Auteur: Rondom Roermond

Henry Luyten: Verbannen naar het depot

Kort voor het einde van de oorlog, op 21 januari 1945, overleed de Roermondse schilder Henry Luyten. Zijn werk stond aan de basis van de stichting van het stedelijk museum en behoorde tot de basiscollectie ervan. Voor zijn beroemde drieluik De Werkstaking werd zelfs een aparte zaal ingericht. Na de verbouwing tot Cuypershuis zijn De Werkstaking, en Luyten überhaupt, de grote afwezigen. Roermond heeft zich ontdaan van het enorme doek, en heeft de overige schilderijen verbannen naar het depot, waar ze slechts bij uitzondering uit worden gehaald. De lotgevallen van een schilderij.

In het najaar van 1886 besloot Henry Luyten zich voor enige tijd te vestigen in de Borinage, de mijnstreek rond Charleroi. Het was sociale bewogenheid die de toen 27-jarige schilder naar die troosteloze streek dreef. Het was een tijd van sociale gisting, van syndicalisme, opkomend socialisme en op weinig plaatsen was de somberheid, de armoede en de uitzichtloosheid zo groot als daar.
Luyten was niet de enige kunstenaar die de misère opzocht. Constantin Meunier haalde er de inspiratie voor zijn belangrijkste werken, Emile Zola schreef in deze tijd zijn ‘Germinal’ over het leven van mijnwerkers. Een andere was Vincent van Gogh, die in 1879 een tijdje als predikant werkte in het troosteloze dorp Wasmes, vlak bij de mijn van Marcasse.
In 1886, juist toen Luyten in de Borinage verbleef, kwam het tot een nieuwe massastaking die zich als een inktvlek over de Waalse mijnsteden verspreidde. Luyten was erbij, vereenzelvigde zich met de stakers en herinnerde zich nog een halve eeuw later de sfeer van toen. “Ik ben mee afgedaald in de mijn en heb de werkstaking heelemaal medegemaakt. Dat maakt je koud, zoo iets… Je siddert ervan en je vergeet jezelf.”
De toen opgedane ervaringen zetten hem ertoe aan een enorm drieluik te schilderen: De Werkstaking. In 1888 begon hij te werken aan het doek dat hij pas in 1892 zou voltooien. Op het middendeel (drie meter hoog en vijf meter breed!) schilderde hij de emoties en de opgewonden sfeer tijdens een mijnwerkersvergadering op het moment dat de staking wordt uitgeroepen. Een van de mannen staat half op een tafel, half op een stoel en lijkt te worden toegejuicht. Armen gaan de lucht in, er wordt geschreeuwd, vuisten worden gebald. In het midden houdt iemand een rode vlag vast, op de voorgrond ligt een gewonde man met een verband om zijn hoofd.
Het linker zijpaneel (‘Miserie’, 3 x 2,5 meter) stelt een bedelende mijnwerkersweduwe voor, het rechter zijpaneel (‘Na de opstand’, 3 x 2,5 meter) een soldaat die de wacht houdt bij de lijken van doodgeschoten stakers.

Dramatisch

Zowel de stijl als de thematiek van De Werkstaking wijken nogal af van de zonnige, kleurrijke schilderijen waarmee Luyten vaak wordt geassocieerd.
“Toch was Luyten zijn leven lang een sociaal bewogen schilder,” zegt zijn Belgische biograaf Jozef de Beenhouwer. “De werkstaking is enorm dramatisch, en heeft een geweldige emotionele kracht. Het is juist dat hij later veel geld heeft verdiend met het schilderen van portretten van rijke burgers en van Duitse adel. Daardoor kreeg hij bij sommigen de naam van een elite-schilder, iemand die vooral de rijken bediende. Maar dat doet hem tekort. Luyten is daarnaast altijd de gewone mensen blijven schilderen, om te tonen hoe ze leefden en werkten.”
De Beenhouwer is een gepassioneerd liefhebber van Luyten. Niet alleen schreef hij een biografie over de schilder (1995) en een boek over diens schilderschool in Brasschaat (2008), hij was ook een van de initiatiefnemers van de ‘Stichting Henry Luyten’ in Brasschaat, die zich ervoor sterk maakt om de schilder niet in de vergetelheid te doen belanden.
“De virtuose schilderstechniek van Luyten, de manier waarop hij met kleuren omspringt is uniek. Die menging van kleuren, en de effecten die hij daarmee bereikt is zeldzaam.”
De Werkstaking wordt door De Beenhouwer tot zijn belangrijkste werken gerekend. “Wellicht het belangrijkste uit zijn vroege periode. In de kunstgeschiedenis is dit de tijd van het sociaal realisme en daarin is het een topwerk, sensationeel en in die tijd ook choquerend. Het heeft zijn carrière natuurlijk ook geschaad, want het was uiteindelijk ook een aanklacht tegen de burgerij.”

Lof en kritiek

Luyten oogst kritiek, maar vooral lof met zijn drieluik. Als het in 1892 in Gent wordt geëxposeerd, krijgt hij daarvoor een ‘Grote Gouden Medaille’. Twee jaar later op de Wereldtentoonstelling in Antwerpen, valt De Werkstaking eveneens in de prijzen. Ook in het buitenland wordt het doek geëxposeerd, onder andere in Dresden, Londen en in Parijs.
In 1897 wordt het drieluik zelfs naar de Verenigde Staten verscheept, met de bedoeling het daar in een aantal steden te exposeren. De plannen werden echter slecht voorbereid en de hele opzet voor een Amerikaanse tournee viel in het water. Uiteindelijk werd het werk alleen in Saint Louis geëxposeerd.
Het avontuur in Amerika liep dan wel uit op een flop, met de carrière van Luyten ging het omstreeks 1900 steil bergopwaarts. De doorbraak lijkt een grote tentoonstelling eind 1903 in Wenen te zijn geweest, met De Werkstaking als het stralende middelpunt.
In de pers wordt de triptiek (“levensgroot, in donker en toch doorleefd koloriet”) bejubeld. In dezelfde tijd was in Wenen ook een tentoonstelling van Gustav Klimt, maar voor “werkelijke genialiteit” moest je volgens een krant uit die tijd bij Luyten zijn. “Ook in zijn andere werk blijft Luyten de schilder van de armoede, van de vissers, de landarbeiders, de dagloners, en welk een uitdrukkingskracht weet hij aan hun gezichten te geven!”
Ook buiten de krantenkolommen wordt hij bejubeld en gefêteerd. Om hem te eren werden banketten gegeven en hij kreeg een betrekking aan de Weense ‘Akademie’ aangeboden. Volgens zijn latere echtgenote Hedwig Behnisch zou hij toen gearmd met de aartshertog door de stad hebben gewandeld. De tentoonstelling in Wenen was de opmaat voor een triomftocht.
De Beenhouwer: “In die periode was hij wereldberoemd. In Duitsland was hij echt een van de grote namen. Gedurende jaren had hij in alle grote Duitse steden overzichtstentoonstellingen van zijn werk.”

Saksische adel

Belangrijk was dat Luyten in Dresden kennis maakte met Freifrau Margaretha von Helldorff. Via haar kwam hij in contact met de Saksische adel en ontwikkelde zich in die kringen tot een veelgevraagde en geliefde portretschilder. Met zijn impressionistische werk, en met name door zijn werk als portretschilder voor deze adellijke Duitse families vergaarde Luyten een kapitaal. Niet alleen in financieel maar ook in artistiek opzicht wordt deze periode vóór het uitbreken van de eerste wereldoorlog tot de succesvolste van zijn leven beschouwd. Margaretha von Helldorff schonk het portret dat Luyten van haar schilderde later aan het museum in Roermond.
Naast zijn werk voor particuliere opdrachtgevers begon hij in zijn woonplaats Brasschaat (bij Antwerpen) een schilderschool, een soort post-academische opleiding die kunstenaars uit heel Europa en zelfs uit de VS trok. De inmiddels zeer vermogende Luyten bouwde zijn woonhuis uit tot een aanzienlijk landgoed door de aangrenzende grond met daarop diverse panden aan te kopen. Diverse gebouwen van dat landgoed staan er nog steeds, in de buurt van het Henry Luyten Plein, waar ook een standbeeld voor hem is opgericht.

 Afnemende waardering

Het Gulden Doek van Vlaanderen. Foto: Wikipedia

Toch kwam zowel aan die financiële voorspoed als aan de waardering een einde. Dat kwam voor een gedeelte door ontwikkelingen in zijn privé-leven en door de politieke situatie in België.
Midden in de eerste wereldoorlog, in 1917, trouwde Luyten in Breslau met de Duitse Hedwig Behnisch, sinds 1907 een van zijn meest begaafde studentes aan het schilderinstituut van Brasschaat. Juist in die tijd was het huwelijk van Luyten met zijn Duitse geliefde natuurlijk verre van politiek correct en het zal links en rechts kwaad bloed hebben gezet.
Daarnaast speelde de verscheurdheid van België en de strijd tussen Frans- en Vlaamstaligen hem parten. Daarbij is te bedenken dat het Frans in die tijd nog de taal van de elite en van de overheid was, en de Vlaamse beweging nog een emancipatiebeweging die zich verzette zich tegen de toenemende verfransing en de eigen Vlaamse cultuur bedreigd zag. Luyten, die zich in 1896 liet naturaliseren tot Belg, sprak zich daar heel duidelijk over uit: hij was Vlaamsgezind. Het bracht hem ertoe om in 1916 een door de Duitse bezetter ondersteunde petitie voor de vervlaamsing van de Hogeschool van Gent te ondertekenen.
Zijn belangrijkste Vlaamsgezinde statement was echter, hoe kan het ook anders, een schilderij: het ‘Gulden Doek van Vlaanderen’ , een groot werk (3,3 x 4,7 meter) waaraan hij vanaf 1931 werkte en waarop meer dan honderd vooraanstaande Vlamingen uit de hele geschiedenis werden afgebeeld. Het Gulden Doek is een monument van Vlaams nationalisme en is te bezichtigen in de IJzertoren in Diksmuide.
Luytens pro-Vlaamse stellingname, zijn huwelijk met een Duitse vrouw en zijn uitstekende relaties in Duitsland leverden hem veel vijanden op. Na afloop van de oorlog werd hij als het ware in de ban gedaan. In België werden opdrachten en aanstellingen teruggetrokken, en voor officiële exposities werd hij niet meer uitgenodigd.
De Beenhouwer: “Het had vooral te maken met Luytens houding tijdens de Eerste Wereldoorlog. Hij is altijd erkentelijk gebleven voor de enorme kansen en waardering die hij voor de oorlog in Duitsland had gekregen. Het ligt allemaal zeer genuanceerd. Maar in België werd hij na 1918 persona non grata. Daar zat natuurlijk ook een hoop nijd bij van minder succesvolle collega’s.”
Het waren moeilijke jaren, waarin het vóór de oorlog opgebouwde kapitaal volledig opdroogde en de ooit zo gefortuneerde schilder financieel helemaal aan de grond kwam te zitten. Dat verklaart wellicht ook waarom de tachtigjarige Luyten in 1939 de Rembrandt-prijs van de Hamburgse universiteit accepteerde, een onderscheiding voor uitzonderlijke culturele prestaties in het Nederlandse taalgebied. Het was een prestigieuze prijs die in het Derde Rijk ook een politiek beladen prijs werd, maar Luyten had het geld dat aan de prijs was verbonden hard nodig. “Sie haben mich vor dem Untergang gerettet,” schreef hij dankbaar aan de Hamburgse universiteit.

Het standbeeld van Luyten in Brasschaat

Toch was het dalende prestige van Luyten niet alleen het gevolg van zijn pro-Vlaamse stellingname, politieke en persoonlijke omstandigheden. Misschien wel het allerbelangrijkst was de ontwikkeling in de kunstwereld. Terwijl de moderne kunst zich in sneltreinvaart ontwikkelde, bleef Luyten trouw aan zijn stijl. Hij ging niet mee in de nieuwe golf van expressionisme met zijn abstractere vormen, maar bleef doen wat hij altijd had gedaan. Zijn werk, hoe volmaakt dan ook vanuit artistiek en technisch opzicht, werd door veel critici als achterhaald beschouwd. Ook om die reden werd hij minder geëxposeerd en leverde zijn werk steeds minder op.
De gang van zaken rond De Werkstaking is illustratief. Toen hij in 1915 werd benoemd als lid van de beheerraad van het Koninklijk Museum voor Schone Kunsten, schonk Luyten het doek aan het museum, als blijk van “dankbaarheid en liefde voor de Stad Antwerpen.”
In de na-oorlogse jaren werd het echter steeds minder geëxposeerd en kwam er ook steeds meer kritiek, vooral natuurlijk bij de Franstaligen. Na een laatste grote overzichtstentoonstelling in Antwerpen (1924) werd het drieluik neergesabeld door een verslaggever van Le journal d’Anvers: “De sociale schilderkunst -overigens een compleet verouderd en ook nog eens onverdraaglijk genre- heeft nooit een deerniswekkender en braakverwekkender werk voortgebracht…”

Woedende brief

Luyten zag die ontwikkeling en besloot in 1930 tot een dramatische actie. Hij schreef een woedende brief aan de stad Antwerpen, waarin hij opmerkte dat het doek al twee jaar niet meer te zien was geweest. “Ik heb tot mijn droefheid moeten vaststellen dat de heren van de beheerraad en de conservator de kunstwaarde van mijn werk in twijfel trekken.” Daarom eiste hij het nu terug.
Korte tijd later bood hij zijn geboortestad Roermond 25 belangrijke schilderijen aan, op voorwaarde dat ze zouden worden geëxposeerd in een zaal die naar zijn wensen zou worden vormgegeven en waar uitsluitend werk van zijn hand te zien zou zijn.
De gemeente Roermond ging daarmee akkoord: de schenking van Luyten werd de basis van het latere gemeentelijke museum, al werd de aan hem gewijde zaal een stuk kleiner dan oorspronkelijk bedoeld. Tevens werd door de bemiddeling van de Roermondse burgemeester Waszink een oplossing gevonden voor het conflict over De Werkstaking: het doek werd door de stad Antwerpen in bruikleen gegeven aan Roermond. Jarenlang vormde het een van de ijkpunten in de vaste collectie van het museum. De Luyten-collectie van het stedelijk museum werd later nog aanzienlijk uitgebreid door schenkingen van zijn weduwe Hedwig Behnisch.

Zo enorm is De Werkstaking. De foto is genomen toen het werk voor een tentoonstelling in Duitsland tijdelijk werd uitgeleend.

Sinds het stedelijk museum werd omgevormd tot Cuypershuis, wordt Luyten niet meer permanent geëxposeerd in Roermond. De schilder die ooit in heel Europa werd gevierd lijkt zelfs in zijn geboortestad niet meer echt te worden gewaardeerd. Jeannine Hövelings van het Cuypershuis: “Er waren natuurlijk veel schilders die in dezelfde stijl werkten, denk aan Mesdag. Luyten was goed, maar ik denk niet dat hij er echt bovenuit sprong.”
Voor De werkstaking, het doek dat ooit voor zo veel ophef zorgde en dat in verschillende grote steden werd geëxposeerd en zelfs tijdelijk in Amerika was te zien, was in Roermond geen plaats meer. Zelfs de kosten voor een extern depot wilde de stad niet meer voor zijn rekening nemen, dus werd het teruggegeven aan Antwerpen. Daar weet men er ook niets anders mee te doen dan het in depot te bewaren.
Doodzonde, zegt De Beenhouwer: “Luyten is een kunstenaar waar Roermond heel fier op kan zijn, maar die nog steeds wordt onderschat. Maar dit komt natuurlijk ook voor een stuk door onwetendheid, en omdat zijn werk helaas niet geëxposeerd wordt.”


Verder lezen:

De Beenhouwer, J. Henry Luyten (1859-1945), Antwerpen z.j. (1995)
De Beenhouwer, J., ‘Institut des Beaux-Arts’ Henry Luyten in Brasschaat. Een terugblik na honderd jaar, z.p., z.j.
Hoekstra, R., en R. Knoops, Een ongemakkelijk geschenk. De stichting van het Gemeentemuseum Roermond in 1932 en de eerste dertig jaar, in Spiegel van Roermond 21 (2013) 14-33.

De opmars van de boom

Oosterse beuk in het stadspark Hattem. De boom werd mogelijk in 1868 geplant, bij de opening van de Michielsbrug. Foto: Harry Segers (www.harrysegers.nl)

De spanning was voelbaar in het kleine groepje nieuwsgierigen dat zich op die maandag 31 augustus 2015 al om acht uur ’s morgens had verzameld op het Munsterplein in Roermond. Die ochtend zou een 115 jaar oude Amerikaanse eik naast de Kiosk worden geveld. Onderzoek had uitgewezen dat de oude reus aan het eind van zijn Latijn was en dat er snel een noodkap moest plaatsvinden voordat er zware takken zouden afbreken met mogelijk ernstige gevolgen.

Maar er was ook twijfel en met name op de sociale media was het gefoeter niet van de lucht. Was de boom wel echt zo ziek? Er was toch niets aan te zien? Mede door de commotie op Facebook werd door het stadsbestuur besloten tot een second opinion, die vervolgens uitwees dat de boom wel ziek was, maar kap nog niet noodzakelijk. De oekaze om de boom te vellen werd daarna op het laatste nippertje ingetrokken. Alle terrasstoeltjes en tafeltjes van de horecazaken aan het Munsterplein die de voorafgaande avond waren opgeruimd, konden weer tevoorschijn worden gehaald. De kettingzagen bleven onaangeroerd, en de boom mocht blijven staan. Kosten van de hele operatie: een slordige tienduizend euro.
Het was niet de eerste keer dat er in de afgelopen jaren in Roermond opwinding ontstond over een boom. Enkele jaren daarvoor leidde de kap van een majestueuze rode beuk in de achtertuin van een huis aan de Swalmerstraat eveneens tot commotie. Ook daar speelde de vraag of de boom wel echt zo ziek was dat kap onvermijdelijk was. Vervolgens haalde ook de illegale kap van een accacia achter het oude kadaster de krantenkolommen. Recenter werd er actie gevoerd om te voorkomen dat aan de voet van de Wilhelminaboom (een beuk die in 1898 werd geplant ter gelegenheid van de achttiende verjaardag en troonsbestijging van koningin Wilhelmina) in het Kruiswegpark een parkeerplaats zou worden aangelegd met ongetwijfeld schadelijke gevolgen voor de boom.
Blijkbaar hebben we iets met bomen, of toch in elk geval iets met mooie oude bomen. Maar het is lang niet altijd zo geweest. Dat er zoveel waarde wordt toegekend aan bomen in de stad, is iets van betrekkelijk recente datum, bomen hebben er lang over gedaan om een plaatsje te veroveren in de steden en in de harten van hun bewoners. In de middeleeuwen werden er in de stad geen bomen geplant. Natuurlijk stonden er wel bomen in de tuinen die welgestelde burgers achter hun huizen hadden, en in de afgesloten kloostertuinen, maar niet of nauwelijks in wat wij tegenwoordig de ‘publieke ruimte’ noemen. En dat was een situatie die maar heel langzaam zou veranderen. Parken, met bomen omzoomde laantjes en boulevards werden nog in de achttiende eeuw door sommigen afgedaan als ronduit belachelijk. “Bomen horen niet in een stad,” schreef een Engelse criticus in 1770. “Het is net zo onzinnig als een straat met huizen aanleggen in een bos.”
In de tijd dat deze Engelsman schreef, was het idee dat bomen niet in een stad thuishoorden eigenlijk al ouderwets en achterhaald, maar het geeft wel aan hoe lang het duurde voordat groen in de openbare ruimte door iedereen geaccepteerd, laat staan gewenst werd.
Toch zijn bomen langzaam ook de steden binnengetrokken. Ze hebben de steden niet veroverd, want die blijven toch op de eerste plaats ‘stenig’. Maar wel hebben bomen in de loop van de eeuwen meer en meer het uiterlijk van de steden medebepaald. Bij het maken van nieuwe stedenbouwkundige plannen, spelen bomen of openbaar groen een belangrijke rol en dat lijkt een ontwikkeling die nog lang niet aan zijn einde is gekomen. Bomen en openbaar groen in een stad zijn heel normaal geworden, we vinden het zelfs een voorwaarde voor een prettige woonomgeving. In de beleving van velen hoort bij elk huisje een boompje (en een beestje) en in veel stedenbouwkundige ontwerpen is het groen net zo bepalend en belangrijk als de huizen die er omheen staan.
Ook in Roermond is die ontwikkeling er geweest, zoals we zullen zien.

De zestiende eeuw

Over bomen in het middeleeuwse Roermond is eigenlijk niets bekend, waarschijnlijk omdat ze er net als in de meeste andere Europese steden gewoon niet waren, of er niet toe deden. Althans niet in de openbare ruimte. Bomen stonden natuurlijk wel in de tuinen van het stedelijke patriciaat, en in kloostertuinen, maar in de stadsontwikkeling werd er geen rekening mee gehouden.
Pas in de tweede helft van de zestiende eeuw begonnen bomen in de Europese steden aan een voorzichtige opmars. Enkele steden in de Nederlanden speelden daarbij een voortrekkersrol, met name Den Haag, de zetel van de graven van Holland. Den Haag was niet ommuurd, werd daardoor ook nooit formeel een stad en had een relatief lage bevolkingsdichtheid. Mede daarom was er veel ruimte voor tuinen als de Buitenhof, langs de Hofvijver, de Vijverberg, en de Plantage. Beroemd was de Lange Voorhout, waar in 1536 in opdracht van Karel V vier rijen lindebomen werden geplant en die daarna al snel een populaire ‘promenade’ werd. Den Haag was daarmee ver voor op zijn tijd en de Lange Voorhout diende ongetwijfeld als voorbeeld voor latere projecten als de Lindenallee en Unter den Linden in Berlijn.
Maar Den Haag was een uitzondering. In de ‘echte’, ommuurde steden kwamen bomen aanvankelijk niet verder dan de stadswallen. De populieren die omstreeks 1550 op de stadswallen van Lucca (Italië) werden geplant, schijnen de eerste te zijn geweest. Ze werden er neergezet omdat de bomen door hun wortelstructuur de wallen zouden versterken, en omdat de wortels het een vijandig leger een stuk moeilijker zouden maken om de wal te ondertunnelen. Niettegenstaande het militaire doel, waren en zijn de lommerrijke stadswallen van Lucca sindsdien een bijzonder populaire plaats om op warme dagen verkoeling te zoeken.
De steden in de Nederlanden bleven niet lang achter. In 1579 werden in navolging van Lucca ook in Antwerpen bomen (lindes) geplant op de stadswallen, soms in een dubbele rij, soms drie achter elkaar. In de Hollandse steden (bijvoorbeeld in Amsterdam en Leiden, maar ook in een stad als Kampen) werden daarnaast al sinds de zestiende eeuw bomen langs de grachten gezet. Bomen in de stad, vóór elk grachtenpand een boom, dat was een absolute nieuwigheid die in het buitenland bijzonder de aandacht trok.

Plantagien van olmen

Fragment van de kaart van Herman Janssens, met langs de noordelijke vestingwerken de ‘plantagien van olmen’.

Op 13 maart 1665, kort voor de noodlottige tweede stadsbrand, verordonneerde de Roermondse magistraat om “plantagien van olmen te doen, om de Vesten”. Direct bij de stadsmuur dienden dus olmen (iepen) te worden geplant. Op de bekende kaart die landmeter Herman Janssens enkele jaren later vervaardigde, zien we die bomen inderdaad terug langs de noordelijke vestingwerken, de huidige Wilhelminasingel. Van de Rattentoren tot aan de St.-Janspoort verrees een dubbele rij bomen, met ertussen een pad. Vanaf dat punt tot aan de Cattentoren stond er langs dat pad slechts een enkele rij bomen. Het aardige is dat die rij bomen ook te zien is op een schilderij dat omstreeks dezelfde tijd werd gemaakt, alleen lijken daar aan beide kanten van de stadsmuur bomen te staan.
Op de kaart van Janssens zijn verder alleen maar bomen ingetekend op plaatsen waar die verwacht konden worden: in particuliere- en in kloostertuinen. Bij het Minderbroedersklooster tekende Janssens een naar het schijnt bijzonder exemplaar dat het middelpunt lijkt van een mooi aangelegde tuin. Opvallend is ook de boomgaard op het terrein van het klooster Mariëngaard. Ook op het ommuurde terrein van het Munster stonden bomen. Herman Janssens gaf ze aan op zijn kaart en later zijn er ook te zien op een tekening van Jan de Beijer.
In heel Roermond lijken er maar twee bomen langs de openbare weg te staan, waarschijnlijk twee lindes. Een stond er bij een kapelletje net buiten de muren van de Voogdij, ongeveer op de plaats van het huidige Wilhelminaplein. De andere stond bij een kapelletje nabij het Kruisherenklooster, aan het einde van de Hamstraat.

Bomenbeleid

In de Handelingen van de Magistraat wordt niet veel gemeld over bomen, maar toch dringt langzaam iets door van een ‘bomenbeleid’, ook al had dat in eerste instantie alleen betrekking op bomen die buiten de vesting stonden. Een paar keer wordt gesproken over een stadsboomgaard in de Hatenboer. De bomen daar werden in 1677 gekapt, maar in 1745 werden er liefst 500 nieuwe geplant.
In 1709 lijkt de magistraat zich voor het eerst zorgen te maken over bomen. Aan de Buitenop stonden jonge boompjes die mogelijk te lijden hadden van daar in de buurt grazend vee. In elk geval vindt het stadsbestuur het nodig een verbod uit te vaardigen om de bomen te beschadigen en wordt er zelfs een opzichter aangesteld om het zaakje in de gaten te houden. Ook in de jaren daarna blijven de bomen aan de Buitenop om zorg vragen want als de opzichter vier jaar later overlijdt, wordt prompt een opvolger aangesteld. Er blijken dan ook lindes te staan bij de Steenen brug en de Kraanpoort, die door de gemeente worden onderhouden.

Kapellerlaan

De Cours de la Reine in Parijs, september 2016.

In de zeventiende en achttiende eeuw was het aanplanten van bomen ter bevordering van het stadsschoon in tal van steden al gebruikelijk. Vaak ging dat gepaard met een vorm van recreatie. Bomen omzoomden bijvoorbeeld de populaire maliebanen, om voor schaduw te zorgen. In metropolen als Parijs werden ruimtes gereserveerd als de nog steeds bestaande Cours de la Reine, waar de aristocratie recreatieve ritjes in een rijtuigje maakte, om te zien en om gezien te worden. De Cours de la Reine was een beroemde, met bomen verfraaide straat. In de verlichte steden werden verder parken aangelegd. Een van de vroegste voorbeelden is de Hofgarten in Düsseldorf, oorspronkelijk de tuinen behorend bij de residentie van de Keurvorsten maar in 1769 binnen de stadsmuren getrokken “zur Lust der Einwohnerschaft”. Daarmee werd de ruim 27 hectare grote Hofgarten de eerste openbare ‘Volksgarten’ van Duitsland, twintig jaar eerder dan de beroemde Englischer Garten in München, die overigens wel meer dan tien keer zo groot is.
Van de met bomen omzoomde grachten van de Hollandse steden, is wel geopperd dat die beschouwd moeten worden als de calvinistische versie van een park: een groene zone zonder overdreven praal en opsmuk.
In Roermond ontbrak die grandeur. Het is twijfelachtig of de weg in het drassige gebied langs de noordelijke vestingwerken, waar in 1665 bomen langs werden geplant, als een echte ‘promenade’ werd gebruikt. Maar ook hier drong langzaam een besef van stadsschoon door, waarbij de aanleg van de Kapellerlaan in 1730 een soort doorbraak was, met aan beide kanten een rij iepen en enkele lindebomen nabij de Kapel in ’t Zand. De uiteindelijke zorg voor de bomen berustte bij de gemeente, die daarvoor een zekere Jacobus van Kessel in dienst nam. Voor een vergoeding van 48 gulden moest die gedurende drie jaar de bomen verzorgen, waar nodig nieuwe planten en exemplaren die uit het lood waren gewaaid weer rechtzetten.
De Kapellerlaan was op de eerste plaats een verkeersweg naar de Kapel in het Zand, maar wie weet werd hij door mondaine Roermondenaren wel gebruikt om er een recreatieve wandeling te maken. Juist in de achttiende eeuw waren dit soort alleeën met name onder jongeren bijzonder populair, omdat ze de gelegenheid boden om elkaar in een minder formele omgeving te ontmoeten.
En ook al lag de Kapellerlaan dan buiten de stadsmuren, het is duidelijk dat bomen steeds belangrijker werden in de stedelijke omgeving. Op de kaart die graaf De Ferraris in de jaren 1770 maakte lijken de bomen langs de Kapellerlaan voor het eerst weergegeven. Maar het is niet de enige laan, want ook bij Hattem werd er een aangelegd die in een kaarsrechte lijn naar de Roer liep. De laan is ook nog herkenbaar op de Tranchot-kaart uit het begin van de negentiende eeuw.
Voor het groen in de stad was de Kapellerlaan aan het einde van de negentiende eeuw nog om een andere reden belangrijk. Siertuinen werden tot dan uitsluitend aangelegd aan de achterzijde van een woning, en bevonden zich dus helemaal in het privé-domein. Maar langs de Kapellerlaan verrezen toen vrijstaande villa’s die niet zelden een royale tuin aan de straatkant hadden. Dat waren dus tuinen in een stedelijke omgeving die deel uitmaakten van het ‘publieke landschap’. Zo’n aaneengesloten rij voortuinen, ongetwijfeld ook met bomen, bleef in Roermond lange tijd een unicum. Binnen de huidige singelring hebben tot op de dag van vandaag alleen de omstreeks 1907 gebouwde huizen aan de oostkant van de Godsweerderstraat een voortuintje.

De Doolhof

De Doolhof, het eerste Roermondse stadsparkje op de kaart van Lecluyse uit 1839

Een nieuwe ontwikkeling werd ingeluid met de ontmanteling van de vesting en het slechten van de stadsmuren, een proces dat in Roermond in de achttiende eeuw begon en dat tientallen jaren zou duren. Tuinen en parken waren overal al gemeengoed geworden, maar in de Roermondse binnenstad was daarvoor geen plaats. Dus week men (zoals in vele andere plaatsen) uit naar locaties net buiten de vesting.
In 1813 werd tussen Rattentoren en St.-Janspoort het park De Doolhof aangelegd. Het had bepaald niet de allure van de Düsseldorfer Hofgarten, enkele tientallen kilometers verderop, maar toch… Het ‘bosquint’ is fraai weergegeven op de kaart die door Lecluyse in 1839 werd getekend: een park met slingerende paadjes, waterpartijen en al met al een typisch product van de Engelse landschapsstijl, die (in tegenstelling tot de formele Franse stijl) probeerde de natuur na te bootsen.
In 1826 werd (nog altijd buiten de stadswallen) tussen Venlosepoort en Nielderpoort, het huidige Wilhelminaplein en Godsweerdersingel, een nieuwe ‘wandeling’ aangelegd. Er verscheen daar een dubbele bomenrij, die in zuidelijke richting werd uitgebreid met meer bomenrijen. De dubbele bomenrij, waarbij de weg werd verdeeld in drie vakken, was typisch voor die tijd. Oorspronkelijk waren de buitenkanten bestemd voor wagens en paarden en was de middenbaan voor de wandelaars. Later werden er stoepen aangelegd en werd de middenzone gebruikt als groenstrook, maar soms ook als parkeerplaats.
In 1837 volgde een wandeling over de huidige Willem II Singel, tot aan de plaats waar ooit de Extertoren stond, ongeveer waar nu de Koninginnelaan uitkomt op de Willem II Singel. Ook hier stond een dubbele bomenrij.
Na de demping van de stadsgracht en de sloop van de muren ontstonden uit die wandelingen de ‘aaje’ en de ‘nuuje’ boulevard respectievelijk de Willem II-singel en Godsweerdersingel. In het woord boulevard klinkt nog steeds de oorspronkelijke militaire functie van die gebieden door, want het is afgeleid van ‘bolwerk’.
Op het terrein van het voormalige Kruisherenklooster (1784 gesloten en kort daarop gesloopt), ontstond een groot plein, dat op de kaart van Lecluyse (1839) ‘paradeplaats’ werd genoemd. Hier oefende en exerceerde het garnizoen, dat even verderop was ondergebracht in de gebouwen van de munsterabdij. Interessant is dat hetzelfde plein op de minuutkaart die in 1811 werd vervaardigd een ‘place publique’ werd genoemd, een openbaar plein. Op de later vervaardigde kaart van Lecluyse is te zien dat er een dubbele rij bomen was geplant, ongeveer vanaf het punt waar de Kloosterwandstraat (‘Achter Clooster Wand’) uitkomt op de toen nog onbebouwde zuidkant van de Hamstraat. De bomenrij ging vervolgens de hoek om langs de Kruisherenstraat en liep verder tot ongeveer aan de huidige Cornelisstraat.
Ondanks de bomen werd er niet bijzonder veel werk gemaakt om deze ‘Place publique’ om te toveren tot een aantrekkelijk stadsplein. Het garnizoen dat werd gevestigd in de gebouwen van de Munsterabdij, vormde het in elk geval snel om tot een exercitieplaats. Later kwam het terrein van de abdij steeds nadrukkelijker in beeld om er een stadsplein van te maken.
Toch werden er voor dit gebied ook nog andere plannen gemaakt, waarbij bomen een belangrijke rol speelden. Zo werd kort voor 1900 overwogen om hier een veemarkt te vestigen, die beplant zou worden met tientallen bomen om het vee tijdens zomerdagen voor de hitte te beschermen. Ook een kleiner perceel aan de Knevelsgraaf kwam in beeld om er een veemarkt te vestigen. Het had een groene oase in de boomarme stad kunnen zijn, maar uiteindelijk ging het plan op geen van de twee locaties door.
Toen in 1839 ook nog een nieuwe wandeling werd aangelegd waar zich nu de Minderbroederssingel bevindt, was praktisch de hele stad omringd door bomen. Enkele lindes die in 1839 langs de Minderbroederssingel werden geplant, staan er mogelijk nog steeds. Het betreft de bomen die nu in de tuin van de Minderbroederskerk staan. Uit een foto uit 1920 blijkt in elk geval dat op het terrein van de Minderbroederskerk toen dezelfde bomen stonden als nu, en dat het toen al geen jonge boompjes meer waren. Deze lindes zijn mogelijk de oudste bomen in de binnenstad.
Weliswaar buiten de stad, maar eveneens oud, zijn de eiken achter de tennisvelden bij Hattem. Daar is nog een oude laanstructuur zichtbaar in het weggetje dat tussen kolossale eiken naar boerderij Jongenhof in Lerop voert. De laan wordt doorsneden door de spoorlijn, wat doet vermoeden dat de eiken ouder zijn dan de aanleg van het spoor in het begin van de jaren 1860.

De lindes op het terrein van de Minderbroederskerk in 1920. Mogelijk zijn deze bomen in 1839 geplant en daarmee de oudste bomen in de Roermondse binnenstad.

Herinrichting

De singels zijn in de loop van de jaren al vele keren opnieuw ingericht, en vaak ging dat gepaard met kap van de bomen en nieuwe aanplant. De oorspronkelijke bomenrij langs de Kapellerlaan werd al in 1793 voor de eerste keer geveld, mogelijk op last van het Franse bezettingsleger en met een militaire reden.
Ook het uiterlijk van de Singels veranderde al verschillende keren. De dubbele bomenrijen verdwenen, stoepen werden breder, en later werden er fietspaden aangelegd. Ook de boomsoorten veranderden, maar tot nu werd het beeld bepaald door inheemse, althans Europese soorten. Daarin is nu verandering gekomen, want bij de recente reconstructie van de oostelijke singels werden daar valse christusdoorns geplant, een Amerikaanse soort die hier niet van nature voorkomt. Het is een snelgroeiende soort, met een flinke kruin die het ook in een omgeving met luchtverontreiniging goed doet.
De keuze voor deze boomsoort is ontstaan na een soort afvalrace, legt bomenspecialist René Camp van de gemeente Roermond uit. “Onze belangrijkste overweging is dat een boom zich prettig moet voelen want we gaan ervan uit dat zo’n bomenrij tientallen jaren moet blijven staan. Lang niet alle inheemse soorten voelen zich thuis in een stad, dus die vallen af. Maar we moeten ook kijken naar het onderhoud en naar de overlast die een boom kan veroorzaken. Lindes wil niemand meer voor zijn huis vanwege de druip. En we willen bijvoorbeeld ook niet dat de monumentale singelwanden achter een bomenrij worden weggestopt. Zo valt er een hele reeks bomen af en kom je uiteindelijk tot een keuze.”
Toch zitten er ook nadelen aan. “Vanuit het oogpunt van biodiversiteit is het jammer dat er exoten zijn neergezet,” zegt bioloog Reinier Akkermans. “Als je biodiversiteit nastreeft, moeten er inheemse bomen worden geplant.” Akkermans interesseert zich vooral voor insecten die zich thuisvoelen in bomen. “Een grove den of een eik zit vol leven, maar in die exoten zit helemaal niks. Dat gaat niet alleen ten koste van de insecten, maar ook van de dieren die op die insecten jagen. Het evenwicht is heel precair. Grootoor-vleermuizen zie je bijvoorbeeld met name bij lindes. Ik begrijp het allemaal wel hoor: lindes druipen en niemand wil die rommel op zijn auto. Alleen verdwijnt daarmee niet alleen het insectenleven, maar in het spoor daarvan ook vleermuizen en bepaalde vogelsoorten.”

Verticaal bos

Bosco Verticale van Stefano Boero in Milaan. Foto: Studio Boero.

De rol van bomen in het stedelijke landschap is door de eeuwen heen veranderd. De Roermondse binnenstad is nog steeds relatief bomenarm. Bovendien is de ring direct buiten de singels ook niet erg groen. Wat dat betreft komt Roermond er in vergelijking met Sittard en Maastricht bekaaid van af.
Toch lijkt de rol van bomen nog niet uitgespeeld. René Camp: “Wat je in de toekomst zal zien is dat er rekening moet worden gehouden met de klimaatwijziging en de mondialisering. Je ziet nu al dat boomziektes over de hele wereld worden verspreid, bijvoorbeeld de essentakziekte, die uit Azië is komen overwaaien. De oplossing daarvan ligt volgens mij in diversiteit. Maar dat heeft ook gevolgen voor het uiterlijk van de steden. De tijd dat we twintig bomen van dezelfde soort achter elkaar kunnen zetten, is voorbij. Want wordt één boom in een rijtje ziek, dan duurt het niet lang of die anderen worden het ook.”
De klimaatwijziging en de groeiende behoefte aan landbouwgrond spoort ook anderszins aan tot nieuwe ideeën over bomen in de stad. Een van de meest radicale voorbeelden is het Bosco Verticale (verticale bos) van de Italiaanse architect en hoogleraar Stefano Boeri. In Milaan bouwde Boeri twee woontorens van 110 en 76 meter hoogte, waar in grote terrasbakken samen meer dan 900 bomen en 2000 struiken werden geplant. Geen bonzai-achtige dreumesen maar bomen en struiken met een hoogte van drie tot negen meter. Zouden die bomen gewoon in de grond zijn geplaatst dan zouden ze volgens Boeri een bos van ongeveer 7000 vierkante meter vormen. Het blijft niet bij het Bosco Verticale in Milaan. Op dit moment bouwt Boeri een vergelijkbare woontoren van 36 verdiepingen in Lausanne, ‘ La Tour de Cèdres’ waarin behalve 100 cederbomen ook 6000 struiken en 18.000 planten zijn voorzien.
René Camp: “Op een heel bescheiden schaaltje zijn we in Roermond natuurlijk ook al aan de slag met gevelbegroeiing. Kijk naar de muur aan de St.-Wirosingel. Het is heel kleinschalig, maar je ziet wel al dat het mussen aantrekt en insecten. Weet je bomen zijn ooit jong en vitaal en op een gegeven moment gaan ze dood. En dan planten we weer nieuwe. Het is een verhaal dat nooit ophoudt.”


Verder lezen

Een mooi boek over de geschiedenis van bomen in de stedelijke omgeving is: H.W. Lawrence, City Trees. A historical geography from the Renaissance through the nineteenth century, Charlottesville/Londen 2006. Over de betekenis van bomen op allerlei gebieden (kunst, nationalisme, economie) zie: Simon Schama, Landschap en Herinnering, Amsterdam 2007.

Oude meelfabriek werd modern kantoorpand

Een van de fraaiste overblijfselen van 19de eeuws industrieel erfgoed in Roermond is ongetwijfeld het kantoorpand van Wonen Limburg aan de Willem II Singel. Na een lange periode van verloedering en een eveneens lange restauratieperiode trok de wooncorporatie in april 2013 in het rijksmonumentale pand, dat toen prompt werd omgedoopt tot Wonen Limburg Huis.

Sindsdien is in het stationsgebied een monumentaal ensemble in eer hersteld met aan de overkant van het spoor de voormalige moutfabriek van Beltjens, in de richting van het station de door Sybold van Ravesteyn ontworpen watertoren  en nog iets verder de oude locomotievenloods.
Over het complex van Wonen Limburg bestaan enkele misverstanden en onduidelijkheden. Het eerste betreft de naam. Nog steeds wordt het gebouw vaak aangeduid als het Baco-complex. Ten onrechte, want de Baco koffiebranderij was er nooit gevestigd.
Dat zit als volgt: Vanaf de Veeladingstraat gezien staan er drie gebouwen. Eerst een appartementencomplex, dan een gedeeltelijk gesloopt gebouw en dan het complex van Wonen Limburg. De Baco had zijn kantoor in een tegenwoordig verdwenen gebouw dat stond op de plaats van het huidige appartementencomplex, in het gebouw daarachter vond productie plaats. In het gebouw waar thans Wonen Limburg huist, was de Baco nooit actief.
Ook over de datering heerst onduidelijkheid. De voormalige Baco-gebouwen worden omstreeks 1870 gedateerd, op grond van de daar aangetroffen gietijzeren constructie, die nog steeds zichtbaar is. Van het hoge gebouw is wel verondersteld dat het in 1905 werd gebouwd, omdat er een gevelsteen in is gevonden met het inschrift ‘Meelfabriek Arius van Andel 1905’.
Inderdaad was het complex gedurende enige tijd eigendom van meelfabrikant Johan van Andel, die een zoon had die Arius heette. In 1905 was deze Arius echter pas acht jaar oud. Zoals we verderop zullen zien werd deze steen waarschijnlijk geplaatst na een ingrijpende verbouwing, waarbij het oorspronkelijke zadeldak werd vervangen door het huidige platte dak.

Stoommeelmolen

Zowel het lagere gedeelte als het hoge gebouw lijken omstreeks 1875 te zijn gebouwd als stoommeelmolen van de firma Tijssen-Linssen. In april 1874 werd een vergunning aangevraagd voor het oprichten van dat gebouw.
In Roermond waren vanaf 1853 meerdere stoommeelmolens in bedrijf, om graan te malen. Nadat in 1864 het station was gebouwd en Roermond door middel van een treinverbinding werd ontsloten, werd het stationsgebied een aantrekkelijke vestigingsplaats voor bedrijven die deden in bulkgoederen. In 1868 bouwde Renier Smeets op de plaats van het huidige busstation al een stoommeelfabriek.
De fabriek die aan de andere kant van het station door Tijssen-Linssen werd gebouwd, zou de grootste stoommeelmolen van Nederland zijn geweest. Aanvankelijk leek het het bedrijf voor de wind te gaan. Een jaar na de opening werd al een aanvraag ingediend voor het plaatsen van een tweede stoomketel in hetzelfde gebouw. Wéér een jaar later, in 1877, ging het bedrijf echter al failliet toen de invoerrechten op meel werden afgeschaft en de markt als het ware overspoeld werd met goedkoop graan uit onder andere de VS.
In maart 1878 werd “de groote stoommeelmolen met annexe gebouwen, der vroegere firma Tijssen-Linssen, bij de spoorweg-station alhier, die sedert geruimen tijd stil heeft gestaan” in een publieke veiling verkocht aan een maatschappij, waarin waarschijnlijk ook Carl Trupp participeerde. In elk geval wordt een jaar later al gesproken van de “meelfabriek der Heeren Trupp en Co.”
Op de bekende kaart die F. Bingen kort voor 1900 vervaardigde, is duidelijk te zien dat het complex zich naar het zuiden uitstrekt tot aan de Veeladingstraat, en dat zowel de lagere gebouwen als het hogere deel erin zijn opgenomen.
Op de kaart, maar vooral ook op een briefhoofd uit het begin van de twintigste eeuw, is ook mooi de aftakking van het spoor te zien, die speciaal voor dit gebouw moet zijn aangelegd.
Op de kaart van Bingen werd het complex nog aangeduid als ‘Trupp & Cie’, maar Carl Trupp was toen waarschijnlijk al dood. Hij overleed begin mei 1888, op slechts 42-jarige leeftijd toen hij in de trein tussen Bonn en Keulen werd getroffen door een slagaderbreuk.

Van Andel

Dan verschijnt de in Dordrecht geboren Johannes van Andel op het toneel. In december 1888 trad hij al op als liquidateur bij de ontbinding van de firma Trupp en in 1890 was hij een van de vennoten aan wie de weduwe Trupp, die toen in Rotterdam woonde, het pand verkocht.
De nieuwe firma ging door het leven als Roermondsche Stoommeelfabriek Van Andel en Co., maar volgens G. Linssen in zijn dissertatie over de industriële ontwikkeling van Midden- en Noord-Limburg heeft Van Andel in Roermond nooit productie gedraaid. Hij zou het gebouw alleen als opslagplaats voor zijn graanhandel hebben gebruikt.
Zeker is dat Van Andel delen van het gebouw ook aan anderen verhuurde, als opslagruimte. Regelmatig verschenen in de plaatselijke kranten advertenties waarin opslagruimte in het complex te huur werd aangeboden. Onder anderen de bekende kermisexploitant Benner, die woonde aan het Stationsplein (broodjeszaak “Doedels”) maakte daar gebruik van.
In deze tijd onderging het gebouw ook een grote uiterlijke verandering. Op enkele tekeningen (gebruikt als briefhoofd) werd de oude situatie weergegeven met een zadeldak. Op één daarvan is het jaartal ‘190..’ al gedeeltelijk voorgedrukt, zodat de grote verbouwing tussen 1900 en 1910 moet hebben plaatsgevonden. Waarschijnlijk heeft de bovengenoemde gevelsteen uit 1905 hier mee te maken.
In april 1921 werden de “kapitale en nieuwe gebouwen der voormalige Meelfabriek der firma van Andel en Co. met bergplaats, machinekamer, grooten schoorsteen, erven enz. gunstig gelegen aan het emplacement der Staatsspoorwegen” geveild. Waarschijnlijk is toen niet het hele complex verkocht, want ook daarna worden er onder de naam Van Andel nog magazijnruimtes in verhuurd.
Als in 1925 een luchtfoto van het complex wordt gemaakt, is het hoge gebouw in elk geval al eigendom van de Eerste Nederlandse Rijwielenfabriek van Burgers, die de hoofdvestiging had in Deventer. Ook is dan het zadeldak vervangen door een plat dak. Ook op deze foto is heel mooi de aftakking van het spoor te zien.

Luchtfoto van het complex in 1925. In die tijd was de fietsenfabriek van Burgers in het hoofdgebouw gevestigd, dat toen al geen zadeldak meer had. Duidelijk is nog de aftakking van het spoor te zien, die tot vlakbij het gebouw kwam, en op de voorgrond de laadperrons die nog lange tijd daarna werden gebruikt door Van Gend en Loos. In de lagere gebouwen links, grenzend aan de Veeladingstraat, was de Baco gevestigd. Alleen het gebouw met het zadeldak is voor een gedeelte behouden. Op het dak daarvan is nu een vlindertuin gemaakt.

Sigarenfabriek Ernst Casimir

Tijdens en direct na de oorlog waren verschillende bedrijven in het pand ondergebracht. Na de bombardementen op de binnenstad in 1944, vestigde bijvoorbeeld drukkerij Van der Marck zich daar. De drukkerij bleef er zitten tot ze in 1958 verhuisde naar een nieuw pand aan de Dr. Philipslaan.
In 1954 werd het hoge gebouw, dus het gedeelte waar nu Wonen Limburg zit, gekocht door sigarenfabriek Ernst Casimir van de familie Steuns die voor die tijd aan de Kapellerlaan was gevestigd. Het gebouw was toen enige tijd in de lengte verdeeld. Aan de stadskant zat Van der Marck, aan de spoorkant de sigarenfabriek. Aardig detail is dat de ruim opgezette bedrijfskantine eind jaren zestig nog een tijdje dienst deed als repetitielokaal van “de keuninklikke”, de Koninklijke Harmonie.
Maar niets duurt eeuwig. Sigarenfabriek Ernst Casimir beëindigde de productie in 1970, vier jaar later werd het gebouw verkocht aan Berden Meubelen en die werden weer opgevolgd door Wonen Limburg.

Wonen Limburg heeft de voormalige meelmolen opvallend verbouwd: in het gebouw is als het ware een glazen doos opgetrokken, waardoor het karakter van het gebouw behouden blijft. Door deze ruime spouw wordt ook het klimaat gereguleerd.
In het gebouw, dat nu is omgedoopt tot “Wonen Limburg Huis”, is plaats voor ongeveer 170 werkplekken. Voor een groot gedeelte zijn dat flexwerkplekken. Om de naam “huis” eer aan te doen, is het pand ook min of meer ingericht als een woonhuis: zonder balies, maar mét een woonkamer voor ontmoetingen, studeerkamer, leefkeuken.
Het ontwerp voor de verbouwing is van SatijnPlus Architecten. Martijn Frank Dirks ontwierp de inrichting.

Foto: SatijnPlus Architecten

Met dank aan dhr. L. Steuns, de laatste directeur van Ernst Casimir Sigarenfabriek.

“Het zijn eigenlijk standbeelden”

De graftombe met de beeltenissen van graaf Gerard IV van Gelre en zijn gemalin Margaretha van Brabant. Foto: RCE Amersfoort.

Een van de weinige monumentale objecten in de streek waarover in de internationale wetenschappelijke literatuur nog over wordt gediscussieerd, is de graftombe voor graaf Gerard IV van Gelre (overleden in 1229) en zijn echtgenote Margaretha van Brabant (overleden in 1231) in de Roermondse Munsterkerk. In 2016 kwam de Belgische kunsthistoricus dr. Hadrien Kockerols in een artikel in het Bulletin van de Koninklijke Nederlandse Oudheidkundige Bond met een nieuwe theorie, die nu ook is na te lezen in de kort daarna verschenen handelseditie van zijn proefschrift over middeleeuwse grafmonumenten in het oude bisdom Luik.

De belangrijkste conclusies van dr. Kockerols: Het praalgraf werd niet omstreeks 1240 maar ongeveer dertig jaar later gemaakt. De beelden van de graaf en de gravin werden kort na hun dood gemaakt, maar dienden oorspronkelijk als zogenoemde ‘stichtersbeelden’, die niet zoals nu op een tombe liggen maar rechtop stonden. Toen enkele decennia later het maken van liggende grafbeelden (gisanten) een algemene trend werd in de memoriakunst, werd bovenop de grafkelders waarin de graaf en de gravin begraven liggen, een tombe gebouwd waar de twee beelden bovenop werden gelegd. Zo zijn volgens Kockerols enkele merkwaardigheden te verklaren waar ook door andere specialisten al op is gewezen, zoals de merkwaardige plooiing van het kleed van de gravin bij de voeten en het feit dat de voeten rusten op een sokkel in plaats van een dier, zoals gebruikelijk was.

Kockerols is niet de eerste de beste schrijver over middeleeuwse grafkunst. Behalve het artikel in het Bulletin en zijn uit twee lijvige delen bestaande dissertatie, publiceerde hij zeven grote overzichtswerken over de grafkunst in de Belgische arrondissementen Luik, Namen, Hoei en Dinant, waarin hij honderden grafmonumenten onder de loep nam. Daarnaast schreef hij meerdere wetenschappelijke artikelen over het thema.
“Allemaal het gevolg van een levenslange passie,” zegt hij. “Mijn vrienden en mijn broers, we vonden de middeleeuwse kunst en de architectuur enorm boeiend. Dat begon al direct na de oorlog. Als jonge man fietste ik aan het eind van de jaren 40 al tweeduizend kilometer kriskras door Noord-Frankrijk om daar de kathedralen te bezichtigen.” In plaats van kunsthistoricus werd hij echter edelsmid. Zijn werk was van een zodanige kwaliteit dat er enkele jaren geleden in een licentiaatsverhandeling over Belgische edelsmeedkunst een afzonderlijk hoofdstuk aan werd gewijd. Kockerols schoolde zich echter om en bouwde een carrière op als architect, om pas na zijn pensionering weer terug te komen bij de kunstgeschiedenis.
“Waarom mijn belangstelling voor de Roermondse tombe? Het is natuurlijk een speciaal geval, niet in de laatste plaats omdat er al lang over de ouderdom en de authenticiteit wordt gediscussieerd. Er is een claim dat het het het oudste dubbelgraf voor een echtpaar zou zijn, maar die stelling is omstreden. In de internationale literatuur is er eigenlijk niemand die dat echt beweert..”

Constructie

Kockerols benaderde zijn onderwerp vanuit een originele invalshoek. Uiteraard keek hij net als historici voor hem naar de stilistische verschillen en overeenkomsten met andere middeleeuwse beelden, en bestudeerde hij de historische setting waarin de Munsterkerk werd gebouwd. Nieuw in zijn benadering is echter dat hij zijn redenering opbouwt aan de hand van gegevens over de constructie van het grafmonument.
De graaf en de gravin van Gelre lieten zich begraven in de kloosterkerk die zij stichtten, om zich zo te verzekeren van het eeuwigdurende gebed voor hun zielenheil. Anders dan wel wordt gedacht, zijn zij niet bijgezet in de zichtbare tombe, maar in twee uit mergelsteen gemetselde grafkelders die zich direct daaronder bevinden. Het bestaan van deze kelders werd pas ontdekt in de negentiende eeuw, toen ze enkele keren werden geopend, beschreven en opgemeten. De grafkelders hebben beide een zadeldak en zijn van elkaar gescheiden door een tussenwand. De vorm, locatie en richting ervan hebben een symbolische betekenis en het zijn volgens Kockerols deze kelders die het oorspronkelijke ‘memorieproject’ ter nagedachtenis aan het grafelijke echtpaar vormen. Dat dit onzichtbaar onder de grond ligt, was in de gedachtegang van de middeleeuwers van geen belang. Dat bovenop dit oorspronkelijke memorieproject ook nog een zichtbaar monument is gebouwd, wijst volgens Kockerols op een wijziging van het oorspronkelijke idee.
“De grafkelder is het oorspronkelijke memorieproject, de tombe met de beelden is een latere toevoeging.”
Dat de tombe later is gebouwd, en niet behoorde tot het oorspronkelijke project, zou ook blijken uit de volgens Kockerols zwakke fundering waarop deze rust. Die fundering bestaat uit een laag mortel waarmee de ruimte langs, tussen en boven de twee zadeldaken van de grafkelders is volgestort.
“Ik heb daar naar gekeken als een architect. Feitelijk is de constructie ongeschikt om er een praalgraf op te bouwen. De mortel is ongewapend en zelfs een funderingsplaat ontbreekt. De scheuren die ook Cuypers in de negentiende eeuw al heeft moeten repareren, zijn daar waarschijnlijk een gevolg van.”


“Het échte probleem is bij de restauratie in 2007 niet aangepakt”


Dat een funderingsplaat ontbreekt, bleek eigenlijk pas tijdens de laatste restauratie van de tombe in 2007. Toen werd duidelijk dat de zwarte steen die onder de tombe lijkt te liggen, geen plaat onder het monument is maar tegels die bij een eerdere restauratie tegen de tombe zijn geplaatst. In het restauratieverslag wordt ervan uitgegaan dat de fundering van mortel voldoende is, maar volgens Kockerols is dat niet het geval en zou dit in de toekomst opnieuw tot beschadigingen aan de tombe kunnen leiden. “Het échte probleem is bij de restauratie niet aangepakt.”
Als het van meet af aan de bedoeling was om boven de grafkelders een tombe op te richten, dan zouden de bouwers ervan volgens Kockerols anders te werk zijn gegaan.
Graaf Gerard overleed in 1229, zijn echtgenote in 1231. Waarschijnlijk werden ze echter pas in 1234 in de kerk begraven, nadat hiervoor de benodigde pauselijke toestemming was verleend.
Kockerols: “Misschien zijn de kelders pas toen ontworpen, misschien waren ze, vooruitlopend op een verwachte toestemming al eerder geconstrueerd. Dat weten we niet. Maar tót de graaf en de gravin werden bijgezet, dus in 1234 of kort daarna, was het mogelijk om de bouwkundige structuur van de kelders aan te passen als er toen al plannen waren om een praalgraf op te richten. Dat is niet gebeurd, en daaruit is af te leiden dat het praalgraf van later dateerde.”
Conclusie één: grafkelders en praalgraf zijn niet als een eenheid bedacht en ontworpen. Pas op een later moment is besloten tot de oprichting van een herdenkingsmonument boven de grafkelders.

Staande beelden

De beelden rechtop geplaatst. De foto is waarschijnlijk gemaakt van een niet meer bestaand gipsen afgietsel.

Vervolgens kijkt Kockerols naar de beelden zelf. Net als andere kunsthistorici die zich met de beelden hebben beziggehouden, denkt hij dat ze in het verleden op meerdere plaatsen zijn gerestaureerd. Dat de beelden zestiende eeuwse kopieën zijn van tegenwoordig niet meer bestaande originelen, zoals ook wel is geopperd, gelooft hij niet.  “Met name aan de bovenlichamen is gewerkt, maar de onderlichamen zijn nog origineel.”
Op grond van een stilistische analyse en vergelijking met enkele andere beelden, dateert hij de beelden op ongeveer 1240. Hij merkt echter op dat de voeten niet op een console of op een dier rusten, zoals doorgaans gebeurt, maar geplaatst zijn op een verticaal opgestelde sokkel. Hij veronderstelt daarom dat de beelden oorspronkelijk werden uitgevoerd als staande figuren. Een stevige sokkel als die van de Roermondse beelden, houdt rechtop staande beelden in evenwicht, maar is onnodig bij liggende figuren.
Conclusie twee: De oorspronkelijk staande beelden uit omstreeks 1240 zijn op enig moment omgevormd tot liggende grafbeelden, zogenoemde gisanten. De sokkel vervulde vanaf dat moment geen enkele functie meer, en is in de woorden van Kockerols zelfs “absurd”.

Dat de beelden oorspronkelijk rechtop stonden, zou ook blijken uit het feit dat de kussens waarop de hoofden rusten aparte toevoegingen zijn. Uit een onderzoek naar de gebruikte steensoorten dat in de jaren 60 werd uitgevoerd door A. Slinger bleek al dat de kussens gemaakt waren uit een andere steensoort. Bovendien zijn het losse elementen. In een stevige constructie zouden de kussens één geheel vormen met de liggende figuren, niet in de laatste plaats omdat juist de nek een kwetsbare plek vormt.
Kockerols: “Het zou heel raar zijn als een beeldhouwer eerst het hoofd uit de steen kapt en er daarna ter versteviging een kussen onder aanbrengt dat precies zo groot is als het juist weggekapte deel. Als de figuren als ligbeelden waren bedacht, dan had de beeldhouwer kussen en hoofd uit één blok gekapt.”
Het idee dat de beelden oorspronkelijk niet lagen maar stonden, is overigens niet nieuw. In de jaren 20 werd dat al gesuggereerd door A. Schippers, en ook Timmers stuurt er in zijn overzichtswerk over de Maaslandse kunst een beetje op aan.

Andere functie

Als de beelden dateren uit omstreeks 1240, maar oorspronkelijk rechtop stonden en pas later werden omgevormd tot liggende grafbeelden, dan moet hun oorspronkelijke functie eveneens een andere zijn geweest. Volgens Kockerols waren het aanvankelijk zogenoemde heerser- of stichtersbeelden.
“Dit soort beelden werd gemaakt van heersers die zijn bijgezet in de kerken die ze hebben gesticht, zoals dat ook het geval was bij de graaf van Gelre. Op de oudste stichtersbeelden worden de heersers zittend uitgebeeld, gekroond en met een scepter in de hand. In de eerste helft van de dertiende eeuw verandert dat en worden ze staand weergegeven. Deze staande beelden zijn als het ware de voorouders van de liggende beelden. Tot die groep moeten ook de Roermondse beelden worden gerekend.”

Wanneer is dan het idee ontstaan om de tombe te bouwen en de reeds bestaande beelden om te vormen tot liggende gisanten? Volgens Kockerols moet dat omstreeks 1270 zijn geweest. Juist die tijd karakteriseert hij als een periode van ‘monumentalisering’ van graven die het tot dan moesten doen zonder afbeelding van de overledene. “De mens was in die tijd gefascineerd door het beeld. Iedereen wilde er in die periode een.”
Hij wijst erop dat de oudst bekende gisant in volreliëf (ronde bosse) die van Isabella van Aragon (+1271) is, in de kathedraal van Saint Dénis, de grafkerk van de Franse koningen. Het ligt niet erg voor de hand dat ‘Roermond’ en het graafschap Gelre enkele tientallen jaren vooruit liepen op de ontwikkelingen aan het Franse hof. Maar we hadden hier in de figuur van graaf Otto II, zoon en opvolger van Gerard IV, wel iemand die door zijn huwelijk met een vooraanstaande Franse edelvrouw goede contacten had in Frankrijk en op de hoogte was van de nieuwe ontwikkelingen daar. Ook het besluit om nog tijdens de bouw een andere stijlrichting in te slaan, van het laat-Romaans in de oostpartij naar een vroeg-gotisch westwerk, is daar mogelijk op terug te voeren.
Dat het initiatief voor de bouw van een tombe uitging van Otto II, neemt Kockerols niet aan. Wel veronderstelt hij dat (misschien ingegeven door de ontwikkelingen in Frankrijk) ook in Roermond een discussie moet zijn gevoerd over de modernisering van de ‘memoria’ van de stichters.
“Het is denk ik uitgegaan van het klooster. We weten het niet zeker, maar de abdissen in die periode waren mogelijk nakomelingen van de graaf. Zij hebben waarschijnlijk de vraag gesteld op welke manier het beste aandacht kon worden gegeven aan de memorie van de voorouders. Er is toen niet gekozen voor een nieuwe creatie maar voor hergebruik van reeds bestaande heerserbeelden, die een nieuwe iconografische functie kregen in een nieuwe context. Erg elegant komt de gekozen oplossing, het platleggen van standbeelden, op mij niet over. Het is een geïmproviseerd praalgraf, dat een beetje lijkt op een tweedehands aankoop.”

Als de stellingen van Kockerols correct zijn, dan kan het grafmonument in de Munsterkerk niet langer worden beschouwd als het oudste ‘dubbelgraf’ voor een echtpaar. Daarvoor komt dan eerder het praalgraf van Hendrik de Leeuw en Mathilde van Engeland in Braunschweig in aanmerking. Ook is het dan onwaarschijnlijk dat de kerk van meet af aan bedoeld was als mausoleum voor de grafelijke familie: het idee van een praalgraf ontstond immers pas tientallen jaren na het begin van de bouw.
Daarnaast moeten de standbeelden van graaf en gravin, oorspronkelijk in een andere relatie hebben gestaan tot het eveneens dertiende eeuwse Christusbeeld hoog in het koor. De gangbare visie, die met name door Timmers werd gevoed, is dat de liggende gisanten als het ware opkijken naar Christus-Salvator die is afgebeeld met een banier als teken van de overwinning op de dood. De drie beelden zouden samen de heilsverwachting symboliseren. Een “romantische visie” zegt Kockerols daarover. “De beelden maken waarschijnlijk wel deel uit van één groep, maar het waren alledrie staande beelden. Ik denk dat ze moeten worden beschouwd als een verbeelding van de gift. De kerk was hun gift.”

Meer lezen:  Kockerols, H., Le monument funéraire médiéval dans l’ancien diocèse de Liège, Namen (Les Editions Namuroises) 2016, 2 dln.

Een “barbaarsche afbraak”

Beeld van het oude kazerneterrein vóór 1924. Het gedeelte dat zich uitstrekt in de richting van het Munsterplein was in essentie nog dertiende-eeuws. De dwarsgevel waar we tegen aan kijken werd ook in 1924 gesloopt maar dateerde uit de achttiende eeuw. Foto Gemeente-archief Roermond (GAR).

 

In 1924 werd aan de Graaf Gerardstraat in Roermond het zogenoemde “oud-klooster” afgebroken. Pas tijdens de sloop bleek dat men bezig was een van de oudste, nog uit de dertiende eeuw daterende gedeeltes van de oude Cisterciënzer-abdij te slopen. Het werd een monumentenrel die veel stof deed opwaaien. Een reconstructie.

Op 29 oktober 1923 stonden vier mannen voor de ingang van het zogenaamde “oud-klooster”, ongeveer aan het einde van de Graaf Gerardstraat waar de pandtuin bij de Munsterkerk begint. Het waren dr. Jan Kalf, directeur van het Rijksbureau voor de Monumentenzorg en zijn medewerker dr. Berlage, architect ir. Jos Cuypers en het hoofd van de Roermondse gemeentewerken ing. Kuylaars.
Kalf en Berlage waren op verzoek van de gemeente Roermond uit Den Haag gekomen om aanwezig te zijn bij de presentatie van Cuypers’ plannen voor de herinrichting van het kazerneterrein, diezelfde dag in het stadhuis. Die plannen voorzagen onder andere in de sloop van het oud-klooster, een gebouw waar eigenlijk door niemand veel waarde aan werd gehecht en dat kort daarvoor nog in gebruik was geweest door het garnizoen. Menigeen zag er vooral een obstakel in dat de Munsterkerk niet tot zijn recht liet komen.
Nu ze toch in Roermond waren, zouden Kalf en Berlage het gebouw nader bekijken, een soort cultuur-historische quickscan.
Wat die dag precies werd besproken en wat er gebeurde, is onduidelijk vanwege de elkaar tegensprekende berichten. Het eind van het liedje was in elk geval dat toen werd besloten dat het oud-klooster afgebroken kon worden. De eventuele monumentale waarde van het gebouw, zou niet opwegen tegen de stedebouwkundige voordelen die sloop met zich meebracht.
De officiële versie is die van Kalf. Kort na de sloop, in maart 1924, schreef hij een uitgebreid verslag aan de minister van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen waarin hij meldde het gebouw op die bewuste dag “in en uitwendig bekeken” te hebben. Hier en daar waren naar aanleiding van deze inspectie wel wat aarzelingen ontstaan, maar “… na eenig beraad moesten Dr. Berlage en ik den heer Cuypers toegeven, dat het niet aanging, terwille van zóó armelijke overblijfselen van een oud gebouw, aan een rationeele bebouwing van het kazerneterrein moeilijkheden in den weg te leggen.”

Maar was dat echt zoals het gebeurde? In 1942 zette Jos Cuypers zijn versie van de gebeurtenissen op papier en stelde zijn aantekeningen ter hand van de Roermondse historicus en archivaris Mart Smeets. Cuypers kwam met een heel ander verhaal. Volgens hem had Kalf nooit een inpandig onderzoek verricht. Aangekomen bij de ingang van de gebouwen zou gemeente-ambtenaar Kuylaars hebben aangegeven dat hij geen sleutels bij zich had. Niet zo erg, zo werd er volgens Cuypers nog bij gezegd: binnen was toch niet meer te zien dan “naakte vlakke muren.”
Volgens Cuypers werd het besluit tot sloop dus genomen zonder dat daar een deugdelijk onderzoek aan vooraf ging. “Dit is een tekortkoming geweest tegenover de algemeene instructies voor archeologisch onderzoek.”
Mart Smeets, die het verhaal op verzoek van Cuypers pas na diens dood publiceerde, ging nog een stap verder. Hij concludeerde dat Kalf, de hoogste ambtenaar van monumentenzorg, willens en wetens de procedures aan zijn laars had gelapt, en vermoedde tevens boze opzet van de gemeente. Roermond was er immers op uit om een vrij terrein voor verkaveling en bebouwing te verkrijgen, de voorgenomen sloop maakte onderdeel uit van de werkloosheidsbestrijding en ten stadhuize had men het niet begrepen op vertraging omwille van onderzoek.
Het eind van het liedje was in ieder geval dat op die dag het doodvonnis over het gebouw werd geveld. Tijdens de sloop werd pas duidelijk wát er eigenlijk werd afgebroken: achter lelijk en onbeduidend muurwerk ging een belangrijk, nog uit de dertiende eeuw daterend onderdeel van de oude abdij schuil.

De Munsterkerk voor de ingrepen door Cuypers, in de jaren 60 van de negentiende eeuw. Op de plaats waar nu de Zuidwest-toren staat, is nog de aanzet zichtbaar van een zadeldak dat behoorde tot de oude kloostervleugel, die kort voor 1840 verdween. Foto: Gemeente Archief Roermond.

Ontluistering

De ontluistering van de abdij was al veel eerder begonnen. De Munsterkerk was oorspronkelijk niet vrijstaand. Ongeveer parallel aan de kerk lag het oud-klooster, en van daaruit sloten een west- en een oostvleugel aan op het kerkgebouw.
De delen die het oud-klooster met de kerk verbonden, waren aan het eind van de achttiende eeuw al verdwenen. Kort na 1781 werd de oorspronkelijke, op het transept aansluitende oostvleugel al gesloopt en verder naar het oosten (richting Hamstraat) verlegd. De westvleugel die ongeveer ter hoogte van de huidige zuid-westtoren op de kerk aansloot, en dateerde uit de dertiende eeuw, verdween kort voor 1840.
Een volgende grote verandering kwam met de aanleg van het Munsterplein, waarvan de plannen al dateerden uit 1857. Om een open stadsruimte te creëren werd de metershoge muur om het kloostercomplex gesloopt maar ook het voormalige, uit de vijftiende eeuw daterende abdissenhuis en de brouwerij. De woning van de abdis (later omgebouwd tot Huis van Bewaring) bevond zich ongeveer ter hoogte van de huidige kiosk en stond er al vóór 1456. Ondanks die ouderdom werd het gebouw in 1865 zonder een spoor van protest afgebroken. “Geruisloos,” merkte voormalig gemeente-archivaris J. Baron van Hövell tot Westerflier daarover op. Ook de notaris en ‘oudheidkundige’ Ch. Guillon, die enkele jaren later luidruchtig strijd voerde met Cuypers over diens ingrijpende restauratie van de Munsterkerk, liet toen niet van zich horen. Niet zo vreemd, want toen de Munsterpleinplannen in 1857 werden ontwikkeld was hij wethouder: de plannen en de daarmee gepaard gaande sloopacties kwamen uit zijn koker.

Geen protesten

De sloop van het oud-klooster in 1924 was dus het slotstuk van een proces van ontmanteling dat al meer dan een eeuw gaande was. Ondanks dat vanaf de jaren 60 van de negentiende eeuw een soort ‘monumentenbesef’ ontstond, blijkt daarvan nog helemaal niets bij de geleidelijke afbraak van de Munsterabdij. Toen Jos Cuypers in oktober 1923 zijn plannen voor de reconstructie van het kazerneterrein ontvouwde en duidelijk werd dat daarin voor het oud-klooster geen plaats was, klonken er geen protesten. Integendeel, de reacties waren overwegend positief. Eindelijk zou nu de Munsterkerk verder worden vrijgelegd. En wat ook belangrijk was: voor menigeen stond vast dat de sloop in overeenstemming was met de denkbeelden die de twee jaar eerder overleden en door velen geadoreerde Pierre Cuypers had over ‘zijn’ kerk.
De oudheidkundige organisaties hulden zich in stilte. In Roermond toonde A.F. van Beurden, oprichter van ‘Limburg, Provinciaal Genootschap voor Geschiedkundige wetenschappen, taal en kunst’ zich ingenomen met de plannen en ook toen al bestaande verenigingen als de Bond Heemschut en de Nederlandse Oudheidkundige Bond lieten niet van zich horen.

Schematische weergave van de Munsterabdij voor de grote sloopacties. Gebouw I is de Munsterkerk, de zwartgekleurde gebouwen zijn gesloopt. De in 1924 gesloopte delen zijn IIIa en IIIb. Het meest waardevolle gebouw was IIIa, dat dateerde uit de dertiende eeuw. IIIb werd tussen 1781 en 1787 gebouwd. De kloostervleugel IV werd vóór 1840 al gesloopt. Het abdissenhuis is afgebeeld als gebouw Va. Afbeelding in: Bull. KNOB 71 (1972), tegenover blz. 88.

 De stemming slaat om

De stemming sloeg echter pijlsnel om toen eind januari 1924 werd begonnen met de sloop. Eerst was het dak aan de beurt. Tevoorschijn kwam toen, in de woorden van Cuypers: “een prachtige eikenhouten kap, die als spitsboogrij springend van de eene lange muur naar de andere stond met vele kepers die de boogvorm volgden, zooals nog in vele kerken in Noord-Nederland te zien is.
Voor het gemeenteraadslid A. Bongaerts was dat reden om al op 1 februari de alarmklok te luiden omdat de oude kloostermuren volgens hem zoveel oudheidkundige waarde hadden, dat deze behouden moesten blijven. Het gemeentebestuur richtte zich tot het Rijksbureau voor Monumentenzorg (Kalf) met het verzoek om de situatie ter plaatse nog eens te onderzoeken. En wel graag zo snel mogelijk “… daar men met het sloopingswerk -ter bestrijding der werkloosheid – niet langer kan wachten.” Erg veel enthousiasme voor de ontdekking van een middeleeuws kloostergebouw klinkt daar niet in door.
Kalf had nog wat anders te doen en reisde pas een week later (7 februari) af naar Roermond. Het dak en de toppen van de dwarsgevels lagen er toen al af. Tevens werd duidelijk dat de noordelijke muur van het gebouw van mergel was. Hier kwamen venstertjes van Naamse steen en restanten van een geprofileerde kroonlijst aan het licht die eerder verborgen waren gebleven onder het dak.
Hoewel duidelijk werd dat het oud-klooster van grotere monumentale waarde was dan gedacht, bleek het in gang gezette proces niet meer te stoppen. Afblazen van de sloop kwam niet aan de orde. Kalf kon in zijn rapport maar weinig waardering opbrengen voor de restanten van het klooster, maar moest toch toegeven dat hier misschien iets waardevols verdween. “Wij hadden vóór ons een geheel verminkten romp, leelijk voor het oog, maar oudheidkundig niet zonder belang.” Hij stelde nogmaals voor om alles goed na te meten, “voorzichtig” te slopen en goed in de gaten te houden wat er gedurende het sloopproces aan het licht zou komen, om zodoende achteraf een reconstructie van het klooster te kunnen maken. Kuylaars kreeg opdracht om de zaak te fotograferen en nauwkeurig op te meten.

Prestige

Dr. P.J.M. van Gils, de felste tegenstander van de sloop

Wat er eigenlijk gebeurde, was dat gedurende de sloop steeds duidelijker werd dat het oud-klooster vanuit kunsthistorisch oogpunt belangrijker was dan gedacht. Kalf lijkt zich te hebben vergist. Als we Jos Cuypers mogen geloven had hij zich bovendien niet aan de voorgeschreven procedures gehouden, en zichzelf daardoor in een precaire positie manoeuvreerd die het hem onmogelijk maakte zonder gezichtsverlies terug te komen op zijn eerdere standpunten.
Gemeenteraadslid Bongaerts was de eerste die zich roerde, maar nu kwam er steeds meer protest vanuit de hoek van historisch geïnteresseerden. Ook de plaatselijke kranten volgden de ontwikkelingen op de voet.
Tot de felste tegenstander van de sloop ontpopte zich dr. P.J.M. van Gils (1869-1956), priester, classicus, docent, onderwijs-inspecteur én sinds 1921 lid van het bestuur van het Limburgs Geschied- en Oudheidkundig genootschap.
Tijdens een bijeenkomst over de plannen tot vrijlegging van de Munsterkerk op 12 februari vroeg Van Gils het woord en gaf vervolgens het gemeentebestuur de wind van voren. De vrijlegging van de kerk berustte niet op historische gronden, betoogde hij. En trouwens: waarom had de gemeente zich alleen laten informeren door Haagse geleerden als Kalf en waren er geen Limburgse deskundigen geraadpleegd?
Vanaf dat moment ontwikkelde de discussie over het oud-klooster zich tot een prestigekwestie. Van Gils, die aanvankelijk geen enkel protest had laten horen tegen de plannen van Cuypers, profileerde zich nu opeens als een actievoerder die gemeenteraadsleden en krantenredacties probeerde te mobiliseren. Hij verweet Kalf een gebrekkige kennis van de regionale geschiedenis. Kalf kon of wilde niet terugkomen op zijn eerder ingenomen standpunten en pakte zijn tegenstander hard aan op diens beperkte bouw- en kunsthistorische kennis.

Oude kapittelzaal

Ondertussen ging de afbraak verder en kwam er hoe langer hoe meer aan het licht. Op 20 februari ontplofte de zaak, toen opnieuw fraaie restanten van dertiende-eeuwse architectuur aan het daglicht kwamen en bleek dat men bezig was de oude kapittelzaal te slopen.
Van Gils seinde onmiddellijk naar het dagblad De Tijd: “Zuilen, kapiteelen, basis en duidelijke sporen van schilderwerk met nog eenig bladornament zijn aanwezig. Dit is een hoogst merkwaardige ontdekking.”
Een dag later gaf hij in dezelfde krant Kalf een veeg uit de pan. “Het geheel is eenig in ons vaderland. Ten diepste is het te betreuren, dat in de beroemde kunststad zoo meedoogenloos het oude klooster, wellicht het merkwaardigste woonhuis nog in Nederland bestaande, is gesloopt en vernietigd. Welk aandeel bij deze droevige vernietiging van dit monument, dat met den oorsprong en heel de latere geschiedenis der stad is samengeweven, de Rijksmonumentencommissie heeft gehad, zal nader moeten blijken. Zeker is dat dr. Kalf, voorzitter dier commissie, het gemeentebestuur van advies gediend heeft.”
Van Gils riep op om bij Limburgse experts advies in te winnen en geen moeite te sparen om “wetenschap en kunst te dienen. Roermond smeekt en bidt er om.”
Naar aanleiding van de nieuwe vondsten liet de gemeente de sloop tijdelijk stopzetten, en reisde Kalf opnieuw af naar Roermond. Daar bleek inmiddels ook de verdieping al te zijn gesloopt en was men aan de oostkant begonnen met het neerhalen van de benedenmuren. Daarbij waren de fraai gebeeldhouwde kapitelen en een muurschildering voor de dag gekomen. Van Gils kon zich niet voorstellen dat ergens in Nederland mooiere kapitelen aangewezen konden worden, en hekelde de “barbaarsche afbraak.” Kalf stelde in iets soberder bewoordingen vast dat de barbarij zich al eerder had voltrokken: de zaal had in het verleden een functiewijziging ondergaan, waarbij het er tijdens de verbouwing niet zachtzinnig aan toe was gegaan. “Wanneer (…) de oude wand er afschuwelijk verminkt uitziet, dan is dat dus geenszins de schuld van hen, die het gebouw thans sloopen, maar van een vroeger geslacht, dat de zaal veranderde.”
Van Gils kon foeteren en schrijven wat hij wilde, de sloop ging verder. Kalf kwam niet op zijn standpunten terug, en de politieke wil om het klooster te redden ontbrak. Zelfs ideeën om enkele kapitelen in te metselen in omliggende gebouwen haalden het niet.

Spijt

Aan Jos Cuypers schijnt de hele discussie voorbij te zijn gegaan, juist in de tijd dat de rel over de sloop speelde zou hij in het buitenland zijn geweest. Pas begin maart was hij weer op het voormalige kazerneterrein. Nu ik dezen morgen de gelegenheid had om mij ter plaatse rekenschap te geven van hetgeen alsnog overeind staat, verandert mijn inzicht natuurlijk omtrent mijn ontwerp zeer sterk. In een vroeg stadium had volgens Cuypers de sloop moeten worden stilgelegd “… en zoodra die prachtige architectuur langs twee wanden van de 7×20 M. groote zaal aan den dag kwam [had] onvoorwaardelijk behoud van dit zoo zeldzaam vroeg 13e-eeuwsch stuk binnenarchitectuur” vooropgesteld moeten worden. In dat geval, zei Cuypers, had hij zijn plan voor het kazerneterrein eenvoudig kunnen aanpassen.
Het was allemaal te laat.
Nadat de restauratie van de Munsterkerk door Pierre Cuypers voor veel rumoer zorgde, was de sloop van het oud-klooster in 1924 aanleiding voor een tweede ‘monumentenrel’. Hoe zou het zijn geweest als het oud-klooster met zijn kruisgang, behouden was gebleven? Hadden we dan midden in de stad een oud kloostercomplex gehad, zoals bijvoorbeeld in Bonn? Was het gebouw door eerdere verbouwingen écht zo “afschuwelijk verminkt” als Kalf schreef, of deed die zijn best om het belang ervan te ‘downplayen’? We weten het niet. Het enige wat ons nog rest van het oud-klooster, zijn enkele basementen en kapitelen in het depot van het Historiehuis.

 

FAMILIEWAPENS IN DE KLOOSTERGANGEN

In 1897 beschreef A.F. van Beurden de familiewapens die de in het klooster verblijvende zusters (allen “adellijke juffers”) hadden laten aanbrengen in de voormalige kloostergangen.
Althans datgene wat aan het eind van de eeuw daarvóór niet al was vernield door de Franse revolutionairen.
“Op grijzen grond plaatste men vier aan vier de stamwapens der adellijke juffers, na hunne intrede, de wapens waren in frissche kleuren gemaald, gescheiden door een ornament terwijl een schild of cartouche in gouden letteren den naam en het jaartal bevatte.”
En passant gaf hij ook een beschrijving van de kruisgang. “De kruisgang was hoog ongeveer 4 meter en breed 3 m en 60 c.m. Het gewelf was door op hun schuinen kant liggende balken in vakken van 1 m. 30 c.m. gedeeld en de tusschenruimten waren met tonbogen, in fraai metselwerk, gevuld. Om den anderen vond men een vischgraatboog of een boog met concentrisch metselwerk.”
Een deel van de gang waarin zich de door Van Beurden beschreven familiewapens bevonden was op dat moment in gebruik als kantine voor de onderofficieren. Een ander deel diende als paardenstal en smederij.

Foto: RCE Amersfoort

 

Het goudemail van Sint-Odiliënberg

Foto: Jo Kempkens, Restauratie-atelier Restaura

Toen na de tweede wereldoorlog de basiliek van Sint-Odiliënberg moest worden gerestaureerd, werd er in 1949-1950 eerst archeologisch onderzoek gedaan door professor Piet Glazema van de Rijksdienst voor Oudheidkundig Bodemonderzoek. Tijdens die onderzoekingen ontdekte het team van Glazema dit bijzondere goudemail, dat een Jezusfiguur voorstelt, met links en rechts twee cirkels die waarschijnlijk de zon en de maan voorstellen. Het bijzondere kleinood is slechts 25×15 mm groot en wordt gedateerd in de tiende eeuw.
Het kunstwerkje werd aangetroffen in een met veldstenen gemetselde stenen kist in het koor van de kerk, waarschijnlijk een reliekgraf waarin relieken van de heiligen Wiro, Plechelmus en Odgerus (of van één van hen) werden bewaard. De stenen kist behoorde waarschijnlijk tot de oudste bouwfase van de kerk, tussen ca. 750-ca. 850.
Bij een latere verbouwing van de kerk werd een nieuw reliekgraf gemaakt, waar de inhoud van het oudere graf naar werd overgebracht. Daarbij moet dit voorwerpje, dat waarschijnlijk een onderdeeltje was van een reliekhouder, zijn achtergebleven. Het team van Glazema vond het goudemail na het zeven van de zand in de stenen kist.

Voor de vervaardiging van dit werkje is email cloisonné toegepast, een techniek waar met name Byzantium beroemd om was. Voor het email cloisonné uit deze periode dat in de Maas- en Rijnstreek is ontstaan, wordt doorgaans verwezen naar de invloed van keizerin Theophanu (ca. 960-991), de Byzantijnse gemalin van keizer Otto II. Theophanu liet in Trier een atelier oprichten waar ambachtslieden uit deze streek door Byzantijnen werden opgeleid. Ook het goudemail uit Sint-Odiliënberg is waarschijnlijk in Trier gemaakt.

Het goudemail maakt deel uit van de vaste collectie van het Limburgs museum in Venlo. Een replica is te bezichtigen in het Roerstreekmuseum van Sint-Odiliënberg.


Literatuur:

Glazema, P., Oudheidkundige onderzoekingen in en bij de R.K. kerk te St. Odiliënberg, in: Bulletin KNOB 53 (1952) 70-78.
Kempkens, J., De verrassing van het goudemail uit de basiliek, in: Jaarboek Heemkundevereniging Roerstreek 40 (2008) 150-157.

Het grafmonument van Mattis Maroyen en Jutt Bartelmans (1592)

In de St.-Christoffelkathedraal van Roermond is het grafmonument van Mattis Maroyen en zijn echtgenote Jutt Bartelmans ingemetseld.

Op de steen is het echtpaar ten voeten uit afgebeeld, realistisch weergegeven, gekleed volgens de mode van die tijd en met in gebedshouding gevouwen handen. De man en de vrouw zijn enigszins naar elkaar toegekeerd, in driekwart profiel. Het ingebeitelde omschrift in antieke kapitalen vermeldt dat Mathis Maroyen op 4 april 1592 overleed, slechts twee weken na het overlijden van zijn echtgenote op 21 maart van dat jaar:

ANNO 1592 DEN 4 APRILIS STARF MATTIS MAROYEN VND DEN 21 MARTY DES SELVIGE JAERS STARF JUTT BARTELMANS SYNE HVISFROVWE

Het snel na elkaar sterven van man en vrouw doet vermoeden dat beiden overleden als gevolg van een besmettelijke ziekte.

Tussen de beide figuren is een doodshoofd met gekruiste beenderen en een zandloper afgebeeld, twee symbolen van de dood die omstreeks 1600 herhaaldelijk voorkomen op Maaslandse grafzerken en dan, zoals ook hier het geval is, doorgaans worden verwerkt in het bovenste deel van de achtergrond. Aan hun voeten zijn de familiewapens afgebeeld, en in de vier hoeken de symbolen van de vier evangelisten: de adelaar (Johannes), het gevleugelde rund (Lucas), de engel (Matteüs) en de gevleugelde leeuw (Marcus). Ook de weergave van de evangelistensymbolen is eigen aan de Maaslandse grafkunst van die tijd. De grafsteen van pastoor Johannes Daniëls (overleden 1608) in de St.-Lambertuskerk in Neeroeteren toont dezelfde cirkelvormige motieven met daarin de evangelistensymbolen.

De gebruikte steen kwam waarschijnlijk uit een van de steengroeves uit de Maasvallei. De Naamse kalksteen is zeer fijnkorrelig, wat het mogelijk maakt om er fijne en scherpe groeven in te kappen.
Al sinds de 13de eeuw werd de Naamse steen via de Maas naar onze streek en verder stroomafwaarts vervoerd. Het is echter niet uitgesloten dat de zerk in een Luiks beeldhouw-atelier is vervaardigd. Hij is gemaakt in een zogenoemd vlak- of elementair reliëf. Het oorspronkelijke vlak van de zerk is daarbij behouden, maar de omtrekken van de hoofdfiguren zijn uitgespaard, en vervolgens een weinig uitgediept. Zo wordt een diepte-effect gecreëerd terwijl de figuren niet boven het oorspronkelijke vlak van de zerk uitsteken. Het is een techniek waarin met name de renaissance-kunstenaars uit Luik excelleerden.

Dat de twee echtelieden enigszins naar elkaar zijn toegekeerd, is kenmerkend voor deze renaissancestenen, waarbij de overledenen wat vrijer en in natuurlijkere houdingen worden afgebeeld dan daarvoor. Op de grafsteen van Jacob Eil en Elizabeth Groisbeck, die is ingemetseld in de kerk van Geijsteren en werd gemaakt na de dood van de vrouw (1574) is het echtpaar nog frontaal en in een veel stijvere houding uitgebeeld.

Gewichtige positie

Mathis Maroyen was een telg uit een bekende Roermondse familie, en bekleedde enkele belangrijke ambten, waaronder dat van raadslid, peyburgemeester, armenmeester en ontvanger van de licenten. Niet de eerste de beste dus. “De enorme grafsteen blijkt evenredig te zijn aan de gewichtige positie die hij in de stad innam,” schreef de voormalige archivaris Mart Smeets.
Pas bij de na-oorlogse restauratiewerkzaamheden in 1945 werd de bijzondere afbeelding van het echtpaar Maroyen ontdekt. Tot dan lag de bijna drie ton zware steen omgedraaid, met de vlakke kant naar boven op het O.L.Vrouwekoor. Aan deze vlakke zijde zijn verschillende namen van afstammelingen van de Maroyens ingebeiteld, die in hetzelfde graf werden bijgezet. Het oudst vermelde jaartal is 1687. Minstens vanaf die tijd maar waarschijnlijk nog langer, hebben de Maroyens met hun gezichten in het zand gelegen.
Waarom de zerk ooit is omgedraaid, is onbekend. Mogelijk stak de massieve grafplaat oorspronkelijk een beetje boven de vloer uit, iets wat in de zestiende eeuw niet ongebruikelijk was bij grafstenen voor de elite. Sommige van deze zerken lagen zelfs op korte pootjes of op een lage voet, zodat bezoekers er altijd omheen moesten lopen. Of dit bij de steen voor het Maroyen ook het geval was, is niet meer na te gaan. De geprofileerde afbeelding van het echtpaar zal echter nooit hebben aangemoedigd om er overheen te lopen.


Literatuur:

Caster, E. van en R. Op de Beeck, De grafkunst in Belgisch Limburg, Assen 1981.
Smeets, M., De kathedraal van Sint Christoffel te Roermond, Roermond 1953.
Kockerols, H., Monuments funéraires en pays Mosan 4. Arrondissement de Liège. Tombes et épitaphes, Malonne 2004.

Het grote huis aan de Markt

De verbouwing van de panden Markt 35 en Varkensmarkt 1 tot één vestiging van modegigant H&M wordt straks ongetwijfeld een van de grotere bouwprojecten in het centrum van Roermond. Vanuit monumentaal perspectief lijken de plannen van H&M niet alleen maar negatief. Belangrijkste winstpunt is dat de panden aan de Markt en Marktstraat straks weer één worden. Dat betekent herstel van de oude situatie van vóór 1871, toen het grote huis in tweeën werd gesplitst. Daarnaast komt ook de koetspoort die in de oude situatie bestond, weer terug.
De splitsing van het pand in twee woningen deed enorm afbreuk aan de allure van het huis. Dat het hier oorspronkelijk om één pand ging, was voor menige Roermondenaar onbekend, omdat de gevels van de twee helften in de loop van de jaren een totaal andere uitstraling kregen. Alleen aan de vorm van het dak was eigenlijk nog te zien dat het oorspronkelijk één pand was.
Over het pand, zijn geschiedenis en zijn bewoners is veel te vertellen. Dit stuk beperkt zich tot de beginperiode: wie bouwde het huis en hoe zag het er toen uit?

De oudste afbeelding

De oudste weergave staat op de stadskaart die Herman Janssens in 1671 maakte, en die bedoeld was om inzichtelijk te maken hoe groot de schade was van de stadsbrand die Roermond in 1665 had getroffen. Janssens tekende de huizen die geen schade hadden opgelopen met een blauw dak, en de huizen die wél beschadigd waren met een rood dak. Op die kaart zien we het grote huis aan de Markt aangeduid met een rood dak, wat zou betekenen dat het ofwel brandschade opliep, ofwel kort na de ramp werd herbouwd.
Op dat laatste scenario wijst de parallel aan de straat liggende nok. Kort na de stadsbrand vaardigde de Roermondse magistraat namelijk nieuwe bouwreglementen uit, waarin de nadruk lag op het voorkomen van nog zo’n verwoestende brand. Er werd onder andere in bepaald dat nieuw gebouwde huizen aan de voor- en aan de achterzijde moesten ‘afdaken’, met andere woorden dat de nok parallel aan de straat moest lopen. Ook mochten huizen niet meer tegen elkaar worden gebouwd, maar moesten ze worden gescheiden door een smalle brandgang. Op de kaart is te zien dat het pand aan de Markt ook aan die laatste voorwaarde voldeed. Rechts van het pand, aan de kant van de Varkensmarkt, liep een smalle steeg.
Dat het pand kort na 1665 (gedeeltelijk) werd gebouwd of herbouwd, blijkt ook uit een dendrochronologisch (jaarringen-) onderzoek naar de kapconstructie van Markt 35 dat in 2009 plaatsvond en waaruit bleek dat het hout daarvan in 1664 was gekapt en dus direct na de stadsbrand werd gebruikt voor het herstel van het pand.

Drie panden

Welke huizen vóór 1665 op deze plaats stonden, is ontrafeld door amateur-historicus Jan Ruiten, die ontdekte dat hier oorspronkelijk drie panden stonden. Het meest noordelijke, dat dus grensde aan het huidige winkelpand van Zeeman, was waarschijnlijk in eigendom van Gossen van Dulcken. In 1661 kocht het echtpaar Van Dulcken ook het pand twee huizen verderop. Het huis dat tussen de twee panden van Van Dulcken lag, was eigendom van peyburgemeester Adam Baenen. Na de brand van 1665 werd dit huis, of wat er nog van over was, eveneens gekocht door Van Dulcken, die er vervolgens een nieuw huis bouwde, conform de nieuwe voorschriften van de magistraat.

Gossen van Dulcken

Het enorme stadspaleis, straks de nieuwe H&M, is dus gebouwd door deze Gossen van Dulcken. Over hem en zijn familie is wel iets bekend. Gossen stamde uit een oud Roermonds regentengeslacht, de familie behoorde al generaties tot de hoogste burgerij. De naam Van Dulcken komt al in 1540 voor onder de schepenen. Een Goessen (ook Goossen en Gossen) van Dulcken wordt in 1596 genoemd als licentmeester, en later als een van de tienmannen van de grote ampten. Ook komt de naam voor op de lijst van raadsverwanten en in andere hogere stedelijke ambten als peyburgemeester, schepen en raadsburgemeester.
‘Onze’ Gossen van Dulcken werd na 1600 geboren en werd in december 1637 secretaris van de Raad, kort nadat Roermond volgend op een drie jaar durend ‘Staats intermezzo’ weer was ingenomen door de Spanjaarden.
Kort daarna kreeg Van Dulcken van de magistraat de opdracht om een postsysteem op te zetten, waarbij boden op vaste tijden naar bepaalde plaatsen zouden vertrekken met post van de stad en van particulieren. Bij het inrichten van de eerste lijnen, die van Roermond-Brussel en Roermond-Keulen, schijnt Van Dulcken in contact te zijn gekomen met de Rijkspost van de prinsen Von Thurn und Taxis, waarna hem werd gevraagd om voor die firma te gaan werken. In Roermond zou dan een postkantoor worden opgericht dat onder andere zou dienen als entrepot voor de post tussen Italië en Zuid-Duitsland op Holland. Gossen bleek de juiste man voor de job: hij sloot met tal van steden verdragen over de postbezorging en slaagde erin om ‘Roermond’ uit te bouwen tot een belangrijk kantoor in het internationale Rijkspostsysteem.
Door deze zakelijke successen werd Van Dulcken een rijk man. In 1649 stichtten hij en zijn eerste vrouw Maria Spee een weeshuis voor zes meisjes tussen 8-16 jaar, uit christelijke naastenliefde en met het doel iets terug te doen voor de maatschappij. Het weeshuis bestond nog toen Gossen in 1681 overleed en werd later zelfs uitgebreid en uiteindelijk (in 1754) bij het ‘Hospitaal-Generaal’ gevoegd.
Naast zijn werk als Postmeester bleef Van Dulcken tot 1 juli 1656 actief als secretaris van de magistraat en ook daarna bekleedde hij nog diverse functies in het stadsbestuur.

Huis van de stadhouder

Het succes dat Van Dulcken in zijn functie van Postmeester had, verklaart niet alleen de rijkdom die hem in staat stelde om na 1665 een enorme woning te laten optrekken aan de Roermondse Markt, maar ook de snelheid waarmee dat gebeurde.
Ook op de tijdgenoten maakte het huis aan de Markt grote indruk. Dat bleek toen in 1680 de pasbenoemde stadhouder van het Gelderse overkwartier, Johan Frans van Nassau-Siegen, op zoek ging naar een passende woning in Roermond. De bedoeling was dat hij uiteindelijk zijn intrek zou nemen in het paleis dat voor de stadhouders werd gebouwd aan het Munsterplein en Pollaertstraat (het Prinsenhof), maar dat was in 1680 nog lang niet gereed. Als tijdelijk onderkomen hadden de Staten van het Overkwartier daarom het grote huis op de hoek van Swalmerstraat en Betlehemstraat aangekocht, maar dat was buiten de kieskeurigheid van de nieuwe stadhouder gerekend, die pertinent weigerde om dat huis te betrekken. Hij had een ander huis op het oog: dat van Gossen van Dulcken. Dat Van Dulcken er geen oren naar had, deed niet ter zake. Op 19 december liet de nieuwe stadhouder zich door het pand leiden, en al de volgende dag werd er verhuisd, ondanks protesten van Gossen, die toen doodziek in bed lag. Weer een dag later namen de prins en zijn echtgenote “avecq toute leur famille” hun intrek in het huis. Van Dulcken mocht in zijn huis blijven wonen, maar kreeg slechts een klein kamertje toebedeeld. In een protestbrief noemde Gossen het een klap dat hij op zijn sterfbed, en na zoveel jaren trouwe dienst, op deze manier werd behandeld.
Nadat ook bisschop Van Hoensbroeck, de Ridderschap en de steden van het Overkwartier druk hadden uitgeoefend op de nieuwe stadhouder, besloot deze uiteindelijk om het huis “ou il s’est logé de force” te verlaten. Gossen overleed enkele weken later, op 23 januari 1681.

Hospitael Generael

Na het overlijden van Gossen van Dulcken viel het grote huis aan de Markt toe aan zijn dochter Anna Maria en haar echtgenoot, de in Nijmegen geboren jurist Johan Frans de Bors. Deze was in de laatste levensjaren van Van Dulcken al opgetreden als diens compagnon en volgde zijn schoonvader in oktober 1680 ook formeel op als postmeester bij de Rijkspost. Behalve het grote huis aan de Roermondse Markt, had het echtpaar De Bors-Van Dulcken overigens ook het huis Overen tussen Lerop en Sint-Odilienberg in eigendom.
Anna Maria en Johan Frans kregen twee kinderen, die beiden een kerkelijke carrière hadden: Goswinus Frans (1695-1762) studeerde kerkelijk recht in Rome, promoveerde daar en werd in 1727, toen hij nog studeerde kanunnik van het kathedrale kapittel in Roermond. Zijn zus Dorothea was zuster in het Clarissenklooster in Roermond.
In 1739 vestigde kanunnik De Bors een ‘Hospitael Generael’ in het huis aan de Markt, dat echter al snel te klein bleek voor deze functie. Stadscommandant kolonel F.A. de Rulle nam daarna het initiatief tot een opzienbarende ruil. De commandant was uit hoofde van zijn functie verplicht om te wonen in het Princenhof, maar vond die woning veel te groot. Hij stelde daarom voor om hier het Hospitael Generael in te vestigen, terwijl hij van het huis aan de Markt zijn nieuwe ambtswoning zou maken. Uiteindelijk zou dit plan in 1741 worden gerealiseerd. Om die reden wordt het huis aan de Markt, dat nadien nog diverse andere functies had, nu soms nog ‘Commandantshuis’ genoemd.
Omstreeks deze periode is het huis waarschijnlijk ook verbouwd en kreeg het een modern aanzicht. Op een tekening uit 1815 van A.F. van Aefferden zien we hardstenen venster- en deuromlijstingen en een deur met een bovenlicht. De koetspoort had een kroonlijst met diepe groeven zoals die in de stad nu nog steeds op verschillende plaatsen voorkomen.

 

De rococo-latei

Op oude foto’s is te zien dat het grote huis aan het einde van de negentiende eeuw nog een mooie sierlatei in rococostijl boven de deur had. Deze latei zal zijn aangebracht bij een restauratie of verbouwing in de achttiende eeuw. Boven deze sierlatei bevond zich dan een bovenlicht, zoals is te zien op de bovenstaande tekening die A.F. van Aefferden in 1815 maakte. Het is een situatie die in Roermond meer voorkwam in de deftige panden van de 18de eeuw. Een mooi voorbeeld is het pand Kraanpoort 1, andere voorbeelden zijn te zien op de Swalmerstraat. Het mooie is dat de sierlatei van het Commandantshuis er nog steeds is: hij ligt op het terrein van het Cuypershuis. Pogingen van de Stichting Ruimte om de latei terug te plaatsen, hebben tot nu toe niets uitgehaald.


Verder lezen:

Dukers, B.A.J.T., Cultuurhistorische analyse Markt 35-Varkensmarkt 1 Roermond, Buro4, Monument en Ruimte november 2015.
Ickenroth, J., De Rijkspost in Limburg, Amstelveen 1995
http://www.janruiten.nl/klockenslagh/Roermond/Stadhouder/Stadhouders.htm
Rieter, Historisch overzicht van het R.K. Godshuis, eerder genaamd Het Hospitael Generael, Roermond 1939.