Tag: Henry Luyten

Hedwig Behnisch: Koningin van de bloemen

Een kapotte grafsteen op de begraafplaats Tussen de Bergen, met een nagenoeg onleesbare tekst: heel vaag is nog te lezen dat hier Hedwig Behnisch, de echtgenote van de schilder Henry Luyten is begraven. Het is een grafsteen die door de gemeente Roermond opgeknapt zou mogen worden. Niet alleen omdat het graf eeuwigdurende rechten heeft en van de gemeente is, maar ook vanwege de verdiensten van deze vrouw voor de stad.

Want wie was Hedwig Behnisch? Lees even deze korte schets van een leven dat begon op een groot landgoed in het huidige Polen, en dat eindigde op een kamertje in het Roermondse Godshuis.

Hedwig (bijnaam ‘Hedel’) werd in 1873 geboren in Hohenangern, een circa 500 hectare groot landgoed van haar ouders Gustav en Elisabeth Behnisch in wat toen nog Duitsland, maar nu Polen is (tegenwoordig in het dorp Luszkovo). Een telg uit een rijke familie, zowel van vaders- als van moederskant, met alle kenmerken die in die tijd normaal waren in dat soort kringen: een huis vol bediendes, een educatieve reis op zijn tijd, veel aandacht voor kunst, cultuur en muziek, gouvernantes en privé-leraren voor de kinderen toen die nog klein waren en een ‘tüchtige’ opleiding aan een internaat toen ze ouder werden.
In 1899 werd het landgoed Hohenangern verkocht en verhuisde de familie naar Breslau (Wroclaw). Hedwig, die al vanaf haar jeugd verknocht was aan muziek (piano) maar vooral aan tekenen, schilderen en later ook aan fotografie, ging er studeren aan de kunstacademie. In 1907 las ze over het Institut des Beaux-Arts dat de in Roermond geboren schilder Henry Luyten vijf jaar eerder in Brasschaat (bij Antwerpen) had opgericht, een soort post-academische opleiding. Hedel besloot ze daar naartoe te verhuizen om zich verder te ontwikkelen.

Henry Luyten

Het doek Sonata van Luyten uit 1907. Hedwig Behnisch is ‘la tourneuse des pages’. Luyten beeldde ook zichzelf af, direct rechts van Hedel. De vrouw linksboven is Mara Corradini.

Luyten was in die tijd op het toppunt van zijn roem. Vier jaar eerder was hij internationaal doorgebroken met een grote en bijzonder succesvolle tentoonstelling in Wenen. In de pers werd hij bejubeld, hij werd geëerd met banketten, en zou gearmd met de aartshertog door Wenen hebben gelopen.
De Weense triomftocht had voor Luyten bovendien een aantrekkelijk commercieel staartje. In Duitsland werd zijn werk geëxposeerd in bijna alle grote steden, hij werd een van de ‘grote namen’ en slaagde hij erin zijn groeiende faam commercieel uit te baten, met name als portretschilder van diverse adellijke families. Het leverde hem niet alleen een kapitaal op, maar droeg ook bij tot het succes van het kunstinstituut in Brasschaat, dat tot het uitbreken van de eerste wereldoorlog zou blijven bestaan.

Toen Hedwig Behnisch in 1907 in Brasschaat arriveerde, werkte Luyten aan het bekende doek Sonata, dat enkele jonge vrouwen en mannen voorstelt die in een salon luisteren naar een pianiste. Feitelijk was het een scene uit het instituut, want de mensen die op het doek worden afgebeeld, waren Luyten en zijn studenten van dat moment. Speciaal om er ook Hedel aan toe te kunnen voegen, wijzigde hij het schilderij: zij is degene die voor de pianiste de bladzijden van de partituur omslaat. Dit grote doek is een van Luytens’ werken die eigendom zijn van het Roermondse Cuypershuis.

Hedel werd door Luyten beschouwd als zijn meest getalenteerde leerling. Met name haar stillevens met bloemen maakten indruk, en niet alleen op Luyten. Toen ze in 1912 in Parijs exposeerde, werd ze daar in de pers ‘La reine des fleurs’ genoemd, de koningin van de bloemen. Van de ene kant was het een titel waar Hedel haar levenlang trots op is geweest, van de andere kant schijnt ze ook spijt te hebben gehad dat ze zich zo lang toelegde op dit genre en niet ook op bijvoorbeeld het schilderen van portretten. Volgens Luytens biograaf Jozef de Beenhouwer kan er in de aanmoedigingen van Luyten om juist bloemen te blijven schilderen ook een element van ‘beroepsnaijver’ hebben meegespeeld.

Huwelijk met Luyten

Hedwig Behnisch in 1907, het jaar dat ze kennismaakte met Luyten en diens kunstinstituut

De relatie tussen Hedel en Luyten was al snel meer dan die tussen een studente en haar leermeester. In 1917, midden in de eerste wereldoorlog, trouwden de twee met elkaar in Breslau.
Hedel was niet de eerste vrouw van Luyten. In 1890 was hij al getrouwd met Joanna Brees uit Antwerpen, een ongelukkig huwelijk dat formeel duurde tot haar overlijden in 1916 maar dat al jaren onder grote spanning stond. In 1900 verliet Joanna hem voor het eerst, en vijf jaar later opnieuw. Wel kregen zij een zoon, die in 1934 zou overlijden.

Zonder twijfel was Luyten de grote liefde van Hedwich, andersom was de liefde minder groot. “Ik heb die combinatie nooit begrepen,” schreef een Amerikaanse oud-studente van Luyten later. “Maar ja, we wisten allen dat ze hem echt aanbad vanaf het eerste ogenblik dat ze hem zag.” Luyten koesterde een grotere, maar nooit beantwoorde liefde voor een van zijn andere studentes, de Zwitsers-Italiaanse Mara Corradini. De speciale relatie tussen Luyten en Corradini kwam onder meer tot uiting in een ring van Corradini die Luyten zijn leven lang bleef dragen.

Hedels huwelijk met Luyten ging niet altijd over rozen. Luytens carrière was in België in het slop geraakt, enerzijds omdat zijn huwelijk met een Duitse in de ogen van velen niet door de beugel kon, maar ook als gevolg van zijn openlijke sympathie voor de Vlaamse zaak. Mede daarom bleven Luyten en Behnisch na de oorlog nog jarenlang in Duitsland wonen, en keerden ze pas in 1923 terug naar Brasschaat.
Toen moest de grootste beproeving echter nog komen. In 1929 later trok daar een dochter van Hedels broer Kurt bij hen in: Käthe Behnisch (1914-1998). Nog geen vier jaar later reisde Käthe terug naar Duitsland… in verwachting van een kind van Luyten, een meisje dat op 19 januari 1933 werd geboren.
Voor Hedel was het een persoonlijk drama, maar zij bleef bij Luyten tot deze in januari 1945 overleed.

Museum in Roermond

Voor Luyten was het belangrijk om zijn werk onder de aandacht te houden, en daarvoor moest hij exposeren. Het aantal tentoonstellingen liep echter sterk terug: in België werd hij geboycot vanwege zijn uitgesproken Vlaamsgezindheid, maar ook zal hebben meegespeeld dat zijn werk niet meer de actualiteit van eerdere jaren had. In 1930 bood hij een aantal van zijn schilderijen aan de gemeente Roermond aan, met de uitdrukkelijke bedoeling dat ze daar permanent geëxposeerd zouden worden. Samen met het werk van Cuypers vormden ze de basis van het Gemeentelijk Museum Hendrik Luyten-Dr.Cuypers dat in 1932 werd gesticht.

Een rustige oude dag was Hedwich Behnisch na het overlijden van Henry Luyten (1945) niet gegund. Financieel zat ze volledig aan de grond. Het kapitaal dat Luyten in de jaren na 1900 verdiende was in de laatste decennia van zijn leven verdampt en de ooit eveneens kapitaalkrachtige familie Behnisch was de twee oorlogen evenmin ongeschonden doorgekomen, zodat Hedel ook van die kant niets te verwachten had. Daarnaast kon zij als Duitse geen aanspraak maken op de Belgisch oudedagsvoorzieningen en moest ze in 1945 het geld dat hoorde bij een Duitse cultuurprijs die Luyten in 1939 had ontvangen, ‘terugbetalen’ aan de Belgische staat. Er bleef haar weinig anders over dan het landgoed van Luyten te verkopen, met als geluk bij een ongeluk dat de nieuwe eigenaar haar toestond er te blijven wonen.
Als klap op de vuurpijl raakte ze kort na het overlijden van Luyten al verwikkeld in een strijd over de erfenis, waarbij zij werd verplicht om de schilderijen van haar man te verdelen met de kleinkinderen uit diens eerste huwelijk. Luytens biograaf Jozef de Beenhouwer daarover: “Dit is voor Hedwig Luyten Behnisch ongeveer het ergste wat haar kan overkomen, en juist dáárom schenkt ze onmiddellijk daarna – ondanks haar financiële nood – bij notariële akte nog eens 123 schilderijen van Henry Luyten aan het museum in Roermond.”

De grote uitbreiding van de ‘collectie Luyten’ van het museum heeft Roermond dus aan Hedwig Behnisch te danken. Maar haar eigen penibele situatie werd er daardoor niet beter op. In 1953 verhuisde de inmiddels 80-jarige weduwe naar een nicht in Kaiserslautern, en zes jaar later naar Lübeck. In 1960 regelde de toenmalige stadsarchivaris en conservator van het museum Hans Baron van Hövell tot Westerflier dat haar een kamer wordt aangeboden in het Godshuis. Daar trekt Hedel op 1 maart in en schenkt bij die gelegenheid nog eens tachtig van haar eigen schilderijen aan het museum.
Op 30 juli 1963 overlijdt ze, 90 jaar oud. Op het graf van de ‘reine des fleurs’ groeit tegenwoordig alleen onkruid.

Voorbeelden van het omvangrijke bloemenoeuvre van Hedwig Behnisch



Een verhaal over Henry Luyten vind je << hier >>

Henry Luyten: Verbannen naar het depot

Kort voor het einde van de oorlog, op 21 januari 1945, overleed de Roermondse schilder Henry Luyten. Zijn werk stond aan de basis van de stichting van het stedelijk museum en behoorde tot de basiscollectie ervan. Voor zijn beroemde drieluik De Werkstaking werd zelfs een aparte zaal ingericht. Na de verbouwing tot Cuypershuis zijn De Werkstaking, en Luyten überhaupt, de grote afwezigen. Roermond heeft zich ontdaan van het enorme doek, en heeft de overige schilderijen verbannen naar het depot, waar ze slechts bij uitzondering uit worden gehaald. De lotgevallen van een schilderij.

In het najaar van 1886 besloot Henry Luyten zich voor enige tijd te vestigen in de Borinage, de mijnstreek rond Charleroi. Het was sociale bewogenheid die de toen 27-jarige schilder naar die troosteloze streek dreef. Het was een tijd van sociale gisting, van syndicalisme, opkomend socialisme en op weinig plaatsen was de somberheid, de armoede en de uitzichtloosheid zo groot als daar.
Luyten was niet de enige kunstenaar die de misère opzocht. Constantin Meunier haalde er de inspiratie voor zijn belangrijkste werken, Emile Zola schreef in deze tijd zijn ‘Germinal’ over het leven van mijnwerkers. Een andere was Vincent van Gogh, die in 1879 een tijdje als predikant werkte in het troosteloze dorp Wasmes, vlak bij de mijn van Marcasse.
In 1886, juist toen Luyten in de Borinage verbleef, kwam het tot een nieuwe massastaking die zich als een inktvlek over de Waalse mijnsteden verspreidde. Luyten was erbij, vereenzelvigde zich met de stakers en herinnerde zich nog een halve eeuw later de sfeer van toen. “Ik ben mee afgedaald in de mijn en heb de werkstaking heelemaal medegemaakt. Dat maakt je koud, zoo iets… Je siddert ervan en je vergeet jezelf.”
De toen opgedane ervaringen zetten hem ertoe aan een enorm drieluik te schilderen: De Werkstaking. In 1888 begon hij te werken aan het doek dat hij pas in 1892 zou voltooien. Op het middendeel (drie meter hoog en vijf meter breed!) schilderde hij de emoties en de opgewonden sfeer tijdens een mijnwerkersvergadering op het moment dat de staking wordt uitgeroepen. Een van de mannen staat half op een tafel, half op een stoel en lijkt te worden toegejuicht. Armen gaan de lucht in, er wordt geschreeuwd, vuisten worden gebald. In het midden houdt iemand een rode vlag vast, op de voorgrond ligt een gewonde man met een verband om zijn hoofd.
Het linker zijpaneel (‘Miserie’, 3 x 2,5 meter) stelt een bedelende mijnwerkersweduwe voor, het rechter zijpaneel (‘Na de opstand’, 3 x 2,5 meter) een soldaat die de wacht houdt bij de lijken van doodgeschoten stakers.

Dramatisch

Zowel de stijl als de thematiek van De Werkstaking wijken nogal af van de zonnige, kleurrijke schilderijen waarmee Luyten vaak wordt geassocieerd.
“Toch was Luyten zijn leven lang een sociaal bewogen schilder,” zegt zijn Belgische biograaf Jozef de Beenhouwer. “De werkstaking is enorm dramatisch, en heeft een geweldige emotionele kracht. Het is juist dat hij later veel geld heeft verdiend met het schilderen van portretten van rijke burgers en van Duitse adel. Daardoor kreeg hij bij sommigen de naam van een elite-schilder, iemand die vooral de rijken bediende. Maar dat doet hem tekort. Luyten is daarnaast altijd de gewone mensen blijven schilderen, om te tonen hoe ze leefden en werkten.”
De Beenhouwer is een gepassioneerd liefhebber van Luyten. Niet alleen schreef hij een biografie over de schilder (1995) en een boek over diens schilderschool in Brasschaat (2008), hij was ook een van de initiatiefnemers van de ‘Stichting Henry Luyten’ in Brasschaat, die zich ervoor sterk maakt om de schilder niet in de vergetelheid te doen belanden.
“De virtuose schilderstechniek van Luyten, de manier waarop hij met kleuren omspringt is uniek. Die menging van kleuren, en de effecten die hij daarmee bereikt is zeldzaam.”
De Werkstaking wordt door De Beenhouwer tot zijn belangrijkste werken gerekend. “Wellicht het belangrijkste uit zijn vroege periode. In de kunstgeschiedenis is dit de tijd van het sociaal realisme en daarin is het een topwerk, sensationeel en in die tijd ook choquerend. Het heeft zijn carrière natuurlijk ook geschaad, want het was uiteindelijk ook een aanklacht tegen de burgerij.”

Lof en kritiek

Luyten oogst kritiek, maar vooral lof met zijn drieluik. Als het in 1892 in Gent wordt geëxposeerd, krijgt hij daarvoor een ‘Grote Gouden Medaille’. Twee jaar later op de Wereldtentoonstelling in Antwerpen, valt De Werkstaking eveneens in de prijzen. Ook in het buitenland wordt het doek geëxposeerd, onder andere in Dresden, Londen en in Parijs.
In 1897 wordt het drieluik zelfs naar de Verenigde Staten verscheept, met de bedoeling het daar in een aantal steden te exposeren. De plannen werden echter slecht voorbereid en de hele opzet voor een Amerikaanse tournee viel in het water. Uiteindelijk werd het werk alleen in Saint Louis geëxposeerd.
Het avontuur in Amerika liep dan wel uit op een flop, met de carrière van Luyten ging het omstreeks 1900 steil bergopwaarts. De doorbraak lijkt een grote tentoonstelling eind 1903 in Wenen te zijn geweest, met De Werkstaking als het stralende middelpunt.
In de pers wordt de triptiek (“levensgroot, in donker en toch doorleefd koloriet”) bejubeld. In dezelfde tijd was in Wenen ook een tentoonstelling van Gustav Klimt, maar voor “werkelijke genialiteit” moest je volgens een krant uit die tijd bij Luyten zijn. “Ook in zijn andere werk blijft Luyten de schilder van de armoede, van de vissers, de landarbeiders, de dagloners, en welk een uitdrukkingskracht weet hij aan hun gezichten te geven!”
Ook buiten de krantenkolommen wordt hij bejubeld en gefêteerd. Om hem te eren werden banketten gegeven en hij kreeg een betrekking aan de Weense ‘Akademie’ aangeboden. Volgens zijn latere echtgenote Hedwig Behnisch zou hij toen gearmd met de aartshertog door de stad hebben gewandeld. De tentoonstelling in Wenen was de opmaat voor een triomftocht.
De Beenhouwer: “In die periode was hij wereldberoemd. In Duitsland was hij echt een van de grote namen. Gedurende jaren had hij in alle grote Duitse steden overzichtstentoonstellingen van zijn werk.”

Saksische adel

Belangrijk was dat Luyten in Dresden kennis maakte met Freifrau Margaretha von Helldorff. Via haar kwam hij in contact met de Saksische adel en ontwikkelde zich in die kringen tot een veelgevraagde en geliefde portretschilder. Met zijn impressionistische werk, en met name door zijn werk als portretschilder voor deze adellijke Duitse families vergaarde Luyten een kapitaal. Niet alleen in financieel maar ook in artistiek opzicht wordt deze periode vóór het uitbreken van de eerste wereldoorlog tot de succesvolste van zijn leven beschouwd. Margaretha von Helldorff schonk het portret dat Luyten van haar schilderde later aan het museum in Roermond.
Naast zijn werk voor particuliere opdrachtgevers begon hij in zijn woonplaats Brasschaat (bij Antwerpen) een schilderschool, een soort post-academische opleiding die kunstenaars uit heel Europa en zelfs uit de VS trok. De inmiddels zeer vermogende Luyten bouwde zijn woonhuis uit tot een aanzienlijk landgoed door de aangrenzende grond met daarop diverse panden aan te kopen. Diverse gebouwen van dat landgoed staan er nog steeds, in de buurt van het Henry Luyten Plein, waar ook een standbeeld voor hem is opgericht.

 Afnemende waardering

Het Gulden Doek van Vlaanderen. Foto: Wikipedia

Toch kwam zowel aan die financiële voorspoed als aan de waardering een einde. Dat kwam voor een gedeelte door ontwikkelingen in zijn privé-leven en door de politieke situatie in België.
Midden in de eerste wereldoorlog, in 1917, trouwde Luyten in Breslau met de Duitse Hedwig Behnisch, sinds 1907 een van zijn meest begaafde studentes aan het schilderinstituut van Brasschaat. Juist in die tijd was het huwelijk van Luyten met zijn Duitse geliefde natuurlijk verre van politiek correct en het zal links en rechts kwaad bloed hebben gezet.
Daarnaast speelde de verscheurdheid van België en de strijd tussen Frans- en Vlaamstaligen hem parten. Daarbij is te bedenken dat het Frans in die tijd nog de taal van de elite en van de overheid was, en de Vlaamse beweging nog een emancipatiebeweging die zich verzette zich tegen de toenemende verfransing en de eigen Vlaamse cultuur bedreigd zag. Luyten, die zich in 1896 liet naturaliseren tot Belg, sprak zich daar heel duidelijk over uit: hij was Vlaamsgezind. Het bracht hem ertoe om in 1916 een door de Duitse bezetter ondersteunde petitie voor de vervlaamsing van de Hogeschool van Gent te ondertekenen.
Zijn belangrijkste Vlaamsgezinde statement was echter, hoe kan het ook anders, een schilderij: het ‘Gulden Doek van Vlaanderen’ , een groot werk (3,3 x 4,7 meter) waaraan hij vanaf 1931 werkte en waarop meer dan honderd vooraanstaande Vlamingen uit de hele geschiedenis werden afgebeeld. Het Gulden Doek is een monument van Vlaams nationalisme en is te bezichtigen in de IJzertoren in Diksmuide.
Luytens pro-Vlaamse stellingname, zijn huwelijk met een Duitse vrouw en zijn uitstekende relaties in Duitsland leverden hem veel vijanden op. Na afloop van de oorlog werd hij als het ware in de ban gedaan. In België werden opdrachten en aanstellingen teruggetrokken, en voor officiële exposities werd hij niet meer uitgenodigd.
De Beenhouwer: “Het had vooral te maken met Luytens houding tijdens de Eerste Wereldoorlog. Hij is altijd erkentelijk gebleven voor de enorme kansen en waardering die hij voor de oorlog in Duitsland had gekregen. Het ligt allemaal zeer genuanceerd. Maar in België werd hij na 1918 persona non grata. Daar zat natuurlijk ook een hoop nijd bij van minder succesvolle collega’s.”
Het waren moeilijke jaren, waarin het vóór de oorlog opgebouwde kapitaal volledig opdroogde en de ooit zo gefortuneerde schilder financieel helemaal aan de grond kwam te zitten. Dat verklaart wellicht ook waarom de tachtigjarige Luyten in 1939 de Rembrandt-prijs van de Hamburgse universiteit accepteerde, een onderscheiding voor uitzonderlijke culturele prestaties in het Nederlandse taalgebied. Het was een prestigieuze prijs die in het Derde Rijk ook een politiek beladen prijs werd, maar Luyten had het geld dat aan de prijs was verbonden hard nodig. “Sie haben mich vor dem Untergang gerettet,” schreef hij dankbaar aan de Hamburgse universiteit.

Het standbeeld van Luyten in Brasschaat

Toch was het dalende prestige van Luyten niet alleen het gevolg van zijn pro-Vlaamse stellingname, politieke en persoonlijke omstandigheden. Misschien wel het allerbelangrijkst was de ontwikkeling in de kunstwereld. Terwijl de moderne kunst zich in sneltreinvaart ontwikkelde, bleef Luyten trouw aan zijn stijl. Hij ging niet mee in de nieuwe golf van expressionisme met zijn abstractere vormen, maar bleef doen wat hij altijd had gedaan. Zijn werk, hoe volmaakt dan ook vanuit artistiek en technisch opzicht, werd door veel critici als achterhaald beschouwd. Ook om die reden werd hij minder geëxposeerd en leverde zijn werk steeds minder op.
De gang van zaken rond De Werkstaking is illustratief. Toen hij in 1915 werd benoemd als lid van de beheerraad van het Koninklijk Museum voor Schone Kunsten, schonk Luyten het doek aan het museum, als blijk van “dankbaarheid en liefde voor de Stad Antwerpen.”
In de na-oorlogse jaren werd het echter steeds minder geëxposeerd en kwam er ook steeds meer kritiek, vooral natuurlijk bij de Franstaligen. Na een laatste grote overzichtstentoonstelling in Antwerpen (1924) werd het drieluik neergesabeld door een verslaggever van Le journal d’Anvers: “De sociale schilderkunst -overigens een compleet verouderd en ook nog eens onverdraaglijk genre- heeft nooit een deerniswekkender en braakverwekkender werk voortgebracht…”

Woedende brief

Luyten zag die ontwikkeling en besloot in 1930 tot een dramatische actie. Hij schreef een woedende brief aan de stad Antwerpen, waarin hij opmerkte dat het doek al twee jaar niet meer te zien was geweest. “Ik heb tot mijn droefheid moeten vaststellen dat de heren van de beheerraad en de conservator de kunstwaarde van mijn werk in twijfel trekken.” Daarom eiste hij het nu terug.
Korte tijd later bood hij zijn geboortestad Roermond 25 belangrijke schilderijen aan, op voorwaarde dat ze zouden worden geëxposeerd in een zaal die naar zijn wensen zou worden vormgegeven en waar uitsluitend werk van zijn hand te zien zou zijn.
De gemeente Roermond ging daarmee akkoord: de schenking van Luyten werd de basis van het latere gemeentelijke museum, al werd de aan hem gewijde zaal een stuk kleiner dan oorspronkelijk bedoeld. Tevens werd door de bemiddeling van de Roermondse burgemeester Waszink een oplossing gevonden voor het conflict over De Werkstaking: het doek werd door de stad Antwerpen in bruikleen gegeven aan Roermond. Jarenlang vormde het een van de ijkpunten in de vaste collectie van het museum. De Luyten-collectie van het stedelijk museum werd later nog aanzienlijk uitgebreid door schenkingen van zijn weduwe Hedwig Behnisch.

Zo enorm is De Werkstaking. De foto is genomen toen het werk voor een tentoonstelling in Duitsland tijdelijk werd uitgeleend.

Sinds het stedelijk museum werd omgevormd tot Cuypershuis, wordt Luyten niet meer permanent geëxposeerd in Roermond. De schilder die ooit in heel Europa werd gevierd lijkt zelfs in zijn geboortestad niet meer echt te worden gewaardeerd. Jeannine Hövelings van het Cuypershuis: “Er waren natuurlijk veel schilders die in dezelfde stijl werkten, denk aan Mesdag. Luyten was goed, maar ik denk niet dat hij er echt bovenuit sprong.”
Voor De werkstaking, het doek dat ooit voor zo veel ophef zorgde en dat in verschillende grote steden werd geëxposeerd en zelfs tijdelijk in Amerika was te zien, was in Roermond geen plaats meer. Zelfs de kosten voor een extern depot wilde de stad niet meer voor zijn rekening nemen, dus werd het teruggegeven aan Antwerpen. Daar weet men er ook niets anders mee te doen dan het in depot te bewaren.
Doodzonde, zegt De Beenhouwer: “Luyten is een kunstenaar waar Roermond heel fier op kan zijn, maar die nog steeds wordt onderschat. Maar dit komt natuurlijk ook voor een stuk door onwetendheid, en omdat zijn werk helaas niet geëxposeerd wordt.”


Verder lezen:

De Beenhouwer, J. Henry Luyten (1859-1945), Antwerpen z.j. (1995)
De Beenhouwer, J., ‘Institut des Beaux-Arts’ Henry Luyten in Brasschaat. Een terugblik na honderd jaar, z.p., z.j.
Hoekstra, R., en R. Knoops, Een ongemakkelijk geschenk. De stichting van het Gemeentemuseum Roermond in 1932 en de eerste dertig jaar, in Spiegel van Roermond 21 (2013) 14-33.