructie gemaakt is door een timmerman uit Maastricht of omstreken,” schrijft Eggen in zijn rapport. “Mogelijk had de adellijke bezitter van de toenmalige Baxhof bestuurlijke of familiaire relaties in Maastricht.”

De wijze waarop de kap geconstrueerd is, wijst er daarnaast ook op dat aan de buitenkant ooit een weergang was aangebracht.

Net als veel andere oude boerderijen bestaat de Baxhof uit meerdere gebouwen. Tot in de jaren 90 was er sprake van een woonhuis met daarbij aangebouwde stallen en een grote tiendschuur. Na het overlijden van Chrit Poels (1993), de laatste die op ‘den hoof’, zoals de boerderij werd genoemd, een agrarisch bedrijf had, werden de bijgebouwen opgeknapt en geschikt gemaakt voor bewoning. De hoeve is tegenwoordig verdeeld in meerdere woningen, die worden bewoond door de families Poels en Obers. De laatste toverde de voormalige tiendschuur om tot het gastenverblijf La Grange.

Lange tijd werd door de familie Poels en de meeste heemkundigen verondersteld dat het hoge witgesausde gebouw dat door zijn fraaie muurankers de allure heeft van een herenhuis, het oudste gedeelte van het complex was. Door oude kadasterkaarten naast elkaar te leggen kon Eggen echter aantonen dat dit hoge gebouw een uitbreiding uit de achttiende eeuw is. Honderden jaren jonger dus dan de oudste kern die veel bescheidener oogt, minder hoog is, en in het verlengde ligt van de voormalige koeienstallen. Juist de zolder van dit ogenschijnlijk minder aansprekende gedeelte is nu dus aangeduid als een ridderzaal.

Dat een dergelijke representatieve ruimte niet op de begane grond lag maar op de eerste verdieping, was gebruikelijk. “De begane grond was dan voor de afhandeling van dagelijkse besognes, en opslag van daarvoor noodzakelijke attributen.”

Heeft in het verleden dan niemand oog gehad voor de geweldige balkenconstructie van deze zolder? “Ja en nee” zegt Desirée Obers-Poels, die op de Baxhoeve opgroeide. “Natuurlijk wist iedereen ervan. Maar het was de zolder, het was er donker, je moet een smalle trap omhoog. Vroeger werd er de was opgehangen, en voor iets anders hoefde je daar nooit te zijn.”

Van Baexen

Wanneer de Baxhof precies werd gebouwd is onbekend. Over het algemeen werden weerbare huizen als dit gebouwd vanaf de dertiende eeuw, in een periode dat het centrale rijksgezag steeds verder afbrokkelde en kleine adellijke geslachten hun verdediging zelf ter hand namen, of juist vanuit een versterkt huis hun macht aan de omgeving probeerden op te leggen.

Veel meer is over de oorsprong en stichting voorlopig niet te zeggen, ook het onderzoek van Eggen werpt daar geen licht op. Wél is bekend welke familie de hoeve zijn naam gaf: het adellijke geslacht Van Baexen.

Dat was een familie die in de regio groot aanzien had, Willem van Baexen die de Baxhof in de jaren 1560 kocht, was een van de grote heren van de streek. Eerder had hij door huwelijk al het riddermatige huis Körrenzig (bij Linnich) verworven en later zouden de Van Baexens ook in het bezit komen van kasteel Nieuwenbroeck in Beesel. Hoe groot de status van Willem van Baexen was, blijkt uit het gegeven dat hij één van de slechts negen edelen was die in 1576 voorkwamen op de lijst van riddermatigen in het Gelderse ambt Montfort.

Via overerving en aankoop kwam de hoeve in de achttiende eeuw in eigendom van de Baron d’Overschie de Neerijschen. In 1883 vestigde zich de uit Oostrum afkomstige familie Poels, tot dan vooral actief in de internationale schapenhandel, zich er als pachtboeren. In 1920 kocht Jean Poels de boerderij met 65 ha. grond voor de som van 115.000 gulden. Delen van het complex worden anno 2018 nog steeds bewoond door de familie Poels.

De wolvenplaag rond Roermond (1810-1811)

Nu in Nederland af en toe wolven worden gesignaleerd en hier en daar schapen zijn doodgebeten, laait ook de discussie over het gevaar van de wolf weer op. De wolf zelf wordt natuurlijk niets gevraagd, maar we hebben nu in Nederland voor- en tegenstanders van diens comeback.
Waar de voorstanders de terugkeer van de wolf een succes noemen van het natuurbeleid, wijzen anderen op het gevaar dat hij vormt voor vee, huisdieren en mens. Voorstanders (wolvenvrienden) wijzen er dan op dat de meeste schapen nog altijd door loslopende honden worden doodgebeten, en benadrukken dat de wolf eigenlijk een schuw dier is dat je gemakkelijk kan wegjagen: “Kssssjjt! Dat is alles wat je hoeft te doen,” zei wolvenexpert Elli Radinger in juli 2018 in een interview met de Volkskrant.
Zo gemakkelijk is dat blijkbaar, en bovendien zijn mensen volgens Radinger nooit het doel van wolven om de eenvoudige reden dat ze niet weten dat mensen voedsel kunnen zijn. “Eeuwenlang hebben ze van hun ouders geleerd wat je veilig kunt eten. Hert, of wild zwijn, prooidieren. En mensen zitten daar niet bij.” Wolven weten bovendien maar al te goed dat ze beter niet in de buurt van mensen kunnen komen, want de kans is immers groot dat ze het er dan niet levend van af brengen.
Maar of de wolf echt zo schuw is? Een van de critici is schrijver Ton van Reen. ‘(Wolvenvrienden) krijgen vrij baan voor het sprookje dat de wolf een ongevaarlijk dier is, en noemen de angst van de mensen voor de wolf het Roodkapje-syndroom,’ schreef hij in 2013. Maar ‘Roodkapje was terecht bang voor boze wolven.’ Met andere woorden: de wolf is wel degelijk gevaarlijk voor de mens. Van Reen en anderen wezen op de problemen met wolven die zich in 1810-1811 voordeden in de streek rondom Roermond, toen niet minder dan elf kinderen door wolven werden doodgebeten. Hoe kan je dan beweren dat de wolf niet gevaarlijk is voor mensen?

De discussie is niet nieuw en speelt al sinds het eind van de jaren zeventig. Er was toen nog helemaal geen sprake van wolven in Nederland maar er werden wel plannen ontwikkeld om het dier te herintroduceren op de Veluwe.
Terwijl die discussie nog werd gevoerd, verschenen in 1981 en 1983 in De Maasgouw, het kwartaalblad van het Limburgs Geschied- en Oudheidkundig Genootschap, twee mooie artikelen van G. Geraedts waarin deze beschreef wat zich in 1810-1811 in het arrondissement Roermond afspeelde met betrekking tot wolven. Nadat de eerste kinderen waren doodgebeten, werden jachtpartijen georganiseerd om de wolf of wolven te doden, die echter niet tot succes leidden waarna de streek danig in beroering raakte. Geraedts baseerde zich onder andere op vrij gedetailleerde verslagen en processen-verbaal van ooggetuigen of andere direct betrokkenen en was nogal uitgesproken over de vraag of de wolf wel of niet gevaarlijk was. In de jaren 1810-1811, schreef hij, heeft de “zogenaamd vreesachtige en voor de mens ongevaarlijke canis lupus (…) er alles aan gedaan om zijn imago van het brave beest grondig te bederven.” En hij concludeert: “De trieste balans opmakend komen we tot een totaal van 11 doden en 3 of 4 gewonden, en dat binnen een tijd van één jaar. Is de angst voor wolven terecht? Het lijkt overbodig deze vraag nog te stellen.”

Prent in Le Petit Journal van 25-1-1914. Bron: Wikipedia.

De gebeurtenissen in 1810-1811

Wat gebeurde er dan in die jaren? Het eerste slachtoffer van “het bloeddorstige monster” (Geraedts) viel op de avond van 31 juli 1810 in Bussereind, een gehucht bij Beesel. Daar was toen de 26-jarige Petronella Peeters samen met Joanna Engels op het land aan het werk. Petronella had haar driejarige zoontje Jan meegenomen die op een gegeven moment begon te huilen. De twee vrouwen waren bezig met het bijeenbinden van rogge en stonden blijkbaar met de rug naar het kind toe. In ieder geval werd er niet direct aandacht aan geschonken. “Wees maar stil, we zullen spoedig klaar zijn en dan gaan we naar huis,” zou Petronella hebben gezegd, schijnbaar zonder op of om te kijken. Toen ze even later wél opkeek, was het jongetje weg en zag ze verderop een wolf weglopen. De volgende dag werden alleen nog maar enkele lichaamsdelen van het kind gevonden: de linker onderarm, het linker voetje, het rechter been, enkele ribben alsmede wat bebloede kledingstukken. De ‘maire’ (burgemeester) van Beesel vermeldde in zijn verslag dat deze resten in de voorschoot van de moeder werden gelegd, en dat die ze mee naar huis nam.

Een dag later was het opnieuw raak, dit keer in Brüggen, waar de driejarige Harrie Peeters door een wolf werd gegrepen. Meer dan een zakdoek werd van hem niet meer teruggevonden. Twee dodelijke slachtoffers in twee dagen tijd was ook in die tijd een alarmerend gegeven en de bestuurders van de gemeentes in de streek ondernamen direct actie. Twee wolfsjachten waaraan mannen uit de hele streek deelnamen, hadden echter geen enkel resultaat: wolven werden niet gezien, laat staan dat er een kon worden gedood, terwijl ondertussen op andere plaatsen wel mannen en vrouwen door wolven zouden zijn aangevallen.

Machteloosheid

Het beeld dat oprijst uit de verslagen is er een van machteloosheid. Dat bleek ook nadat op 13 augustus opnieuw een slachtoffer viel, dit keer een jongetje van acht uit Silberbeek bij Niederkrüchten, en er opnieuw een grootscheepse wolvenjacht werd gehouden die dit keer het hele gebied ten oosten van de Maas tussen Venlo en Roermond besloeg. Het was de bedoeling om de wolven in een tangvormige beweging op te drijven, zodat ze uiteindelijk geen kant meer op zouden kunnen. Bij die enorme operatie, die plaatsvond op 20 augustus, werden liefst 3260 drijvers, 365 jagers te voet en 72 jagers te paard ingezet, maar het leverde geen enkel resultaat op. Integendeel: op 23 augustus werd in Kessel-Eik, aan de andere kant van de Maas, een jongetje door een wolf aangevallen en vier dagen later in Beringen een meisje. Het jongetje overleefde de aanval, van het meisje werd enkele dagen later slechts het hoofd teruggevonden.

Op 15 september werd opnieuw een grote wolvenjacht gehouden, met de bedoeling de wolven in de richting van de Maas te drijven waar dan een legertje jagers klaarstond om de dieren onder vuur te nemen. De operatie was er een van een ongekende schaal, er namen nog meer jagers aan deel dan bij de eerdere expedities, maar het resultaat was hetzelfde: er werd geen wolf afgeschoten. Sterker: terwijl de wolfsjacht plaatsvond, werd in Rödgen (bij Arsbeck) opnieuw een kind gedood, twee mijl achter de linie waar de drijvers actief waren.

Ook de wolfsjachten die daarna nog werden gehouden hadden geen enkel resultaat, terwijl er wel opnieuw doden vielen: in Mülbracht (25 september), Helden (5 oktober), Merbeck (31 oktober) en Posterholt (8 november). Het slachtoffertje in Posterholt was de negenjarige Lambert Seegers, die samen met zijn broer hout aan het sprokkelen was in het Wandelbroek. Inwoners van Posterholt joegen de wolf op tot hij bij Paarlo de Roer overstak en richting Melick wist te ontkomen.

De rust leek daarna even terug te keren. Lambert Seegers was het laatste slachtoffer in het jaar 1810, en in de maanden daarna werden geen aanvallen door wolven vermeld. Daarentegen werden er buiten het arrondissement Roermond wel enkele wolven gedood, waaronder een buitengewoon groot exemplaar in Krefeld waarvan werd verondersteld dat dit het dier was dat rond Roermond zoveel onheil had gebracht.

De hoop dat daarmee een einde was gekomen aan de aanvallen door wolven bleek echter vergeefs. Vanaf mei 1811 vielen er opnieuw slachtoffers en net als een jaar eerder viel de eerste dode in Beesel, dit keer bij Waterloo – niet eens zo ver van Bussering. In de dagen daarop vielen wolven (of was het telkens dezelfde?) kinderen aan bij Brüggen, opnieuw in Beesel en mogelijk ook in Elmpt.

Wolf in Oost-Europa. Foto: Fotolia.

Eindelijk succes

Begin juni 1811 was er eindelijk een succes te melden toen de Swalmense boer Hendrik Wynandts erin slaagde om een wolvin dood te schieten. In Roermond schijnt de bevolking de volgende dag in groten getale te zijn toegestroomd om het dier te bekijken, toen hij ermee naar de stad kwam om het te tonen aan de prefect en de uitgeloofde beloning op te eisen. Iets meer dan een week later schoot dezelfde Wynandts opnieuw een wolf dood maar toch viel er op 26 juli 1811 nog één slachtoffer te betreuren, de vier-jarige Servaas Pluym in Kessel. Daarmee kwam een einde aan de wolvenplaag die in 1810-1811 de bevolking van de streek rondom Roermond in beroering had gebracht. In 1835 zou de laatste wolf in deze streek zijn neergeschoten in de buurt van Dülken.

Maar wat is nu het belang van deze gebeurtenissen in het licht van de huidige discussie over de wolf: is hij gevaarlijk voor de mens of niet? We hebben al gezien dat het voor Geraedts, die deze treurige geschiedenis als eerste beschreef, wel duidelijk was dat de wolf een gevaarlijk ondier is.
Toch lijkt een nuancering op zijn plaats. Enkele jaren na het verschijnen van Geraedts’ artikelen werden de gebeurtenissen van 1810-1811 opnieuw aan de orde gebracht door de Nederlands-Amerikaanse psycholoog, filosoof en historicus prof. dr. Arthur Schrijnemakers, die er drie stukken over publiceerde in de jaarboeken van de Heemkundevereniging Roerstreek, en later (1999) samen met Frans Geerlings ook in het Jaarboek van heemkundevereniging Maas- en Swalmdal. In het eerste artikel beschreef Schrijnemakers de voorvallen die ook al door Geraedts uit de archieven waren opgedolven, maar in een volgend stuk zocht hij naar een verklaring voor het optreden van de wolf. Het doden van kinderen door wolven was immers uitzonderlijk en volgens experts ook volstrekt a-typisch.

Het viel Schrijnemakers op dat regelmatig gesproken werd van een buitengewoon grote wolf: ‘un enorme loup mâle’ (een enorme mannelijke wolf), ‘un loup monstrueux’ (een monsterachtige wolf), maar ook dat boeren vertelden dat de wolf die zij hadden gezien eruitzag als een grote hond, mager en met een lange snorrebaard.

Wolf of hond?

Waren het allemaal wel ‘echte’ wolven geweest die de kinderen hadden gedood, of waren het hybrides, kruisingen tussen een wolf en een hond? Schrijnemakers neigde naar het laatste: “Uit nauwkeurige observaties is immers gebleken dat dergelijke bastaarden doorgaans niet alleen groter maar ook opvallend agressiever dan hun ouders zijn.”

Daar staat tegenover dat de sporen die in 1810 en 1811 werden bestudeerd wel degelijk wezen op een wolf, die immers zijn achterpoten precies plaatst waar hij eerder zijn voorpoten heeft geplaatst. Maar ook met deze wolvensporen was iets merkwaardigs aan de hand, merkte al in 1810 het hoofd van de wolvenbestrijdingsdienst op: zo stonden de tenen verder uiteen en waren de uitwerpselen harder dan normaal. Daarnaast leken de bijtwonden die waren toegebracht te wijzen op een versleten gebit.

Indachtig de beschrijving die de boeren van de wolf hadden gegeven (lange snorrebaard, ingevallen buik) kwam Schrijnemakers tot de voorzichtige conclusie dat het hier wel eens een oude solitair levende wolf kan zijn geweest, die niet meer mee kon met zijn roedel. Juist voor zo’n ouder dier zou een kind een veel gemakkelijker prooi zijn dan een dier. Zo liet in één geval de wolf een geit ongemoeid, en richtte zijn aanval op een kind.

Volgens wolvenexpert Elli Radinger (in de Volkskrant) waren de wolven die mensen hebben aangevallen meestal hondsdol. Dat kan ook het geval zijn geweest bij de wolven die in 1810-1811 rond Roermond slachtoffers maakten, maar niet in alle gevallen. Enkele kinderen overleefden namelijk de aanval en genazen gewoon van de bijtwonden zonder dat er sprake was van (doorgaans dodelijke) hondsdolheid.

Interessant zijn in dit kader trouwens ook de recente ervaringen in de Franse Béarn, in het westen van de Pyreneeën. Daar werden vanaf eind april tientallen schapen doodgebeten, was de wolf onmiddellijk verdachte nummer één en werden ook daar vervolgens wolvenjachten gehouden door boeren en schapenhouders. Er werd echter ook dna-onderzoek gedaan waaruit bleek dat het roofdier dat de schapen doodbeet een kruising was: 60% wolfshond, 40% Russische wolf.


Verder lezen: 

Geraedts, G. Is angst voor wolven terecht?, in: De Maasgouw 100 (1981) kol. 193-204. Dezelfde: De bestrijding van wolven in het departement van de Nedermaas, in: De Maasgouw 102 (1983) kol. 113-128.

Schrijnemakers, A., Wolvenplaag Midden-Limburg in de Franse tijd, in: Roerstreek 20 (1988) 126-142. Dezelfde: Merkwaardige aspecten van de wolvenplaag (1810-1811) en haar bestrijding, in: Roerstreek 21 (1989) 106-117. Dezelfde: De eeuwenlange verdelgingsoorlog tegen de wolf, in: Roerstreek 22 (1990) 59-75.

Geerlings, F. en A. Schrijnemakers, Wolvenplaag in het Maas- en Swalmdal in de Franse tijd (1794-1814), in: Jaarboek Maas- en Swalmdal 19 (1999) 108-145.

Keulemans, M., De wolf in ons, in: De Volkskrant 3-7-2018 (artikel over wolvenexpert Elli Radinger)

Blaise, Gabriel, Loup en Béarn: les analyses ADN ont parlé selon les élevateurs, il s’agit d’un hybride, in: Sud Ouest 20-7-2018.

Het oudste kruisbeeld van de streek

In het Swalmdorp Brempt (gemeente Niederkrüchten) staat deze Skt.-Georgskapel. Het gebouwtje heeft een aan drie zijden gesloten koor, blinde arcades aan de westgevel en een achthoekige dakruiter. Maar het valt vooral op door zijn trapgevel, een bouwstijl die aan de Nederrijn en in Nederland over het algemeen slechts in profane gebouwen werd toegepast.

Mede vanwege die gotische trapgevel werd de kapel lange tijd gedateerd omstreeks 1500, maar dat leek een misrekening toen in 1961 achter de wijzerplaat van de klok op een steen het jaartal 1612 werd aangetroffen. Na die vondst werd de kapel in één keer een eeuw jonger verklaard.

Al vóór 1961 was door bouwhistorici gewezen op het vlakke plafond, dat niet in de richting wees van een gotisch gebouw. Het vlakke plafond werd destijds nog beschouwd als een latere toevoeging.

Ondanks dat de kapel jonger is dan lange tijd werd gedacht is het toch een bijzonder gebouw, niet alleen door de a-typische trapgevel maar ook door de kunstschat die binnen in de kapel hangt. Bedoeld wordt hier het zogenoemde Brempter Kruis, met een corpus dat wordt gedateerd op omstreeks 1060-1070. Meer dan 900 jaar oud dus! Dit sterk verweerde romaanse beeld van 95 centimeter hoog wordt beschouwd als het oudste corpus aan de Nederrijn en is afgezien van de aangezette armen gesneden uit één stuk eikenhout.

Vóórdat het beeld in 1953-1954 werd gerestaureerd, werd er nauwelijks aandacht aan besteed. In de oudere overzichten van het erfgoed in de streek als dat van Paul Clemen (Die Kunstdenkmäler der Rheinprovinz – 1902) wordt het wel genoemd, maar niemand stond er ooit bij stil dat het zo oud kon zijn. “Dünn und schematisch behandelt” oordeelde Clemen, die veronderstelde dat het beeld uit de veertiende of vijftiende eeuw stamde.
Vóór de restauratie hing het dan ook op een onopvallende plaats in de kapel en vanwege de verwering van het hout wordt vermoed dat het ook lange tijd aan de buitengevel heeft gehangen, blootgesteld aan wind en regen.

Toch vergeleken kunsthistorici het Brempter kruis al vóór de restauratie met het beroemde kruis van Gero in de Dom van Keulen, het oudste beeldhouwwerk van de gekruisigde Christus ten noorden van de Alpen (ca. 965-970). Of op het zogenoemde Ringelheimer kruis, waarvoor opdracht werd gegeven door bisschop Bernward van Hildesheim (993-1022). Daarbij werd gewezen op de overeenkomende stand van de voeten (naast elkaar), de handen, en op de recht omlaag vallende lendendoek.

De ouderdom kwam pas vast te staan nadat bij de restauratie in de jaren 50 de oude polychromie was verwijderd.

Nog steeds is niet alles bekend over het beeld. Zo zijn de oogleden verdwenen en heeft de Christusfiguur alleen ronde oogkassen, iets dat oorspronkelijk niet het geval zal zijn geweest. Ook is onbekend hoe het beeld in Brempt terechtkwam. Mogelijk is er een verband met de heren van Brempt, die het dorp zijn naam gaven, hier een kasteel hadden en waarschijnlijk ook de kapel lieten bouwen. Mogelijk kwam het kruisbeeld hier door een schenking terecht.

Het Dalheimer Kruis in Roermond

Foto © Wollstein/Schulz

Het oudste kunstwerk in de Roermondse kathedraal is het zogenaamde Dalheimer Kruis, zo genoemd omdat het oorspronkelijk was ondergebracht in het Cisterciënzerinnenklooster van Dalheim, net over de grens bij Vlodrop. Het wordt gedateerd op omstreeks 1300. In de hele omgeving stond het bekend als een wonderdadig kruisbeeld: een “miraculeus beeldt van het heijlig cruys” waar wonderbaarlijke genezingen aan werden toegeschreven.

Waarschijnlijk werd het tijdens de Franse revolutie naar een schuilplaats in Roermond gebracht. Dat er vanuit de abdij in Dalheim kostbaarheden in Roermond werden ondergebracht, was min of meer een beproefd recept. De nonnen in het klooster van Dalheim waren allemaal adellijke juffers, die in hun klooster Val-du-Ciel echt niet voortdurend op een houtje zaten te bijten. Mede omdat de “joufferen” goed in de slappe was zaten, beschikte het klooster over een aardige hoeveelheid kostbaarheden. Maar juist in tijden van oorlog, met rondtrekkende troepen van allerlei nationaliteiten die vaak nét iets te lang op hun soldij moesten wachten, kon dat problemen geven. En dat gebeurde in onze streek nogal eens. Reden voor de nonnen om een veilig onderkomen te zoeken in een versterkte stad in de nabijheid, zoals Roermond. Niet alleen om zo zelf het vege lijf te redden, maar ook om er de kostbaarheden van het klooster onder te brengen.

Foto © Wollstein/Schulz

Bekend is dat het klooster beschikte over een vluchthuis in de Lage Hegstraat (de huidige Lindanusstraat), dat echter in 1630 vanwege geldgebrek van de hand gedaan moest worden. Blijkbaar vonden de Dalheimer nonnen in Roermond een nieuw onderkomen voor (een deel van) hun schatten, waarschijnlijk in de Caroluskapel.

Wanneer het kruisbeeld, een zogenaamd gaffelkruis, exact naar Roermond werd overgebracht is niet bekend, maar het ligt voor de hand dat dit in de jaren ’90 van de achttiende eeuw gebeurde. Franse troepen plunderden het Dalheimer klooster in 1792 en 1794. In 1802 werd het klooster definitief gesloten.

Legende

Evenmin is iets bekend over hoe het kruisbeeld in Roermond terechtkwam, maar er bestaat wel een mooie legende over. Het beeld zou op een wagen zijn geladen, die werd getrokken door een blind paard dat zonder begeleiding van een menner of koetsier zelf zijn weg zocht en uiteindelijk in Roermond stopte. Moraal van het verhaal: hier was het wonderdadige kruis op zijn plek.

Uit dankbaarheid voor de betoonde gastvrijheid werd het beeld in 1810 door de Dalheimer zusters aan de “parochiale kerke van den heijligen Christophorus der stad Ruremonde vergunt.

Daartoe werd het in een feestelijke processie naar de kathedraal gebracht. De overdracht werd bekrachtigd in een op 25 juli 1810 gedateerde akte die was ondertekend door vier “religieusen der gesupprimeerde adelijcke abdeij Dalheim… nogtans onder deze conditie, dat bij herstellinge in de voorschrevene abdeij, of andere van onsen order, het selve beeldt zal terug gegeven worden.
Met andere woorden: als het klooster in Dalheim ooit opnieuw zou worden geopend, dan moest het kruis worden teruggegeven. Het beeld kwam overigens niet ongeschonden door de oorlog, de armen moesten na die tijd worden gerestaureerd.

Gaffelkruisen

Gaffelkruisen zoals dit hebben een Y-vorm die verwijst naar de Boom van de Kennis van Goed en Kwaad, waarmee volgens de christelijke dogmatiek de zonde in de wereld kwam, een zonde die weer werd weggenomen door het lijden van Christus. En precies dat wordt hier afgebeeld: de hangende Christus met uitstekende ribben, omlaaggezakt hoofd met openhangende mond en het bloed dat uit de steekwond gutst. Het is een typische ‘crucifixus dolorosus’, heel anders dan bijvoorbeeld het oudere Christus triomfatorbeeld in de Munsterkerk.

Gaffelkruisen worden ook wel pestkruisen genoemd, maar dat is een misleidende naam want toen de eerste grote Europese pestepidemie uitbrak (1340) bestonden deze kruisbeelden al. Ze ontstonden omstreeks 1300 onder invloed van de mystiek, en komen vooral in het Rijnland voor. Het beroemdste is waarschijnlijk dat in de St. Maria im Kapitol te Keulen (gedateerd vóór 1312), waarvan het holle corpus bij een recente restauratie ongeveer 50 relieken bleek te bevatten. Maar ook in Saksen, Italië, Oostenrijk en Spanje komen ze in geringe aantallen voor, zodat gesteld kan worden dat de gaffelkruisen meer zijn geweest dan een regionale vorm.

 

 

 

Het Christoffelhuis in Roermond

Foto Rijksdienst voor Cultureeel Erfgoed RCE

Iedereen kent wel de zogenoemde Vitruviaanse man van Leonardo da Vinci, een binnen een cirkel en een vierkant getekende man die in twee poses is afgebeeld: met schuin uitgestoken benen en armen en rechtop staand met recht uitgestoken armen. Leonardo wilde met zijn tekening aantonen dat er een directe relatie bestaat tussen het menselijke lichaan en de twee als volmaakt beschouwde vormen: cirkel en vierkant.

Als echte renaissancekunstenaar greep hij daarbij terug op klassieke auteurs, meer in het bijzonder de Romeinse architect Vitruvius. Deze had betoogd dat maatverhoudingen de basis vormen voor een geslaagde bouwkundige compositie en dat de ideale maatverhoudingen bovendien zijn afgeleid van het menselijke lichaam.
Leonardo was bepaald niet de enige die zich baseerde op Vitruvius. Vele generaties bouwkundigen volgden hem en altijd ging het daarbij om de toepassing van ideale verhoudingen en ideale grondvormen in een bouwwerk. We zien dat met name terug in grote bouwprojecten als stadhuizen en kerken maar ook wel in woonhuizen.
Volgens deze ‘klassieke’ principes werd kort na de tweede stadsbrand van 1665 het Christoffelhuis gebouwd in wat toen nog de Hegstraat heette en nu de Lindanusstraat is. In het cultuurhistorisch onderzoek dat het Monumentenhuis in 1999 uitvoerde, wordt gesteld dat het huis bij uitstek getuigt van de zeventiende-eeuwse architectuurdoctrine met betrekking tot de proportieleer: “Door de toepassing van modules en geometrische patronen als cirkel en driehoek, zouden zich als vanzelf de ‘volmaakte’ verhoudingen in een bouwwerk manifesteren, waardoor de hoogste graad van schoonheid bereikt kon worden.

Zonder meer was de bouw van het later Christoffelhuis een prestigieus object, waarvoor een architect werd ingehuurd met verstand van zaken, en voor mensen die ontwikkeld genoeg waren om in de keuzes van die architect mee te gaan. Wie dan wel die opdrachtgevers en de architect waren, is helaas onbekend.
Vanuit Roermonds perspectief is het een uniek huis. “Het enig bekende voorbeeld van deze ontwerppraktijk in Roermond, waardoor van een bijzondere meerwaarde gesproken kan worden,” aldus het Monumentenhuis.

Stadsbrand en slappe was

Waarschijnlijk heeft Herman Janssen het Christoffelhuis al ingetekend op zijn bekende stadskaart uit 1671. Hij tekende het pand daarop met een rood dak, wat betekent dat het bij de stadsbrand van 16655 afbrandde en op het moment dat de kaart werd getekend weer was opgebouwd.

De Hegstraat behoorde tot de zwaar getroffen stadsdelen van deze brand, die een enorme ravage veroorzaakte. Het verklaart mogelijk de opmerkelijke ligging van de kelder. Deze kelder met tongewelf loop wel in de lengterichting onder het huis, parallel aan de straat, maar ligt vreemd genoeg niet direct aan de straat maar aan de achterzijde van het pand. Mogelijk was de bodem aan de straatzijde zodanig verstoord door overblijfselen van eerdere (stenen) gebouwen, dat de kelder na 1665 verder naar achteren, van de straat áf, gerealiseerd moest worden.
De ‘nieuwbouwbuurt’ die na 1665 in deze hoek van de stad verrees, mocht er zijn. Het was een chique wijk, met het nieuwe bisschoppelijke paleis, het stadhouderlijke paleis en het jezuïtenklooster. De woonhuizen in de omgeving waren eigendom van vermogende Roermondenaren.

Ook de opdrachtgevers voor de bouw van het Christoffelhuis zaten goed in de slappe was. Door onderzoek van Jan Ruiten is bekend dat het Johan Lintgens is geweest, die raadsheer was aan het Hof van Gelder. Hij kreeg het huis in eigendom door zijn huwelijk (ca. 1664) met Anna Christina van Hillen, een telg uit een Roermonds patriciërsgeslacht dat diverse schepenen en burgemeesters leverde. Hun dochter Catharina Theresia Lindtgen (1681-1759) huwde met Hieron Albert de Gilkens (1656-1722) die eveneens advocaat bij het Hof van Gelder was. Zij waren de volgende bewoners van het huis. Ook de volgende bewoners (zie bewonerstabel) behoorden tot de Roermondse upperclass.

Hoogstandje en feest

In 1777 werd het Christoffelhuis eigendom van de toen 45-jarige Amsterdamse handelaar Octave Leon Barbou, die getrouwd was met de Roermondse Alexandrina van der Vrecken. In welke staat het huis toen verkeerde is onbekend, maar het echtpaar Barbou besloot de zaak flink te verbouwen en hoefde daarbij blijkbaar niet op een cent meer of minder te kijken.
Het neoclassicistische interieur dat toen werd gerealiseerd (stucplafonds, haarden, deuren in Louis XVI-stijl) alsmede het inrichten van een ‘heerenkamer’ en een ‘boudoir’ voor de dames wijst op welstand en smaak.”Dit neclassicistische interieur vormt nog altijd een van de esthetische en cultuurhistorische hoogstandjes van het huis”, schreef het Monumentenhuis in 1999. De stucdecoraties in de ruimtes op de begane grond en eerste verdieping zijn voor Roermond zeer bijzonder.
Van het exterieur uit die tijd is iets terug te zien op het schilderij dat ergens tussen 1794 en 1814 werd gemaakt vanaf de inmiddels afgebroken Heilige Geestkerk.

Een aardige bijkomstigheid: in 1787 promoveerde Gijsbert Johannes Alexander van der Vrecken, oud-leerling van het Roermondse keizerlijk College, in Leuven tot doctor in de filosofie. De nieuwbakken doctor woonde weliswaar niet meer in Roermond, maar toch was het ook hier feest: Hij had hier immers een deel van zijn opleiding genoten en in de stad woonden diverse familieleden, waaronder het echtpaar Bardou-Van der Vrecken. Roermond liep dus uit om de primus uit Leuven feestelijk te onthalen. Na zijn aankomst (hij werd opgehaald bij de Rode Brug) was de geleerde held de centrale figuur van een optocht van schutters, muzikanten, praalwagens en diverse koetsen. Het feest, met concerten en dansavonden, duurde maar liefst drie dagen. Het Christoffelhuis was toen enkele dagen hét feestcentrum van de stad.

In 1871 werd het huis eigendom van een andere bekende Roermondenaar: de advocaat en procureur Constant Guillon, de jongere broer van notaris Charles Guillon die enkele jaren daarvoor het bekende monumentale pand aan de Swalmerstraat (links van wijnhandel Berger) bouwde.
De Guillons waren voorlopig de laatsten die het pand gebruikten als gezinswoning. In 1910 kreeg het huis een opmerkelijke bestemming, toen het werd aangekocht door Het Comité voor Katholieke Actie. Het was in de jaren van opkomend socialisme, en blijkbaar werd het in Roermond nodig geacht om daar een ‘katholiek’ antwoord op te geven. De stad kon immers niet zonder slag of stoot worden overgeleverd aan het rode gevaar. De Katholieke Actie richtte zich op het maken van katholieke propaganda, en het Christoffelhuis diende daarbij als een soort uitvalsbasis. Pas na de aankoop door De Katholieke Actie kreeg het huis ook zijn huidige naam, afgeleid van de stadspatroon.

Verbouwingen

Na 1665 werd lange tijd maar weinig verbouwd en bijgebouwd aan het Christoffelhuis. Tussen 1700 en 1750 verrees naast het pand een remise met mansardedak en vervolgens was er de restauratie door het echtpaar Barbou-Van der Vrecken. In het tijdperk Katholieke Actie (1910-1961) werd de zaak echter flink vertimmerd. In 1915 begon een inpandige verbouwing, waarbij onder andere het trappenhuis werd verplaatst en in de loop van de jaren in totaal acht zalen werden gecreëerd. Die zalen deden niet alleen dienst als kantoor- en vergaderruimte van de Katholieke Actie, maar dienden ook als ontspanningsruimte, bibliotheek en leeszaal voor de parochianen van de binnenstad. Het Christoffelhuis had de functie van patronaatsgebouw gekregen. In dezelfde tijd kreeg de remise een nieuwe gevel.

In 1936 vond de volgende ingrijpende verbouwing plaats naar een plan van architect J.J.M. Thurlings, die toevallig ook in het bestuur van De Katholieke Actie zat. Thurlings verbreedde de ingang aan de Lindanusstraat aanzienlijk en bracht de pui met luifel aan die we nu nog steeds zien. Ook de belettering (St. Christoffelhuis) boven de ingang dateert uit deze tijd.

Het Christoffelhuis nu. Het gebouw rechts is de voormalige remise. Foto Jac Ruyters Groep.

Daarnaast werd het zalencomplex aan de achterzijde verder uitgebouwd. Die zalen hadden voor een gedeelte een recreatie-functie. Verschillende kerkkoren hadden er hun repetitielokaal, evenals harmonie St.-Caecilia. Gymnastiekvereniging Kracht en Vriendschap verzorgde regelmatig uitvoeringen, evenals de Roomse Toneel Werkliedenvereeniging. Maar we waren ook andere instellingen in gevestigd, zoals het ziekenfonds, het arbeidsbureau, het ijkwezen. Daarnaast werd er vergaderd door onder andere de Alliance Française en de Land- en Tuinbouwbond, werden er fancy fairs en industriebeurzen gehouden, was er een militair keuringslokaal enzovoort.

Het zalencomplex werd in 1970 grotendeels gesloopt. Het Christoffelhuis met al zijn bijgebouwen was toen al negen jaar eigendom van de gemeente Roermond. Vanaf 1989 was er het kunstenaarscollectief L5 gevestigd.

Vanaf 2003 werd het door J.Ruyters in Echt, eigenaar van de Ruyters Groep die ook een schildersbedrijf omvat, grondig gerestaureerd. Dat karwei nam drie jaar in beslag en was hard nodig, want het Christoffelhuis was flink aan het aftakelen. Door die opknapbeurt is het sindsdien weer het chique pand dat de opdrachtgevers in de zeventiende eeuw voor ogen stond.

 

Bewoners van het Christoffelhuis

1710 Echtpaar De Gilkens-Lindtgen
na 1722 Catharina Theresia Lindtgen en kinderen
tot 1771 Arnold Emmanuel Ruys
1771-1777 Paulus Departh en Theresia de Muller
1777-1899 Echtpaar Barbou-Van der Vrecken
1800-1817 Weduwe Alexandrina Barbou van der Vrecken
1817-1852 Jean Baptist Barbou en Agnes Sebilla barones de Plevits d’Afens
1852-1871 Gerard Willem Bongaerts
1871-1894 Echtpaar Guillon-Sax
1894-1897 Erven Constant Guillon
1897-1910 Eugène Charles Joseph Guillon
juni-nov, 1910 Notaris Rutten, Heythuysen
1910-1961 Comité voor Katholieke Actie
Vanaf 1961 Gemeente Roermond
Vanaf 1989 Kunstenaarscollectief L5
2004 Arag Rechtsbijstandverzekeringen

Casanova in Roermond

Roermond is in de loop van de geschiedenis bezocht door vele beroemdheden. Sommige lieten een beschrijving achter van de stad. Zoniet Giacomo Casanova, die hier anderhalve dag doodziek doorbracht, maar Roermond toch even vermeldde in zijn memoires.

Afbeelding: Wikipedia

 

In 1764 ratelde een uit Brussel afkomstige koets over de Stenen Brug, door de enorme Brugpoort en vervolgens door de met keitjes beklinkerde Brugstraat van Roermond. In het rijtuig zat een beroemde passagier, niemand anders dan de Venetiaanse avonturier Giacomo Casanova (1725-1798).
Casanova was kort daarvoor na een verblijf in Engeland teruggereisd naar Europa en was nu via Doornik en Brussel op doorreis naar Braunschweig waar hij hoopte een voormalige minnares weer te ontmoeten.

Jaren later schreef hij in zijn omvangrijke memoires heel kort over zijn verblijf in Roermond, dat anderhalve dag duurde. Veel zin om er rond te kijken, heeft Casanova waarschijnlijk niet gehad want hij was doodziek. Hij klaagde in die tijd over ‘opgezwollen klieren’, en had zich in de voorafgaande weken al meerdere keren doen aderlaten. Het verblijf in Roermond was min of meer gedwongen: “In Roermond was ik zo ziek dat ik er 36 uur moest blijven.”

Het dagboek van Casanova is opvallend gedetailleerd, aan allerlei ontmoetingen en kleinere gebeurtenissen wordt aandacht gegeven. Maar over zijn verblijf in Roermond wordt verder niets vermeld. Mogelijk heeft hij de anderhalve dag die hij hier spendeerde alleen maar ziek in zijn bed gelegen. Waar zou dat zijn geweest? In de sjieke Gouden Leeuw wellicht? Volgens zijn dagboek reisde hij anderhalve dag na aankomst in Roermond verder naar Wesel.

Mooi herstelde Middeleeuwse herberg

Marktstraat 8 is het witte huis, met aan de rechterkant de steeg naar de Roerkade.

In september 2017 reikte de Stichting Ruimte zijn ‘Ruimtekeurmerk’ uit aan onder andere Nico Meyer van kledingzaak M-Zone aan Marktstraat 8. Met het keurmerk drukt de stichting zijn waardering uit voor initiatieven die bijdragen tot het stadsschoon. Een terechte onderscheiding want het huis werd 2012 fraai opgeknapt.

Marktstraat 8 is een van die Roermondse huizen waar je zomaar langs zou lopen, maar die bij nadere beschouwing historische pareltjes blijken. Het pand is al tientallen jaren bekend als winkelpand. Vanaf 1936 waren er slagerijen in gevestigd (Helwegen, en de Ceni), daarna zat speelgoedwinkel De Klepper er in.

De Roermondse historicus Jos Linssen, die als geen ander de middeleeuwen van de stad onderzocht, veronderstelde dat het pand in de veertiende eeuw werd bewoond door Jacob Licop, telg van een belangrijke familie en in 1389, 1392 en 1394 genoemd als schepen van Roermond.
Linssen dacht ook dat in dit pand de herberg ‘in de Hertzhorn’ was gevestigd. In 1451 wordt voor het eerst een huis met die naam vermeld. In 1496 werd het pand beschreven als “geheyten int Hertzhoeren (…) in der Nederstraeten by den merckt neest der gatzen.” In de Neerstraat bij de Markt naast de gats. Dat kunnen alleen maar de twee huizen aan de Marktstraat, aan weerszijden van de Gats zijn. Daarbij is te bedenken dat de huidige Marktstraat in die tijd ook tot de Neerstraat werd gerekend. In de jaren daarna duikt het huis met die naam verschillende keren op in aktes, waarbij steeds ter verduidelijking de locatie naast het steegje wordt genoemd.

Voornaam etablissement

In de Hertzhorn was overigens niet zomaar een herberg maar lijkt het voornaamste etablissement in de stad te zijn geweest. Toen tijdens de Nederlandse Opstand om de haverklap soldaten en officieren in Roermond werden ingekwartierd, werden de belangrijkste personen altijd hier ondergebracht.
Tijdens de grote stadsbrand van juli 1554, die aan deze kant van de stad ongekende schade toebracht, werd ongetwijfeld ook dit huis getroffen. Het achterhuis, dat zoals veel panden in de binnenstad mogelijk in vakwerkstijl was opgetrokken, was niet meer te redden. Van het voorhuis bleven alleen delen van de kelder en van de buitenmuren bewaard.

De herstelwerkzaamheden na die grote brand, werden een jaar later afgerond.  Diverse mooie details uit die tijd en ouder zijn nog steeds zichtbaar, zoals de gemetselde kaarsennisjes in de kelder, geprofileerde sleutelstukken onder enkele balken en de kapconstructie van het voorhuis. Dat het huis na de stadsbrand (gedeeltelijk) opnieuw werd opgebouwd, blijkt heel duidelijk uit het jaartal 1555 dat in een zestiende-eeuws lettertype in een van de balken op de zolder is gekerfd. Later werd in dezelfde balk ook nog het jaartal 1745 gebeiteld.
De inscriptie wijst er ook op dat het huis gespaard bleef, toen Roermond 111 jaar later opnieuw werd getroffen door een stadsbrand. Anders had de inkerving uit 1555 het niet overleefd.

Restauratie

Het pand bestaat uit een geheel onderkelderd voorhuis met daarboven drie bouwlagen en een zadeldak met de nok haaks op de straat. Aansluitend aan dit voorhuis bevindt zich een niet onderkelderd achterhuis met daarboven twee bouwlagen en eveneens een zadeldak met nok haaks op de straat.

De kap van Marktstraat 8, tijdens de verbouwingswerkzaamheden in 2012.

Een oud en voornaam pand dus, dat in zijn huidige opzet voor groot gedeelte dateert van na 1554, maar waarvan sommige onderdelen uit de late middeleeuwen stammen. En nu is het fraai gerestaureerd. Opvallend is dat de oude winkelpui is gesloopt, en vervangen door een moderne pui met centrale entree. Die oude pui had echter geen monumentale waarde en werd pas aangebracht toen het huis in 1936 werd omgebouwd tot slagerij. Heel mooi is dat de kelder met zijn tongewelf is ingericht als winkelruimte. Deze kelder was oorspronkelijk alleen via de straat te bereiken. Later is er ook inpandig een keldertrap gemetseld. De oorspronkelijke keldertoegang is jaren verstopt geweest onder een ijzeren dekplaat, zoals we kunnen zien bij meer panden in de Roermondse binnenstad (bijvoorbeeld Brugstraat 7). De oude keldertoegang van Marktstraat 8 is sinds de verbouwing weer zichtbaar onder een glazen afdekking komen te liggen.

Eén punt is nog niet gerealiseerd, en dat is de openstelling van de naastliggende Gats, die naar de Roerkade loopt. De steeg was jarenlang volledig afgesloten en onzichtbaar achter een dichte houten poort. In 2012 is er aan de kant van de Marktstraat een deftige smeedijzeren poort in gemaakt. De doorgang tot aan de Roerkade is nog niet gerealiseerd omdat de verschillende eigenaren van het stukje grond niet met elkaar tot overeenstemming kunnen komen.

 

Literatuur:
• Linssen, J., Roermond rond 1400, in: Publications de la Société Historique et Archéologique dans le Limbourg 101 (1965) aldaar blz. 87.
• Dukers, B., Cultuurhistorische analyse Marktstraat 8 Roermond, januari 2012.

De omstreden verkoop van een beeldengroep in Boukoul

In 1956 werd een middeleeuws houten beeldje uit de Boukoulse St.-Theresiakerk verkocht aan het Rijksmuseum. Van de 25 duizend gulden die het kerkbestuur met de (omstreden) verkoop opstreek, liet men ramen maken door de Roermondse glazenier Max Weiss. Niet iedereen was in zijn sas met de move van het kerkbestuur.

Wat voorafging. In 1933 liep burgemeester Charles Strens van Swalmen, een kruiwagen voor zich uit duwend, over de bochtige weg tussen het wegkapelletje in de dorpskern en zijn woning Graeterhof. In de kruiwagen vervoerde de burgervader een niet alledaags voorwerp: een middeleeuws beeld, daterend uit omstreeks 1480 en van de hand van de bekende beeldsnijder Arnt van Kalkar.

Strens, die het kostbare kleinood de volgende drie jaar bij zich op Graeterhof zou houden, had het beeld niet zomaar meegenomen. In de kapel waar het houtsnijwerk zich al sinds halverwege de negentiende eeuw bevond, was eenvoudig geen plaats meer. Besloten was namelijk dat Boukoul verrijkt zou worden met een kerk, en in het kapelletje zou een offerblok worden geplaatst om geld bijeen te brengen voor de bouw daarvan. Tevens werd er een beeld geplaatst van de heilige Theresia, de naamgeefster van het nieuwe godshuis.

De kapel in Boukoul, waar de Bewening lange tijd stond

Hoe het houtsnijwerk dat Strens die dag in 1933 in een kruiwagen vervoerde, überhaupt in Boukoul belandde, is nog onopgehelderd. Omdat op het beeld, dat de bewening van Christus voorstelt, een kartuizer monnik is afgebeeld, wordt verondersteld dat het ooit zijn plaats had in de nabijgelegen Roermondse kartuis, die aan het eind van de achttiende eeuw werd opgeheven. Misschien is het daarna meegenomen door een monnik die in de buurt pastoor werd. Maar het is ook mogelijk dat het tijdens een fancy fair begin negentiende eeuw in Roermond is gekocht door de familie Obers, de stichters van de Boukoulse kapel.

Drie jaar stond de ‘bewening’ in de Graeterhof, tot de Theresiakerk in 1936 gereed kwam en het weer in het kapelletje teruggezet kon worden. De nieuwe kerk was ontworpen door de Roermondse architect Jos Franssen, met in het priesterkoor prachtige glas-in-loodramen van Joep Nicolas.

De kerk was echter geen lang leven beschoren. Op 28 februari 1945, één dag voor de bevrijding van Roermond, Swalmen en Maasniel, werd de toren opgeblazen door een Duits ‘Sprengkommando’. Die groep van (zo wordt gezegd) stomdronken Duitse soldaten blies diezelfde dag ook de toren van de kathedraal en de kerk in Maasniel op.

Verkoop van de bewening

 De St.-Theresiakerk werd al in 1946-47 hersteld, maar het ligt voor de hand dat de restauratiekosten een enorme last zijn geweest voor de kerkgemeenschap, die het in de na-oorlogse jaren tóch al niet breed had. Waarschijnlijk heeft geldnood uiteindelijk, in 1956, geleid tot verkoop van de “bewening” door het kerkbestuur aan het Rijksmuseum in Amsterdam.

Dat vormde het begin van een kleine affaire. Want had het kerkbestuur wel het recht om het beeldje te verkopen? Moest de bisschop daar niet in worden gekend? Hoe verhield zich de verkoop door het kerkbestuur met het kerkelijk recht? Trouwens, was de kerk überhaupt wel de rechtmatige eigenaar van het beeld? Of was het misschien eerder het collectieve eigendom van de Boukoulse parochianen?

Landelijke katholieke dagbladen als de Volkskrant en De Tijd berichtten over de verkoop van het beeldje, deskundigen als de Sittardse kunsthistoricus Zef Timmers bemoeiden zich ermee, en burgemeester Strens (een liberaal) probeerde de verkoop te verhinderen door een handtekeningenactie op poten te zetten.

Uiteindelijk gebeurde er echter helemaal niets, waarschijnlijk omdat een Midden-Limburgse poldervariant zijn werk deed én omdat iedereen zich pas druk begon te maken toen de feitelijke deal al rond was. Timmers besloot bij nader inzien er niet te veel energie in te steken. Het bisdom maakte zich er ook niet overdreven druk over, al vond de secretaris van de bisschop wel dat het kerkbestuur de parochianen eigenlijk zelf had moeten vragen wat ze van de verkoop vonden. Het Boukoulse kerkbestuur was voor geen gat te vangen, en meldde bij monde van rector Eugène Debie monter dat dit nog altijd wel kon gebeuren. “Dit (…) zal wel geen moeilijkheden opleveren,” vermoedde Debie.

Tenslotte liep de handtekeningenactie van de burgemeester uit op een fiasco. Meer dan vijftien handtekeningen zou hij (volgens Debie in een brief aan het bisdom) niet hebben opgehaald. Debie: “En dan moet u weten van wie en waarom.”

En zo wisselde het beeldje voor 25.000 gulden van eigenaar. Een groot deel van het geld werd ­gebruikt om het noodglas in de kerk te vervangen door nieuwe glazen. De man die de nieuwe ramen zou maken was een in 1910 geboren Duitser die in 1939 het atelier Nicolas in Roermond kocht: Max Weiss.

Raam van Max Weiss in de Theresiakerk van Boukoul.

Ramen

De ramen van de Theresiakerk zijn van de hand van twee kunstenaars. Joep Nicolas maakte de ramen in het priesterkoor, dat nog behoort tot het originele deel van de kerk: het gedeelte dat het opblazen van de kerktoren in februari 1945 overleefde.

Nicolas vertrok in 1939 uit Roermond en vestigde zich in Amerika. Het atelier verkocht hij aan zijn voormalige chef d’atelier Max Weiss. De ramen die Weiss voor de Boukoulse kerk maakte, zouden zijn gemaakt naar een ontwerp van Nicolas. Hoe dat te rijmen is met de slechte relatie die Nicolas en Weiss na de oorlog hadden, is niet direct duidelijk. Misschien was het oorspronkelijk de bedoeling dat Nicolas de gehele kerk zou beglazen, maakte hij er ook de ontwerpen voor, maar gooide de oorlog en Nicolas’ vertrek naar Amerika roet in het eten. Weiss zou dan bij de koop van het atelier in 1939 ook deze lopende (?) opdracht en de daarvoor reeds gemaakte ontwerpen hebben overgenomen.

 

Dit is de bewerkte versie van een artikel dat eerder werd gepubliceerd in Ruimtelijk, het kwartaalblad van de Stichting Ruimte in Roermond. Het verhaal van de beeldjesaffaire is gebaseerd op Frits Scholten, ‘Daar krijgen we ’n hoop gedonder mee, de affaire van de beeldengroep uit Boekoel,’ in: Bulletin van het rijksmuseum 4 (2006) 461-467.

 

De Noormannen in Asselt

In september 2017 verscheen een lijvig rapport van archeoloog dr. Leo Verhart, waarin deze het onderzoek dat dr. J.H. Holwerda in 1928 en 1929 uitvoerde naar een vermeend Noormannenkamp en Karolingische curtis in Asselt, tegen het licht hield. Verhart concludeerde dat de methodes die Holwerda hanteerde niet van deze tijd zijn en dat diens conclusies in het geheel niet kloppen. Holwerda vond helemaal niets dat het bestaan van een Noormannenkamp of een Karolingische curtis (het centrum van een agrarisch domein) in Asselt aantoonde. Hoe zit het nu met die Noormannen daar?

Uit de kroniek die Regino, de zevende abt van Prüm in het jaar 907 schreef:
Eveneens vestigden zich in hetzelfde jaar in de maand november twee koningen van de Noormannen, Godfried en Siegdried, met een niet te schatten menigte voetvolk en ruiters op een plaats die wordt genoemd Haslon aan de Maas.

Uit de Annalen van Fulda, in de versie van Meginhard:
… en met dezelfde instelling trokken ze [een groot leger van Franken, Alamannen, Norikers, Thüringers en Saksen, onder aanvoering van keizer Karel de Dikke] op vol verlangen om te vechten tegen de Noormannen. Toen ze daar waren aangekomen, belegerden ze hun versterking, welke Ascloha wordt genoemd.

Wat we in de kronieken kunnen lezen, is dat een grote Noormannenmacht in 881 neerstreek in een Frankische curtis, Ascloha genaamd  (ook: Ascloa, Haslon of Ahslon) en vanuit dat kamp kloosters en steden langs de Maas en Rijn plunderden en vernielden: Maastricht, Cornelimünster, Prüm, Aken, Trier, Keulen en Bonn waren onder de plaatsen die worden genoemd. Keizer Karel III de Dikke trok vervolgens met een legermacht die was samengesteld uit krijgers van diverse nationaliteiten op naar die plaats om de Noormannen daar te bestrijden. In plaats van het op een beslissende veldslag te laten aankomen (en de zege was volgens de kroniekschrijvers onvermijdelijk), knoopte de keizer echter onderhandelingen aan met de koningen Siegfried en Godfried, kocht hij de ene om met een zilverschat en beleende hij de andere met een paar graafschappen.

Dat Ascloha een Frankische curtis was staat vast want twee decennia eerder, in 860, vaardigde Lotharius vanuit die plaats een oorkonde uit. De vraag wáár Ascloha lag, is echter al decennia een onderwerp van debat.

In 1924 publiceerde de Roermondse landmeter A.F. van Beurden een artikel over ‘Hillenrade, Swalmen en Asselt’ in het jaarboek van het Provinciaal Genootschap Limburg, destijds zo’n beetje de Roermondse tegenhanger van het Maastrichtse Limburgs Geschied- en Oudheidkundig Genootschap. Het stuk was typisch voor de journalistieke stijl van Van Beurden, die zijn verhalen graag goot in de vorm van een wandeling waarbij hij zijn lezers als het ware bij de hand nam en vervolgens niet alleen strooide met historische gegevens, maar ook vertelde over het landschap, over opvliegende vogels, en het werk dat de boeren op het land verrichtten.

Bij Asselt aangekomen maakte hij melding van het “door een muur omgord plateform” waarop de kerk is gebouwd, maar schreef hij ook dat  onder het oppervlak verborgen de fundamenten zaten van “een bemuurd vierkant, overeenkomende met de huidige bemuring, maar met vier torens van vier meter middellijn op de hoeken.”
Van Beurden had deze funderingen waargenomen toen in 1916 de ringmuur waar hij over schrijft, en die de kerkberg  beschermde tegen de “woelende wateren der Maas” moest worden hersteld. De landmeter liet uiteraard niet na om van de situatie ook een tekening te maken, waarop hij de hoektorens intekende.

Een dergelijke vondst bij het duizend jaar oude kerkje, dat is opgebouwd uit veldstenen waartussen ook Romeinse dakpannen en restanten van een Romeins hypocaustum (verwarmingssysteem) zijn aangebracht, zou normaal tot enige historische beroering hebben geleid. Maar nu niet. Volgens Van Beurden was de gebrekkige belangstelling te wijten aan de rector van de Asseltse kerk, J.H. Pinckers (1876-1945), die bang zou zijn geweest dat verder onderzoek zou leiden tot uitstel van de renovatiewerken die toen aan de gang waren, en daarom de uitgegraven fundamenten weer snel liet toedekken.

De veronderstelling van Van Beurden, dat Pinckers voorrang gaf aan het restauratieproject en daarom de hele zaak snel dichtgooide, lijkt onwaarschijnlijk. De rector en latere pastoor was juist een enorme promotor van de geschiedenis van Asselt die destijds al was begonnen met het aanleggen van een verzameling historische objecten, maar die zich ook interesseerde voor volksgebruiken. Zijn verzamelwoede culmineerde in 1927 in de opening van het Folkloristisch en Oudheidkundig Museum, waar Pinckers zijn steeds verder uitdijende collectie tentoon kon stellen en dat werd gevestigd in het voormalige bakhuis van de naastgelegen boerderij Asselterhof.


De vraag is eerder of de fantasie niet een beetje aan de haal is gegaan met Van Beurden. Een ander die de herstelwerkzaamheden in 1916 met bijzondere interesse volgde, was de latere Rijksarchivaris  J. Goossens, overigens een neef van Pinckers. In 1918 schreef Goossens in de Maasgouw, het contactblad van de LGOG, over Asselt “dat men bij het graafwerk voor de fundeeringen van het nieuwe koor, links en rechts daarvan, oud metselwerk gevonden heeft, dat diep in den bodem zat en door zijn ronden vorm aan de grondslagen van hoektorens deed denken. Het Romeinsch karakter er van kon evenwel niet met zekerheid vastgesteld worden.” (J. Goossens, Romeinsche vondsten in Limburg in 1917, in: De Maasgouw febr. 1918, no. 2, blz. 11) De rondelen die Van Beurden aan de westkant van de muur tekende, werden door Goossens niet vermeld.

Holwerda

Meer dan tien jaar later verscheen een nieuwe figuur op het toneel in de persoon van dr. J.H. Holwerda, directeur van het Rijksmuseum van Oudheden in Leiden en in die tijd absoluut de grootste autoriteit op archeologisch gebied. Holwerda stond al enige tijd in contact met Van Beurden maar ook met Pinckers, die ervan overtuigd was dat er in de omgeving van het eeuwenoude kerkje veel meer kon worden gevonden, als er maar deugdelijk archeologisch onderzoek zou plaatsvinden. En wie anders dan Holwerda zou dit onderzoek moeten verrichten? Holwerda hield de boot lange tijd af maar toen Pinckers in het voorjaar van 1928 bij graafwerk achter het museum stootte op onder andere graven en funderingen, hapte hij toe. Nog in de zomer van 1928 en in 1929 voerde hij opgravingen uit rond het kerkje en achter het museum.

Holwerda hapte niet zomaar. Hij was al langer op zoek naar het Noormannenkamp Ascloa, dat hij in eerste instantie zocht in Elsloo. De opgravingen die hij daar verrichtte, bleven echter zonder succes. Daarnaast deed hij ook onderzoek in Dorestad (Wijk bij Duurstede) waar hij eveneens een Karolingische koningshof vermoedde en die hij later ook meende te hebben ontdekt.

Gravure van de Brittenburg

Hoe zo’n Karolingische curtis er precies uitzag en waar hij dus naar moest zoeken was niet helemaal duidelijk, maar in 1923 werd hij geattendeerd op een schilderij van de zogenaamde Brittenburg, een tegenwoordig verdwenen Romeinse ruïne bij Katwijk aan Zee. Op dat schilderij, dat Holwerda in 1926 verwierf voor zijn museum, is de Brittenburg afgebeeld als een plattegrond met halfronde torens. Voor Holwerda was het aanleiding om zich verder te oriënteren op vroeg-middeleeuwse vestingen, waarna hij uiteindelijk concludeerde dat de Brittenburg geen Romeins bouwwerk was, maar een Karolingische curtis die was opgebouwd met ouder Romeins materiaal. Voor Holwerda was het duidelijk: zó zag een Karolingische curtis er dus uit.

Ongetwijfeld kreeg voor Holwerda ook de tekening die Van Beurden in 1924 publiceerde daarmee een grotere betekenis en toen Pinckers hem in 1928 schreef dat hij bij de verbouwing van zijn museum op funderingen en graven was gestoten, trok hij snel daarna naar Asselt om er te graven. Dat wil zeggen: om de boeren uit de omgeving te laten graven, want daar begon Holwerda niet zelf aan. Verhart: “Er is niet een foto bekend van Holwerda met een schep in zijn hand.”

Niet open minded

Voor Holwerda moet het zijn geweest alsof een aantal puzzelstukjes plotseling op hun plaats vielen: de tekening van Van Beurden, het schilderij van de Brittenburg, de naamkundige verwantschap tussen Ascloha en Asselt. Juist dat lijkt zijn valkuil te zijn geweest: Holwerda begon niet onbevangen en ‘open minded’ aan de opgravingen. Hij wist bij wijze van spreke al wat hij in Asselt zou aantreffen, namelijk een Karolingische curtis die in verband gebracht kon worden met het Noormannenkamp Ascloha. Verhart toont in zijn rapport aan waar Holwerda in de fout ging. Dat begon al bij het sleuvenonderzoek, waarbij lange greppels en putten werden gegraven en waarbij verkleuring van de aarde vervolgens aanwijzingen konden geven, en er zo nu en dan natuurlijk ook tastbare zaken als scherven naar boven kwamen. Het is een methode die zeker zijn verdiensten had maar die niet veel zekerheden oplevert omdat de putten en sleuven vaak te ver uiteen liggen om er goede conclusies uit te kunnen trekken.

In Dorestad had Holwerda op de locatie De Heul dezelfde methode toegepast en ook daar meende hij een Karolingische curtis gevonden te hebben. Maar net als in Asselt verbond hij in Dorestad té gemakkelijk een grondspoor uit de ene sleuf met een spoor uit een andere sleuf. Toen later nieuw onderzoek plaatsvond op de plaats waar Holwerda meende de curtis van Dorestad te hebben gevonden, werd aangetoond dat hij waarschijnlijk was gestoten op de overblijfselen van een houten kerkje, met wat begravingen eromheen, maar zeker niet op een curtis.

Holwerda en zijn vrouw poseren voor een auto.

Net als in Dorestad leidden de opgravingen in Asselt tot vondsten van funderingen, keienbedden, scherven en bouwfragmenten, en kon Holwerda de verleiding niet weerstaan om ze allemaal in verband te brengen met een Karolingische curtis, waarvan hij vóór de opgravingen al had laten weten dat hij hoopte dat hij hem zou vinden. Een aantal merkwaardige en onverklaarbare zaken, die eigenlijk niet zo goed in het verhaal pasten, nam hij daarbij voor lief. Bijvoorbeeld dat de keienbedden die hij aantrof in het oosten van het opgravingsgebied aanmerkelijk hoger lagen dan die in het westen, wat zou hebben betekend dat de curtis op een hellend vlak zou hebben gelegen. Zeer onwaarschijnlijk voor een verdedigingswerk.

Nog zo’n onwaarschijnlijkheid: Holwerda trof een gracht aan die rondom de curtis zou zijn aangelegd, evenals sporen van een omwalling. Dat zou mooi passen in het beeld van een curtis, alleen zou de gracht die Holwerda vond dan aan de binnenzijde van het curtisterrein gelegen moeten hebben, en de omwalling daarbuiten. Dat is bijzonder merkwaardig: bij alle verdedigingswerken ligt die gracht juist aan de buitenzijde met daarachter een omwalling.

Leo Verhart besluit zijn rapport met de conclusie dat bij het Rozenkerkje, de locatie waar Holwerda zocht, “geen Karolingische curtis met voorhof, noch een Noormannenkamp heeft gelegen.” Holwerda legde veel te gemakkelijk verbindingen zonder deze goed te onderbouwen.

Overigens is Verhart niet de eerste die ernstig twijfelde aan Holwerda’s onderzoeksresultaten. In 1973 schreef oud-pastoor dr. A. van Rijswijck van Asselt over Holwerda: “Helaas: deze verdienstelijke man bezat de eigenaardigheid om altijd in de grond aan te treffen, wat hij er tevoren al in aanwezig had vermoed (…) Hij neemt de mening van Van Beurden omtrent de bastions over en fantaseert er een gracht, een wal, een muur van palissaden bij.”
In 1996 kwamen J. Venner en J. Verlinden tot eenzelfde conclusie, toen kort daarvoor duidelijk was geworden dat Holwerda in Dorestad in de fout was gegaan. “Nu aangetoond is dat in De Heul geen curtis gelegen was, is elke gedachte over het uiterlijk van de curtis daar zonder waarde. Daarmee is ook het fundament weggeslagen onder de gedachten van Holwerda met betrekking tot de curtis in Asselt en de vorm daarvan. Holwerda trok namelijk zeer nadrukkelijk parallellen tussen de vindplaatsen in Dorestad en Asselt.”

 

Asselt heeft de beste papieren

Leo Verhart toonde aan dat het onderzoek van Holwerda zo lek als een mandje was. De curtis Ascloha lag niet op de plaats waar Holwerda hem vermoedde, namelijk in de directe omgeving van de kerk. Maar dat sluit andere locaties in de buurt niet uit, want Asselt blijft ondanks deze bevindingen toch de meest waarschijnlijke kandidaat voor de curtis Ascloha.

Lang is Ascloha geïdentificeerd met Elsloo, maar dat is eigenlijk alleen gebeurd omdat Bollandus de naam Ascloha in de zeventiende eeuw abusievelijk vertaalde als Elsloo, een fout die vervolgens eeuwenlang kritiekloos is overgenomen. Tegen Elsloo en voor Asselt pleiten nog andere zaken. Allereerst wordt Ascloha in de oude bronnen uit de negende en tiende eeuw steeds genoemd in samenhang met plaatsnamen rond Roermond, het is dus waarschijnlijk dat het dichtbij Roermond lag.

Ook naamkundige gegevens pleiten voor Asselt. Het eerste deel van de naam Ascloha is een verwijzing naar essen (de bomen), het tweede (loa) naar bos (vergelijk het woord: loo). Bij Elsloo wordt verwezen naar een elzenbos. De letter ‘h’ die soms wordt toegevoegd (Ahslon, Haslon, Ascloha) heeft volgens de naamkundigen geen betekenis, zodat het eerste deel van de naam altijd ‘es’ en het tweede deel altijd ‘loo’ is. Elsloo kan echter nooit ‘Esloo’ worden, volgens de naamkundigen omdat de L in Elsloo onverbrekelijk verbonden is met het eerste deel van de naam.