Auteur: Rondom Roermond

Het Christoffelhuis in Roermond

Foto Rijksdienst voor Cultureeel Erfgoed RCE

Iedereen kent wel de zogenoemde Vitruviaanse man van Leonardo da Vinci, een binnen een cirkel en een vierkant getekende man die in twee poses is afgebeeld: met schuin uitgestoken benen en armen en rechtop staand met recht uitgestoken armen. Leonardo wilde met zijn tekening aantonen dat er een directe relatie bestaat tussen het menselijke lichaan en de twee als volmaakt beschouwde vormen: cirkel en vierkant.

Als echte renaissancekunstenaar greep hij daarbij terug op klassieke auteurs, meer in het bijzonder de Romeinse architect Vitruvius. Deze had betoogd dat maatverhoudingen de basis vormen voor een geslaagde bouwkundige compositie en dat de ideale maatverhoudingen bovendien zijn afgeleid van het menselijke lichaam.
Leonardo was bepaald niet de enige die zich baseerde op Vitruvius. Vele generaties bouwkundigen volgden hem en altijd ging het daarbij om de toepassing van ideale verhoudingen en ideale grondvormen in een bouwwerk. We zien dat met name terug in grote bouwprojecten als stadhuizen en kerken maar ook wel in woonhuizen.
Volgens deze ‘klassieke’ principes werd kort na de tweede stadsbrand van 1665 het Christoffelhuis gebouwd in wat toen nog de Hegstraat heette en nu de Lindanusstraat is. In het cultuurhistorisch onderzoek dat het Monumentenhuis in 1999 uitvoerde, wordt gesteld dat het huis bij uitstek getuigt van de zeventiende-eeuwse architectuurdoctrine met betrekking tot de proportieleer: “Door de toepassing van modules en geometrische patronen als cirkel en driehoek, zouden zich als vanzelf de ‘volmaakte’ verhoudingen in een bouwwerk manifesteren, waardoor de hoogste graad van schoonheid bereikt kon worden.

Zonder meer was de bouw van het later Christoffelhuis een prestigieus object, waarvoor een architect werd ingehuurd met verstand van zaken, en voor mensen die ontwikkeld genoeg waren om in de keuzes van die architect mee te gaan. Wie dan wel die opdrachtgevers en de architect waren, is helaas onbekend.
Vanuit Roermonds perspectief is het een uniek huis. “Het enig bekende voorbeeld van deze ontwerppraktijk in Roermond, waardoor van een bijzondere meerwaarde gesproken kan worden,” aldus het Monumentenhuis.

Stadsbrand en slappe was

Waarschijnlijk heeft Herman Janssen het Christoffelhuis al ingetekend op zijn bekende stadskaart uit 1671. Hij tekende het pand daarop met een rood dak, wat betekent dat het bij de stadsbrand van 16655 afbrandde en op het moment dat de kaart werd getekend weer was opgebouwd.

De Hegstraat behoorde tot de zwaar getroffen stadsdelen van deze brand, die een enorme ravage veroorzaakte. Het verklaart mogelijk de opmerkelijke ligging van de kelder. Deze kelder met tongewelf loop wel in de lengterichting onder het huis, parallel aan de straat, maar ligt vreemd genoeg niet direct aan de straat maar aan de achterzijde van het pand. Mogelijk was de bodem aan de straatzijde zodanig verstoord door overblijfselen van eerdere (stenen) gebouwen, dat de kelder na 1665 verder naar achteren, van de straat áf, gerealiseerd moest worden.
De ‘nieuwbouwbuurt’ die na 1665 in deze hoek van de stad verrees, mocht er zijn. Het was een chique wijk, met het nieuwe bisschoppelijke paleis, het stadhouderlijke paleis en het jezuïtenklooster. De woonhuizen in de omgeving waren eigendom van vermogende Roermondenaren.

Ook de opdrachtgevers voor de bouw van het Christoffelhuis zaten goed in de slappe was. Door onderzoek van Jan Ruiten is bekend dat het Johan Lintgens is geweest, die raadsheer was aan het Hof van Gelder. Hij kreeg het huis in eigendom door zijn huwelijk (ca. 1664) met Anna Christina van Hillen, een telg uit een Roermonds patriciërsgeslacht dat diverse schepenen en burgemeesters leverde. Hun dochter Catharina Theresia Lindtgen (1681-1759) huwde met Hieron Albert de Gilkens (1656-1722) die eveneens advocaat bij het Hof van Gelder was. Zij waren de volgende bewoners van het huis. Ook de volgende bewoners (zie bewonerstabel) behoorden tot de Roermondse upperclass.

Hoogstandje en feest

In 1777 werd het Christoffelhuis eigendom van de toen 45-jarige Amsterdamse handelaar Octave Leon Barbou, die getrouwd was met de Roermondse Alexandrina van der Vrecken. In welke staat het huis toen verkeerde is onbekend, maar het echtpaar Barbou besloot de zaak flink te verbouwen en hoefde daarbij blijkbaar niet op een cent meer of minder te kijken.
Het neoclassicistische interieur dat toen werd gerealiseerd (stucplafonds, haarden, deuren in Louis XVI-stijl) alsmede het inrichten van een ‘heerenkamer’ en een ‘boudoir’ voor de dames wijst op welstand en smaak.”Dit neclassicistische interieur vormt nog altijd een van de esthetische en cultuurhistorische hoogstandjes van het huis”, schreef het Monumentenhuis in 1999. De stucdecoraties in de ruimtes op de begane grond en eerste verdieping zijn voor Roermond zeer bijzonder.
Van het exterieur uit die tijd is iets terug te zien op het schilderij dat ergens tussen 1794 en 1814 werd gemaakt vanaf de inmiddels afgebroken Heilige Geestkerk.

Een aardige bijkomstigheid: in 1787 promoveerde Gijsbert Johannes Alexander van der Vrecken, oud-leerling van het Roermondse keizerlijk College, in Leuven tot doctor in de filosofie. De nieuwbakken doctor woonde weliswaar niet meer in Roermond, maar toch was het ook hier feest: Hij had hier immers een deel van zijn opleiding genoten en in de stad woonden diverse familieleden, waaronder het echtpaar Bardou-Van der Vrecken. Roermond liep dus uit om de primus uit Leuven feestelijk te onthalen. Na zijn aankomst (hij werd opgehaald bij de Rode Brug) was de geleerde held de centrale figuur van een optocht van schutters, muzikanten, praalwagens en diverse koetsen. Het feest, met concerten en dansavonden, duurde maar liefst drie dagen. Het Christoffelhuis was toen enkele dagen hét feestcentrum van de stad.

In 1871 werd het huis eigendom van een andere bekende Roermondenaar: de advocaat en procureur Constant Guillon, de jongere broer van notaris Charles Guillon die enkele jaren daarvoor het bekende monumentale pand aan de Swalmerstraat (links van wijnhandel Berger) bouwde.
De Guillons waren voorlopig de laatsten die het pand gebruikten als gezinswoning. In 1910 kreeg het huis een opmerkelijke bestemming, toen het werd aangekocht door Het Comité voor Katholieke Actie. Het was in de jaren van opkomend socialisme, en blijkbaar werd het in Roermond nodig geacht om daar een ‘katholiek’ antwoord op te geven. De stad kon immers niet zonder slag of stoot worden overgeleverd aan het rode gevaar. De Katholieke Actie richtte zich op het maken van katholieke propaganda, en het Christoffelhuis diende daarbij als een soort uitvalsbasis. Pas na de aankoop door De Katholieke Actie kreeg het huis ook zijn huidige naam, afgeleid van de stadspatroon.

Verbouwingen

Na 1665 werd lange tijd maar weinig verbouwd en bijgebouwd aan het Christoffelhuis. Tussen 1700 en 1750 verrees naast het pand een remise met mansardedak en vervolgens was er de restauratie door het echtpaar Barbou-Van der Vrecken. In het tijdperk Katholieke Actie (1910-1961) werd de zaak echter flink vertimmerd. In 1915 begon een inpandige verbouwing, waarbij onder andere het trappenhuis werd verplaatst en in de loop van de jaren in totaal acht zalen werden gecreëerd. Die zalen deden niet alleen dienst als kantoor- en vergaderruimte van de Katholieke Actie, maar dienden ook als ontspanningsruimte, bibliotheek en leeszaal voor de parochianen van de binnenstad. Het Christoffelhuis had de functie van patronaatsgebouw gekregen. In dezelfde tijd kreeg de remise een nieuwe gevel.

In 1936 vond de volgende ingrijpende verbouwing plaats naar een plan van architect J.J.M. Thurlings, die toevallig ook in het bestuur van De Katholieke Actie zat. Thurlings verbreedde de ingang aan de Lindanusstraat aanzienlijk en bracht de pui met luifel aan die we nu nog steeds zien. Ook de belettering (St. Christoffelhuis) boven de ingang dateert uit deze tijd. Op de eerste en tweede verdieping was een woning.

Het Christoffelhuis nu. Het gebouw rechts is de voormalige remise. Foto Jac Ruyters Groep.

Daarnaast werd het zalencomplex aan de achterzijde verder uitgebouwd. Die zalen hadden voor een gedeelte een recreatie-functie. Er werden danslessen gegeven, verschillende kerkkoren hadden er hun repetitielokaal, evenals harmonie St.-Caecilia. Gymnastiekvereniging Kracht en Vriendschap verzorgde regelmatig uitvoeringen, evenals de Roomse Toneel Werkliedenvereeniging. Maar er waren ook andere instellingen in gevestigd, zoals het ziekenfonds, het arbeidsbureau, het ijkwezen. Daarnaast werd er vergaderd door onder andere de Alliance Française en de Land- en Tuinbouwbond, werden er fancy fairs en industriebeurzen gehouden, was er een militair keuringslokaal enzovoort.

Tijdens de oorlog werd wat wel de grote zaal werd genoemd getroffen door een bombardement. De ruïne die achterbleef, brokstukken van de muren en stalen balken, werd pas jaren nadien opgeruimd maar was tot die tijd een populaire speelplaats voor de kinderen in de buurt. Het zalencomplex werd in 1970 grotendeels gesloopt. Het Christoffelhuis met al zijn bijgebouwen was toen al negen jaar eigendom van de gemeente Roermond. Vanaf 1989 was er het kunstenaarscollectief L5 gevestigd.

Vanaf 2003 werd het door J.Ruyters in Echt, eigenaar van de Ruyters Groep die ook een schildersbedrijf omvat, grondig gerestaureerd. Dat karwei nam drie jaar in beslag en was hard nodig, want het Christoffelhuis was flink aan het aftakelen. Door die opknapbeurt is het sindsdien weer het chique pand dat de opdrachtgevers in de zeventiende eeuw voor ogen stond.

 

Bewoners van het Christoffelhuis

1710 Echtpaar De Gilkens-Lindtgen
na 1722 Catharina Theresia Lindtgen en kinderen
tot 1771 Arnold Emmanuel Ruys
1771-1777 Paulus Departh en Theresia de Muller
1777-1899 Echtpaar Barbou-Van der Vrecken
1800-1817 Weduwe Alexandrina Barbou van der Vrecken
1817-1852 Jean Baptist Barbou en Agnes Sebilla barones de Plevits d’Afens
1852-1871 Gerard Willem Bongaerts
1871-1894 Echtpaar Guillon-Sax
1894-1897 Erven Constant Guillon
1897-1910 Eugène Charles Joseph Guillon
juni-nov, 1910 Notaris Rutten, Heythuysen
1910-1961 Comité voor Katholieke Actie
Vanaf 1961 Gemeente Roermond
Vanaf 1989 Kunstenaarscollectief L5
2004 Arag Rechtsbijstandverzekeringen

Casanova in Roermond

Roermond is in de loop van de geschiedenis bezocht door vele beroemdheden. Sommige lieten een beschrijving achter van de stad. Zoniet Giacomo Casanova, die hier anderhalve dag doodziek doorbracht, maar Roermond toch even vermeldde in zijn memoires.

Afbeelding: Wikipedia

 

In 1764 ratelde een uit Brussel afkomstige koets over de Stenen Brug, door de enorme Brugpoort en vervolgens door de met keitjes beklinkerde Brugstraat van Roermond. In het rijtuig zat een beroemde passagier, niemand anders dan de Venetiaanse avonturier Giacomo Casanova (1725-1798).
Casanova was kort daarvoor na een verblijf in Engeland teruggereisd naar Europa en was nu via Doornik en Brussel op doorreis naar Braunschweig waar hij hoopte een voormalige minnares weer te ontmoeten.

Jaren later schreef hij in zijn omvangrijke memoires heel kort over zijn verblijf in Roermond, dat anderhalve dag duurde. Veel zin om er rond te kijken, heeft Casanova waarschijnlijk niet gehad want hij was doodziek. Hij klaagde in die tijd over ‘opgezwollen klieren’, en had zich in de voorafgaande weken al meerdere keren doen aderlaten. Het verblijf in Roermond was min of meer gedwongen: “In Roermond was ik zo ziek dat ik er 36 uur moest blijven.”

Het dagboek van Casanova is opvallend gedetailleerd, aan allerlei ontmoetingen en kleinere gebeurtenissen wordt aandacht gegeven. Maar over zijn verblijf in Roermond wordt verder niets vermeld. Mogelijk heeft hij de anderhalve dag die hij hier spendeerde alleen maar ziek in zijn bed gelegen. Waar zou dat zijn geweest? In de sjieke Gouden Leeuw wellicht? Volgens zijn dagboek reisde hij anderhalve dag na aankomst in Roermond verder naar Wesel.

Mooi herstelde Middeleeuwse herberg

Marktstraat 8 is het witte huis, met aan de rechterkant de steeg naar de Roerkade.

In september 2017 reikte de Stichting Ruimte zijn ‘Ruimtekeurmerk’ uit aan onder andere Nico Meyer van kledingzaak M-Zone aan Marktstraat 8. Met het keurmerk drukt de stichting zijn waardering uit voor initiatieven die bijdragen tot het stadsschoon. Een terechte onderscheiding want het huis werd 2012 fraai opgeknapt.

Marktstraat 8 is een van die Roermondse huizen waar je zomaar langs zou lopen, maar die bij nadere beschouwing historische pareltjes blijken. Het pand is al tientallen jaren bekend als winkelpand. Vanaf 1936 waren er slagerijen in gevestigd (Helwegen, en de Ceni), daarna zat speelgoedwinkel De Klepper er in.

De Roermondse historicus Jos Linssen, die als geen ander de middeleeuwen van de stad onderzocht, veronderstelde dat het pand in de veertiende eeuw werd bewoond door Jacob Licop, telg van een belangrijke familie en in 1389, 1392 en 1394 genoemd als schepen van Roermond.
Linssen dacht ook dat in dit pand de herberg ‘in de Hertzhorn’ was gevestigd. In 1451 wordt voor het eerst een huis met die naam vermeld. In 1496 werd het pand beschreven als “geheyten int Hertzhoeren (…) in der Nederstraeten by den merckt neest der gatzen.” In de Neerstraat bij de Markt naast de gats. Dat kunnen alleen maar de twee huizen aan de Marktstraat, aan weerszijden van de Gats zijn. Daarbij is te bedenken dat de huidige Marktstraat in die tijd ook tot de Neerstraat werd gerekend. In de jaren daarna duikt het huis met die naam verschillende keren op in aktes, waarbij steeds ter verduidelijking de locatie naast het steegje wordt genoemd.

Voornaam etablissement

In de Hertzhorn was overigens niet zomaar een herberg maar lijkt het voornaamste etablissement in de stad te zijn geweest. Toen tijdens de Nederlandse Opstand om de haverklap soldaten en officieren in Roermond werden ingekwartierd, werden de belangrijkste personen altijd hier ondergebracht.
Tijdens de grote stadsbrand van juli 1554, die aan deze kant van de stad ongekende schade toebracht, werd ongetwijfeld ook dit huis getroffen. Het achterhuis, dat zoals veel panden in de binnenstad mogelijk in vakwerkstijl was opgetrokken, was niet meer te redden. Van het voorhuis bleven alleen delen van de kelder en van de buitenmuren bewaard.

De herstelwerkzaamheden na die grote brand, werden een jaar later afgerond.  Diverse mooie details uit die tijd en ouder zijn nog steeds zichtbaar, zoals de gemetselde kaarsennisjes in de kelder, geprofileerde sleutelstukken onder enkele balken en de kapconstructie van het voorhuis. Dat het huis na de stadsbrand (gedeeltelijk) opnieuw werd opgebouwd, blijkt heel duidelijk uit het jaartal 1555 dat in een zestiende-eeuws lettertype in een van de balken op de zolder is gekerfd. Later werd in dezelfde balk ook nog het jaartal 1745 gebeiteld.
De inscriptie wijst er ook op dat het huis gespaard bleef, toen Roermond 111 jaar later opnieuw werd getroffen door een stadsbrand. Anders had de inkerving uit 1555 het niet overleefd.

Restauratie

Het pand bestaat uit een geheel onderkelderd voorhuis met daarboven drie bouwlagen en een zadeldak met de nok haaks op de straat. Aansluitend aan dit voorhuis bevindt zich een niet onderkelderd achterhuis met daarboven twee bouwlagen en eveneens een zadeldak met nok haaks op de straat.

De kap van Marktstraat 8, tijdens de verbouwingswerkzaamheden in 2012.

Een oud en voornaam pand dus, dat in zijn huidige opzet voor groot gedeelte dateert van na 1554, maar waarvan sommige onderdelen uit de late middeleeuwen stammen. En nu is het fraai gerestaureerd. Opvallend is dat de oude winkelpui is gesloopt, en vervangen door een moderne pui met centrale entree. Die oude pui had echter geen monumentale waarde en werd pas aangebracht toen het huis in 1936 werd omgebouwd tot slagerij. Heel mooi is dat de kelder met zijn tongewelf is ingericht als winkelruimte. Deze kelder was oorspronkelijk alleen via de straat te bereiken. Later is er ook inpandig een keldertrap gemetseld. De oorspronkelijke keldertoegang is jaren verstopt geweest onder een ijzeren dekplaat, zoals we kunnen zien bij meer panden in de Roermondse binnenstad (bijvoorbeeld Brugstraat 7). De oude keldertoegang van Marktstraat 8 is sinds de verbouwing weer zichtbaar onder een glazen afdekking komen te liggen.

Eén punt is nog niet gerealiseerd, en dat is de openstelling van de naastliggende Gats, die naar de Roerkade loopt. De steeg was jarenlang volledig afgesloten en onzichtbaar achter een dichte houten poort. In 2012 is er aan de kant van de Marktstraat een deftige smeedijzeren poort in gemaakt. De doorgang tot aan de Roerkade is nog niet gerealiseerd omdat de verschillende eigenaren van het stukje grond niet met elkaar tot overeenstemming kunnen komen.

 

Literatuur:
• Linssen, J., Roermond rond 1400, in: Publications de la Société Historique et Archéologique dans le Limbourg 101 (1965) aldaar blz. 87.
• Dukers, B., Cultuurhistorische analyse Marktstraat 8 Roermond, januari 2012.

De omstreden verkoop van een beeldengroep in Boukoul

In 1956 werd een middeleeuws houten beeldje uit de Boukoulse St.-Theresiakerk verkocht aan het Rijksmuseum. Van de 25 duizend gulden die het kerkbestuur met de (omstreden) verkoop opstreek, liet men ramen maken door de Roermondse glazenier Max Weiss. Niet iedereen was in zijn sas met de move van het kerkbestuur.

Wat voorafging. In 1933 liep burgemeester Charles Strens van Swalmen, een kruiwagen voor zich uit duwend, over de bochtige weg tussen het wegkapelletje in de dorpskern en zijn woning Graeterhof. In de kruiwagen vervoerde de burgervader een niet alledaags voorwerp: een middeleeuws beeld, daterend uit omstreeks 1480 en van de hand van de bekende beeldsnijder Arnt van Kalkar.

Strens, die het kostbare kleinood de volgende drie jaar bij zich op Graeterhof zou houden, had het beeld niet zomaar meegenomen. In de kapel waar het houtsnijwerk zich al sinds halverwege de negentiende eeuw bevond, was eenvoudig geen plaats meer. Besloten was namelijk dat Boukoul verrijkt zou worden met een kerk, en in het kapelletje zou een offerblok worden geplaatst om geld bijeen te brengen voor de bouw daarvan. Tevens werd er een beeld geplaatst van de heilige Theresia, de naamgeefster van het nieuwe godshuis.

De kapel in Boukoul, waar de Bewening lange tijd stond

Hoe het houtsnijwerk dat Strens die dag in 1933 in een kruiwagen vervoerde, überhaupt in Boukoul belandde, is nog onopgehelderd. Omdat op het beeld, dat de bewening van Christus voorstelt, een kartuizer monnik is afgebeeld, wordt verondersteld dat het ooit zijn plaats had in de nabijgelegen Roermondse kartuis, die aan het eind van de achttiende eeuw werd opgeheven. Misschien is het daarna meegenomen door een monnik die in de buurt pastoor werd. Maar het is ook mogelijk dat het tijdens een fancy fair begin negentiende eeuw in Roermond is gekocht door de familie Obers, de stichters van de Boukoulse kapel.

Drie jaar stond de ‘bewening’ in de Graeterhof, tot de Theresiakerk in 1936 gereed kwam en het weer in het kapelletje teruggezet kon worden. De nieuwe kerk was ontworpen door de Roermondse architect Jos Franssen, met in het priesterkoor prachtige glas-in-loodramen van Joep Nicolas.

De kerk was echter geen lang leven beschoren. Op 28 februari 1945, één dag voor de bevrijding van Roermond, Swalmen en Maasniel, werd de toren opgeblazen door een Duits ‘Sprengkommando’. Die groep van (zo wordt gezegd) stomdronken Duitse soldaten blies diezelfde dag ook de toren van de kathedraal en de kerk in Maasniel op.

Verkoop van de bewening

 De St.-Theresiakerk werd al in 1946-47 hersteld, maar het ligt voor de hand dat de restauratiekosten een enorme last zijn geweest voor de kerkgemeenschap, die het in de na-oorlogse jaren tóch al niet breed had. Waarschijnlijk heeft geldnood uiteindelijk, in 1956, geleid tot verkoop van de “bewening” door het kerkbestuur aan het Rijksmuseum in Amsterdam.

Dat vormde het begin van een kleine affaire. Want had het kerkbestuur wel het recht om het beeldje te verkopen? Moest de bisschop daar niet in worden gekend? Hoe verhield zich de verkoop door het kerkbestuur met het kerkelijk recht? Trouwens, was de kerk überhaupt wel de rechtmatige eigenaar van het beeld? Of was het misschien eerder het collectieve eigendom van de Boukoulse parochianen?

Landelijke katholieke dagbladen als de Volkskrant en De Tijd berichtten over de verkoop van het beeldje, deskundigen als de Sittardse kunsthistoricus Zef Timmers bemoeiden zich ermee, en burgemeester Strens (een liberaal) probeerde de verkoop te verhinderen door een handtekeningenactie op poten te zetten.

Uiteindelijk gebeurde er echter helemaal niets, waarschijnlijk omdat een Midden-Limburgse poldervariant zijn werk deed én omdat iedereen zich pas druk begon te maken toen de feitelijke deal al rond was. Timmers besloot bij nader inzien er niet te veel energie in te steken. Het bisdom maakte zich er ook niet overdreven druk over, al vond de secretaris van de bisschop wel dat het kerkbestuur de parochianen eigenlijk zelf had moeten vragen wat ze van de verkoop vonden. Het Boukoulse kerkbestuur was voor geen gat te vangen, en meldde bij monde van rector Eugène Debie monter dat dit nog altijd wel kon gebeuren. “Dit (…) zal wel geen moeilijkheden opleveren,” vermoedde Debie.

Tenslotte liep de handtekeningenactie van de burgemeester uit op een fiasco. Meer dan vijftien handtekeningen zou hij (volgens Debie in een brief aan het bisdom) niet hebben opgehaald. Debie: “En dan moet u weten van wie en waarom.”

En zo wisselde het beeldje voor 25.000 gulden van eigenaar. Een groot deel van het geld werd ­gebruikt om het noodglas in de kerk te vervangen door nieuwe glazen. De man die de nieuwe ramen zou maken was een in 1910 geboren Duitser die in 1939 het atelier Nicolas in Roermond kocht: Max Weiss.

Raam van Max Weiss in de Theresiakerk van Boukoul.

Ramen

De ramen van de Theresiakerk zijn van de hand van twee kunstenaars. Joep Nicolas maakte de ramen in het priesterkoor, dat nog behoort tot het originele deel van de kerk: het gedeelte dat het opblazen van de kerktoren in februari 1945 overleefde.

Nicolas vertrok in 1939 uit Roermond en vestigde zich in Amerika. Het atelier verkocht hij aan zijn voormalige chef d’atelier Max Weiss. De ramen die Weiss voor de Boukoulse kerk maakte, zouden zijn gemaakt naar een ontwerp van Nicolas. Hoe dat te rijmen is met de slechte relatie die Nicolas en Weiss na de oorlog hadden, is niet direct duidelijk. Misschien was het oorspronkelijk de bedoeling dat Nicolas de gehele kerk zou beglazen, maakte hij er ook de ontwerpen voor, maar gooide de oorlog en Nicolas’ vertrek naar Amerika roet in het eten. Weiss zou dan bij de koop van het atelier in 1939 ook deze lopende (?) opdracht en de daarvoor reeds gemaakte ontwerpen hebben overgenomen.

 

Dit is de bewerkte versie van een artikel dat eerder werd gepubliceerd in Ruimtelijk, het kwartaalblad van de Stichting Ruimte in Roermond. Het verhaal van de beeldjesaffaire is gebaseerd op Frits Scholten, ‘Daar krijgen we ’n hoop gedonder mee, de affaire van de beeldengroep uit Boekoel,’ in: Bulletin van het rijksmuseum 4 (2006) 461-467.

 

De Noormannen in Asselt

In september 2017 verscheen een lijvig rapport van archeoloog dr. Leo Verhart, waarin deze het onderzoek dat dr. J.H. Holwerda in 1928 en 1929 uitvoerde naar een vermeend Noormannenkamp en Karolingische curtis in Asselt, tegen het licht hield. Verhart concludeerde dat de methodes die Holwerda hanteerde niet van deze tijd zijn en dat diens conclusies (namelijk dat in Asselt een Noormannenkamp was gevestigd) in het geheel niet kloppen. Verhart vond helemaal niets dat het bestaan van een Noormannenkamp of een Karolingische curtis (het centrum van een agrarisch domein) in Asselt aantoonde. Hoe zit het nu met die Noormannen daar?

Uit de kroniek die Regino, de zevende abt van Prüm in het jaar 907 schreef:
Eveneens vestigden zich in hetzelfde jaar in de maand november twee koningen van de Noormannen, Godfried en Siegdried, met een niet te schatten menigte voetvolk en ruiters op een plaats die wordt genoemd Haslon aan de Maas.

Uit de Annalen van Fulda, in de versie van Meginhard:
… en met dezelfde instelling trokken ze [een groot leger van Franken, Alamannen, Norikers, Thüringers en Saksen, onder aanvoering van keizer Karel de Dikke] op vol verlangen om te vechten tegen de Noormannen. Toen ze daar waren aangekomen, belegerden ze hun versterking, welke Ascloha wordt genoemd.

Wat we in de kronieken kunnen lezen, is dat een grote Noormannenmacht in 881 neerstreek in een Frankische curtis, Ascloha genaamd  (ook: Ascloa, Haslon of Ahslon) en vanuit dat kamp kloosters en steden langs de Maas en Rijn plunderden en vernielden: Maastricht, Cornelimünster, Prüm, Aken, Trier, Keulen en Bonn waren onder de plaatsen die worden genoemd. Keizer Karel III de Dikke trok vervolgens met een legermacht die was samengesteld uit krijgers van diverse nationaliteiten op naar die plaats om de Noormannen daar te bestrijden. In plaats van het op een beslissende veldslag te laten aankomen (en de zege was volgens de kroniekschrijvers onvermijdelijk), knoopte de keizer echter onderhandelingen aan met de koningen Siegfried en Godfried, kocht hij de ene om met een zilverschat en beleende hij de andere met een paar graafschappen.

Dat Ascloha een Frankische curtis was staat vast want twee decennia eerder, in 860, vaardigde Lotharius vanuit die plaats een oorkonde uit. De vraag wáár Ascloha lag, is echter al decennia een onderwerp van debat.

In 1924 publiceerde de Roermondse landmeter A.F. van Beurden een artikel over ‘Hillenrade, Swalmen en Asselt’ in het jaarboek van het Provinciaal Genootschap Limburg, destijds zo’n beetje de Roermondse tegenhanger van het Maastrichtse Limburgs Geschied- en Oudheidkundig Genootschap. Het stuk was typisch voor de journalistieke stijl van Van Beurden, die zijn verhalen graag goot in de vorm van een wandeling waarbij hij zijn lezers als het ware bij de hand nam en vervolgens niet alleen strooide met historische gegevens, maar ook vertelde over het landschap, over opvliegende vogels, en het werk dat de boeren op het land verrichtten.

Bij Asselt aangekomen maakte hij melding van het “door een muur omgord plateform” waarop de kerk is gebouwd, maar schreef hij ook dat  onder het oppervlak verborgen de fundamenten zaten van “een bemuurd vierkant, overeenkomende met de huidige bemuring, maar met vier torens van vier meter middellijn op de hoeken.”
Van Beurden had deze funderingen waargenomen toen in 1916 de ringmuur waar hij over schrijft, en die de kerkberg  beschermde tegen de “woelende wateren der Maas” moest worden hersteld. De landmeter liet uiteraard niet na om van de situatie ook een tekening te maken, waarop hij de hoektorens intekende.

Een dergelijke vondst bij het duizend jaar oude kerkje, dat is opgebouwd uit veldstenen waartussen ook Romeinse dakpannen en restanten van een Romeins hypocaustum (verwarmingssysteem) zijn aangebracht, zou normaal tot enige historische beroering hebben geleid. Maar nu niet. Volgens Van Beurden was de gebrekkige belangstelling te wijten aan de rector van de Asseltse kerk, J.H. Pinckers (1876-1945), die bang zou zijn geweest dat verder onderzoek zou leiden tot uitstel van de renovatiewerken die toen aan de gang waren, en daarom de uitgegraven fundamenten weer snel liet toedekken.

De veronderstelling van Van Beurden, dat Pinckers voorrang gaf aan het restauratieproject en daarom de hele zaak snel dichtgooide, lijkt onwaarschijnlijk. De rector en latere pastoor was juist een enorme promotor van de geschiedenis van Asselt die destijds al was begonnen met het aanleggen van een verzameling historische objecten, maar die zich ook interesseerde voor volksgebruiken. Zijn verzamelwoede culmineerde in 1927 in de opening van het Folkloristisch en Oudheidkundig Museum, waar Pinckers zijn steeds verder uitdijende collectie tentoon kon stellen en dat werd gevestigd in het voormalige bakhuis van de naastgelegen boerderij Asselterhof.


De vraag is eerder of de fantasie niet een beetje aan de haal is gegaan met Van Beurden. Een ander die de herstelwerkzaamheden in 1916 met bijzondere interesse volgde, was de latere Rijksarchivaris  J. Goossens, overigens een neef van Pinckers. In 1918 schreef Goossens in de Maasgouw, het contactblad van de LGOG, over Asselt “dat men bij het graafwerk voor de fundeeringen van het nieuwe koor, links en rechts daarvan, oud metselwerk gevonden heeft, dat diep in den bodem zat en door zijn ronden vorm aan de grondslagen van hoektorens deed denken. Het Romeinsch karakter er van kon evenwel niet met zekerheid vastgesteld worden.” (J. Goossens, Romeinsche vondsten in Limburg in 1917, in: De Maasgouw febr. 1918, no. 2, blz. 11) De rondelen die Van Beurden aan de westkant van de muur tekende, werden door Goossens niet vermeld.

Holwerda

Meer dan tien jaar later verscheen een nieuwe figuur op het toneel in de persoon van dr. J.H. Holwerda, directeur van het Rijksmuseum van Oudheden in Leiden en in die tijd absoluut de grootste autoriteit op archeologisch gebied. Holwerda stond al enige tijd in contact met Van Beurden maar ook met Pinckers, die ervan overtuigd was dat er in de omgeving van het eeuwenoude kerkje veel meer kon worden gevonden, als er maar deugdelijk archeologisch onderzoek zou plaatsvinden. En wie anders dan Holwerda zou dit onderzoek moeten verrichten? Holwerda hield de boot lange tijd af maar toen Pinckers in het voorjaar van 1928 bij graafwerk achter het museum stootte op onder andere graven en funderingen, hapte hij toe. Nog in de zomer van 1928 en in 1929 voerde hij opgravingen uit rond het kerkje en achter het museum.

Holwerda hapte niet zomaar. Hij was al langer op zoek naar het Noormannenkamp Ascloa, dat hij in eerste instantie zocht in Elsloo. De opgravingen die hij daar verrichtte, bleven echter zonder succes. Daarnaast deed hij ook onderzoek in Dorestad (Wijk bij Duurstede) waar hij eveneens een Karolingische koningshof vermoedde en die hij later ook meende te hebben ontdekt.

Gravure van de Brittenburg

Hoe zo’n Karolingische curtis er precies uitzag en waar hij dus naar moest zoeken was niet helemaal duidelijk, maar in 1923 werd hij geattendeerd op een schilderij van de zogenaamde Brittenburg, een tegenwoordig verdwenen Romeinse ruïne bij Katwijk aan Zee. Op dat schilderij, dat Holwerda in 1926 verwierf voor zijn museum, is de Brittenburg afgebeeld als een plattegrond met halfronde torens. Voor Holwerda was het aanleiding om zich verder te oriënteren op vroeg-middeleeuwse vestingen, waarna hij uiteindelijk concludeerde dat de Brittenburg geen Romeins bouwwerk was, maar een Karolingische curtis die was opgebouwd met ouder Romeins materiaal. Voor Holwerda was het duidelijk: zó zag een Karolingische curtis er dus uit.

Ongetwijfeld kreeg voor Holwerda ook de tekening die Van Beurden in 1924 publiceerde daarmee een grotere betekenis en toen Pinckers hem in 1928 schreef dat hij bij de verbouwing van zijn museum op funderingen en graven was gestoten, trok hij snel daarna naar Asselt om er te graven. Dat wil zeggen: om de boeren uit de omgeving te laten graven, want daar begon Holwerda niet zelf aan. Verhart: “Er is niet een foto bekend van Holwerda met een schep in zijn hand.”

Niet open minded

Voor Holwerda moet het zijn geweest alsof een aantal puzzelstukjes plotseling op hun plaats vielen: de tekening van Van Beurden, het schilderij van de Brittenburg, de naamkundige verwantschap tussen Ascloha en Asselt. Juist dat lijkt zijn valkuil te zijn geweest: Holwerda begon niet onbevangen en ‘open minded’ aan de opgravingen. Hij wist bij wijze van spreke al wat hij in Asselt zou aantreffen, namelijk een Karolingische curtis die in verband gebracht kon worden met het Noormannenkamp Ascloha. Verhart toont in zijn rapport aan waar Holwerda in de fout ging. Dat begon al bij het sleuvenonderzoek, waarbij lange greppels en putten werden gegraven en waarbij verkleuring van de aarde vervolgens aanwijzingen konden geven, en er zo nu en dan natuurlijk ook tastbare zaken als scherven naar boven kwamen. Het is een methode die zeker zijn verdiensten had maar die niet veel zekerheden oplevert omdat de putten en sleuven vaak te ver uiteen liggen om er goede conclusies uit te kunnen trekken.

In Dorestad had Holwerda op de locatie De Heul dezelfde methode toegepast en ook daar meende hij een Karolingische curtis gevonden te hebben. Maar net als in Asselt verbond hij in Dorestad té gemakkelijk een grondspoor uit de ene sleuf met een spoor uit een andere sleuf. Toen later nieuw onderzoek plaatsvond op de plaats waar Holwerda meende de curtis van Dorestad te hebben gevonden, werd aangetoond dat hij waarschijnlijk was gestoten op de overblijfselen van een houten kerkje, met wat begravingen eromheen, maar zeker niet op een curtis.

Holwerda en zijn vrouw poseren voor een auto.

Net als in Dorestad leidden de opgravingen in Asselt tot vondsten van funderingen, keienbedden, scherven en bouwfragmenten, en kon Holwerda de verleiding niet weerstaan om ze allemaal in verband te brengen met een Karolingische curtis, waarvan hij vóór de opgravingen al had laten weten dat hij hoopte dat hij hem zou vinden. Een aantal merkwaardige en onverklaarbare zaken, die eigenlijk niet zo goed in het verhaal pasten, nam hij daarbij voor lief. Bijvoorbeeld dat de keienbedden die hij aantrof in het oosten van het opgravingsgebied aanmerkelijk hoger lagen dan die in het westen, wat zou hebben betekend dat de curtis op een hellend vlak zou hebben gelegen. Zeer onwaarschijnlijk voor een verdedigingswerk.

Nog zo’n onwaarschijnlijkheid: Holwerda trof een gracht aan die rondom de curtis zou zijn aangelegd, evenals sporen van een omwalling. Dat zou mooi passen in het beeld van een curtis, alleen zou de gracht die Holwerda vond dan aan de binnenzijde van het curtisterrein gelegen moeten hebben, en de omwalling daarbuiten. Dat is bijzonder merkwaardig: bij alle verdedigingswerken ligt die gracht juist aan de buitenzijde met daarachter een omwalling.

Leo Verhart besluit zijn rapport met de conclusie dat bij het Rozenkerkje, de locatie waar Holwerda zocht, “geen Karolingische curtis met voorhof, noch een Noormannenkamp heeft gelegen.” Holwerda legde veel te gemakkelijk verbindingen zonder deze goed te onderbouwen.

Overigens is Verhart niet de eerste die ernstig twijfelde aan Holwerda’s onderzoeksresultaten. In 1973 schreef oud-pastoor dr. A. van Rijswijck van Asselt over Holwerda: “Helaas: deze verdienstelijke man bezat de eigenaardigheid om altijd in de grond aan te treffen, wat hij er tevoren al in aanwezig had vermoed (…) Hij neemt de mening van Van Beurden omtrent de bastions over en fantaseert er een gracht, een wal, een muur van palissaden bij.”
In 1996 kwamen J. Venner en J. Verlinden tot eenzelfde conclusie, toen kort daarvoor duidelijk was geworden dat Holwerda in Dorestad in de fout was gegaan. “Nu aangetoond is dat in De Heul geen curtis gelegen was, is elke gedachte over het uiterlijk van de curtis daar zonder waarde. Daarmee is ook het fundament weggeslagen onder de gedachten van Holwerda met betrekking tot de curtis in Asselt en de vorm daarvan. Holwerda trok namelijk zeer nadrukkelijk parallellen tussen de vindplaatsen in Dorestad en Asselt.”

 

Asselt heeft de beste papieren

Leo Verhart toonde aan dat het onderzoek van Holwerda zo lek als een mandje was. De curtis Ascloha lag niet op de plaats waar Holwerda hem vermoedde, namelijk in de directe omgeving van de kerk. Maar dat sluit andere locaties in de buurt niet uit, want Asselt blijft ondanks deze bevindingen toch de meest waarschijnlijke kandidaat voor de curtis Ascloha.

Lang is Ascloha geïdentificeerd met Elsloo, maar dat is eigenlijk alleen gebeurd omdat Bollandus de naam Ascloha in de zeventiende eeuw abusievelijk vertaalde als Elsloo, een fout die vervolgens eeuwenlang kritiekloos is overgenomen. Tegen Elsloo en voor Asselt pleiten nog andere zaken. Allereerst wordt Ascloha in de oude bronnen uit de negende en tiende eeuw steeds genoemd in samenhang met plaatsnamen rond Roermond, het is dus waarschijnlijk dat het dichtbij Roermond lag.

Ook naamkundige gegevens pleiten voor Asselt. Het eerste deel van de naam Ascloha is een verwijzing naar essen (de bomen), het tweede (loa) naar bos (vergelijk het woord: loo). Bij Elsloo wordt verwezen naar een elzenbos. De letter ‘h’ die soms wordt toegevoegd (Ahslon, Haslon, Ascloha) heeft volgens de naamkundigen geen betekenis, zodat het eerste deel van de naam altijd ‘es’ en het tweede deel altijd ‘loo’ is. Elsloo kan echter nooit ‘Esloo’ worden, volgens de naamkundigen omdat de L in Elsloo onverbrekelijk verbonden is met het eerste deel van de naam.

Grafmonumenten: het leeft niet

In het Noord-Franse Marville (Meuse) zijn tientallen grafstenen uit de zestiende en zeventiende eeuw gered voor invloeden van het weer en opgeslagen in de oude kerk op het Cimétière St. Hillaire.

Over grafplaten met hun uitgehouwen teksten, symbolen en versierselen mocht je in de Middeleeuwen gerust lopen. Vaak was het ook onvermijdelijk, zo veel zerken lagen er in de kerkvloeren. De teksten werden daardoor weliswaar langzaam steeds vager en op den duur vaak onleesbaar, van de andere kant symboliseerde dit de vergankelijkheid van alles: zelfs harde steen valt op den duur weer uiteen tot stof.

Vanuit het standpunt dat erfgoed beschermd moet worden, wordt daar tegenwoordig iets anders over gedacht. Ook al zijn de grafplaten gemaakt van hardsteen, als we er met zijn allen maar overheen blijven lopen, is er straks niets meer van over. En toch gebeurt dat, terwijl er daarnaast ook nog altijd stokoude grafzerken verdwijnen van de kerkhoven.
Het is een zorg die niet nieuw is. Al in 1907 werd er door het Limburgs Geschied- en Oudheidkundig Genootschap (LGOG) gewezen op het belang van de grafstenen en aangedrongen op een inventarisatie. Het genootschap wees er op dat grafstenen niet alleen cultuurhistorische waarde hadden, maar ook behoudenswaardig waren vanwege de genealogische of heraldische informatie die de inscripties soms boden.
De oproep kwam op een moment dat het aantal grafmonumenten in sneltreinvaart afnam. Onachtzaamheid, ondeskundigheid en vooral desinteresse waren er de oorzaak van. Soms werden oude kerkvloeren overtegeld, in andere gevallen werden grafstenen uitgebroken en door kerkmeesters voor een habbekrats verkocht aan aannemers die ze vervolgens voor de meest uiteenlopende doeleinden gebruikten.
Ook Roermond blies in dat opzicht een aardig deuntje mee. Toen de amateurhistoricus Van Beurden in 1915 een artikel schreef over families die het hier in de 18de en 19de eeuw voor het zeggen hadden, wees hij zijn lezers erop dat ze eigenlijk eens langs de oevers van de Maas moesten wandelen, want daar lagen de grafstenen van de mensen waarover hij schreef. Ze waren er neergelegd om de oevers te verstevigen. Daarnaast was er ook nog een onbekend aantal zerken in het Groot Hellegat gedumpt.
Ook in de dorpen in de streek kwamen zulke praktijken voor. In Thorn en in Ittervoort verdwenen oude grafstenen in de beek. In Grathem en ook in Thorn werden zerken uit de zestiende eeuw nieuw bestemd als onderdeel van het trottoir. In Grathem werd een oude altaarsteen herbestemd als drempel naar het kerkhof. In Heel kreeg het recyclen een creatievere invulling: daar werd een zware zerk van Naamse steen waarop het wapen van Ghoor prijkte, kapot gehakt en nieuw vormgegeven tot grafkruis.

 

Grafsteen van ridder Conraed van Gaure in Elsloo. Op de achtergrond het in Maaslandse stijl opgetrokken ‘Schippershuis’

Achteruitgang

Het algemene beeld is dat het aantal oude grafmonumenten fors achteruit is gegaan. De aandacht die erfgoedorganisaties als het LGOG hier sinds 1907 aan besteedden, had misschien wel een beetje effect, maar niet heel veel. Heel duidelijk bleek dat toen in 1961 eindelijk een inventarisatie van Limburgse grafzerken werd gepubliceerd door Jan Belonje: tal van grafstenen die nog waren beschreven in oudere publicaties waren toen al niet meer terug te vinden.
Ongetwijfeld was dat voor een gedeelte toe te schrijven aan de oorlog en aan de opruimwoede in de wederopbouwperiode, toen tal van oude zerken bij het grof vuil werden gezet. Maar de oorlog is niet de enige verklaring. Zo werden in Belonjes inventarisatie van 1961 bijvoorbeeld nog 36 monumenten genoemd in de dorpen van de Roerstreek. Maar toen de Heemkundevereniging Roerstreek (HVR) twintig jaar later de stand van zaken opnieuw onder de loep nam, bleken er van die 36 alweer acht verdwenen.
Het onderzoekje in de Roerstreek werd destijds verricht door Ton Wolswijk uit Vlodrop. Hij heeft het grafstenenbestand in de Roerstreek daarna niet meer geïnventariseerd, maar is nog steeds zeer betrokken, onder andere bij het opknappen van het oude kerkhof in zijn woonplaats. Wolswijk weet wel zeker dat de achteruitgang niet te stuiten is.
“Ik zie het gewoon gebeuren. Laatst zag ik weer zo’n oude zerk liggen tegen een kerkhofmuurtje. Het wordt beschouwd als vuilnis. De gedachte er achter is natuurlijk dat oude graven niets meer opleveren, er worden geen grafrechten meer voor betaald. Maar het is ook een gebrek aan belangstelling en historische kennis, bij zowel gemeente Roerdalen als de kerkbesturen. Het interesseert ze allemaal geen moer. Grafmonumentjes zijn gewoon niet sexy genoeg.”
Het verhaal van Wolswijk wordt onderschreven door Peter Nouwen van de Monumentenwacht in Thorn. “Als er nieuwe graven kunnen worden verkocht, dan kiezen sommige kerkbesturen voor het geld. En ja, soms ook als daarvoor een zerk uit de zeventiende eeuw moet wijken.”
Jammer en onnodig, zegt Nouwen. Hij wijst op de mogelijkheid om een oude zerk te adopteren. Als er een nieuw graf moet worden gedolven, dan zou dat ook onder een oude monumentale steen kunnen. Daar zou dan een kleiner steentje bij geplaatst kunnen worden met de naam van degene die er recenter is begraven.
Nouwen: “Sommige mensen stellen het op prijs in zo’n monumentale omgeving begraven te worden, maar dan moet je die monumentale omgeving wel in stand houden.”

Pilotproject

De situatie waar Nouwen en Wolswijk op wijzen, heeft niet zozeer betrekking op de oude zerken die nu nog in de vloer van de kerkgebouwen liggen, maar vooral op de oude kerkhoven. En dan niet de Aaje Kirkhaof van Roermond, waar juist grote zorg aan wordt besteed, waar de grafmonumenten worden hersteld en die voor heel Limburg een voorbeeldfunctie heeft. Nouwen: “De Aaje Kirkhaof was een soort pilotproject dat liet zien hoe het óók kan. Maar in Limburg is dat maar door zes of zeven andere begraafplaatsen opgepakt. En we hebben ongeveer 350.”
De praktijk om oude zerken uit de kerkvloer te breken en vervolgens te dumpen of op een onorthodoxe manier te hergebruiken, komt nauwelijks meer voor. Dat is in elk geval één pluspuntje.
Toch is ook in de oude Roermondse kerken het aantal zerken achteruit gegaan. Jac Wijnands schreef in zijn jubileumboek over de kathedraal dat er vroeger “ruim 80 grafstenen” lagen. Tegenwoordig stopt de teller al bij even over de 40.
Van de 22 gedocumenteerde graven in de Munsterkerk, trof Belonje er in 1961 nog 17 aan (inclusief het praalgraf), al gaan er mogelijk nog grafstenen schuil onder de op plankieren geplaatste banken. Het oude kerkhof aan de noordzijde van de kerk is natuurlijk allang verdwenen, evenals de graven in de voormalige kloostergebouwen.
In de Minderbroederskerk zijn 26 grafstenen gedocumenteerd, van Roermondse burgers maar ook de grafkelder van (waarschijnlijk) Margareta van Wittem (+1626), de eerste echtgenote van graaf Hendrik van den Bergh, de roemruchte stadhouder van Spaans Gelre.
Nog steeds duiken er soms fragmenten op van grafmonumenten die zich ooit bevonden in afgebroken kerken of op de kerkhoven. In een tuin aan de H.Geeststraat werd een aantal jaren geleden een steen aangetroffen met gotische letters, waarschijnlijk een deel van een grafzerk die later werd hergebruikt als dorpel of deur- of raamomlijsting. Bij de sloop van een pand in dezelfde straat, werd in 1957 een tegel aangetroffen die waarschijnlijk afkomstig was uit de voormalige H.Geestkerk.

Grafkunst

Grafsteen in Geijsteren

Doorgaans worden grafmonumenten pas echt interessant gevonden, als er niet alleen een tekst en familiewapens op zijn aangebracht, maar ook een afbeelding van de overledene, of een Bijbels tafereel.
Helaas is daar in de streek rond Roermond niet veel van overgebleven. De stad zelf mag zich gelukkig prijzen met het praalgraf van de Gelderse graaf Gerard IV en zijn gemalin Margaretha van Brabant (gedateerd op ongeveer 1240), dat behoort tot de topstukken van de grafkunst, en in Nederland een bijzondere positie inneemt. (Kijk HIER voor meer info) Liggende grafbeelden (gisants) zoals die in de Munsterkerk komen wel meer voor, maar zijn allemaal van latere datum. Fraaie exemplaren treffen we aan op het praalgraf in de kerk van Heinsberg (kijk HIER voor meer info) en de abtszerken in de abdijkerk Roldoc (Kerkrade). Het bekendste monument daar is van hertog Walram II van Limburg. De hertog overleed in 1226, drie jaar voor de ‘Roermondse’ graaf Gerard, maar het oorspronkelijke grafmonument, waarschijnlijk een zogenoemde ’tafeltombe’ is er niet meer. Het grafmonument dat er nu is te zien, dateert van 1715.
Een andere categorie grafmonumenten zijn de stenen waarop de overledene wel is afgebeeld, maar niet geheel vrijstaand zoals bij de gisants het geval is. De grafsteen van Matthijs van Maroyen en zijn echtgenote Judith Bartelmans in de kathedraal is daarvan een sprekend voorbeeld. (Kijk HIER voor meer info)
Renaissancestenen zoals die in de Roermondse kathedraal, waarin de steenhouwers meer reliëf hebben aangebracht vormden ook een grotere artistieke uitdaging dan zerken met alleen een grafschrift en een wapen. In de streek rondom Roermond zijn er bij mijn weten geen bewaard gebleven. Iets verder weg wel. In Lövenich (Erkelenz) bevindt zich in de Pauluskerk de grafsteen van ridder Arnold von Harff (overleden in 1505). Hij was ridder in dienst van de hertogen van Jülich-Berg, heer van Nierhoven en ‘Kämmerer’ (schatmeester) van Gelder. Von Harff is vooral bekend van de reisverslagen van zijn pelgrimstochten naar onder andere Santiago, Rome, en Jerusalem.
Aan de Nederlandse kant van de grens kennen we de zerk voor ridder Conraed van Gaure (+1570) in de muur van de kerkhofkapel in Elsloo, de bijzonder fraaie steen voor Johan van Wittenhorst (+1569) en zijn gemalin in de kerk van Horst en de grafsteen voor Jacob van Eijll (+?) en Elisabeth Groesbeek (+1574) die na de oorlog is ingemetseld in een muur van de St.-Willibrorduskerk in Geijsteren. Op de laatste is een vers te lezen:
“Al ben ick jonck, rice, sterck vnd welgemoet,
noch tant moet ich rvsten op die doet.”

Lang niet alle afbeeldingen van de overledenen op grafmonumenten werden zo in reliëf weergegeven als op deze zerken. De oudere zerken met voorstellingen zijn een stuk eenvoudiger: vlakke stenen waarop een voorstelling werd ingekrast: een soort lijntekening in een grafsteen. Ook dit soort grafmonumenten zijn in Roermond en de directe omgeving niet bewaard, we zullen ervoor naar Maastricht moeten waar de zerk voor Wolter van Cortenberg (+1294) in de Nieuwenhofkapel geldt als een van de oudste en fraaiste voorbeelden in Nederland. Iets dichter bij huis, maar over de grens, is in de toren van de Annakerk van Aldeneik de grafzerk van Goswijn de Insula (+1445) ingemetseld, de oudst bekende pastoor van Kessenich die gelet op zijn naam (de insula) mogelijk uit Stevensweert of Visserweert afkomstig was.
De overledenen werden er niet op afgebeeld zoals ze er werkelijk uitzagen, het zijn allemaal onpersoonlijke, stereotype portretten. De steen in Aldeneik geldt zelfs als een voorbeeld van serieproductie waarbij de menselijke vorm volgens een vast stramien werd aangebracht en voor een volgende steen alleen enkele details, met name de tekst, werden veranderd. In het Luikse zijn meerdere zerken gevonden die vrijwel identiek aan de zerk in Aldeneik zijn.
De zeldzaamste categorie grafmonumenten is gemaakt van koper. Ooit kwamen ze veel voor, maar de meeste werden uiteindelijk omgesmolten. Niet zo heel ver van Roermond is echter nog een oud en fraai exemplaar te zien in de St.-Maartenskerk van het Duitse stadje Linnich, vanuit Roermond 35 kilometer stroomopwaarts aan de Roer. Het is de grafplaat van Werner van Pallant (+1474). Het voordeel van een koperen grafplaat was dat er fijnere afbeeldingen op konden worden gemaakt, zoals mooi te zien is op de fraai bewerkte plaat in Linnich. (Kijk HIER voor meer info over deze plaat).

Grafkruisen

Kruisbeeld met beroepsteken in Elmpt

De eenvoudigste grafmonumenten zijn de stenen grafkruisen. Ook die waren lang niet voor iedereen weggelegd. Hardsteen was in onze streek een duur importproduct, waar de kosten van de steenhouwer nog bovenop kwamen. Bovendien had een kruis met ingebeitelde memorietekst, alleen betekenis voor degenen die wisten wat er op stond: Je moest ervoor kunnen lezen en dat was tot in de 16de eeuw lang niet iedereen gegeven. Mede daarom bleef een anoniem graf voor de grote massa nog tot het einde van de achttiende eeuw heel gewoon.
De oudste kruisen dateren uit de 16de eeuw, toen ook de geletterdheid sterk toenam. Kruisen van vóór 1500 zijn zeldzaam. Eén zo’n kruis uit de 15de eeuw zou hebben gestaan in het Duitse dorp Boslar (gemeente Linnich), maar heb ik niet meer teruggevonden.
Dichter bij huis en eveneens oud is het kruis voor Jan Ruesen (+1558) op het kerkhofje van Asselt, een zogenoemd ‘zadelkruis’, vanwege zijn spits toelopende ‘dak’. Het beeld in Asselt is niet alleen interessant omdat het zo oud is maar ook vanwege wat er op het kruis staat, of beter: wat er níet op staat. Gebruikelijk is immers om op grafmonumenten te voorzien van teksten als “hier ligt begraven”, “bid voor hem” of “rust in vrede”. Op het grafschrift van het Ruesen-kruis ontbreekt echter elke verwijzing naar de godsdienst, en staat alleen de overledene centraal. Alleen zijn naam hoeft onthouden te worden. Op hetzelfde kerkhof zijn nóg twee oude grafkruisen behouden, uit 1615 en 1616.
Bijna net zo oud als dat van Jan Ruesen is het kruis dat in 1588 in Elmpt werd gemaakt voor Pouls Kremers. In dat dorp telde kapelaan Heinrich Hillers in 1942 trouwens nog 21 oude stenen kruisbeelden op het ‘oude’ kerkhof rond de Laurentiuskerk. Dat zijn er nu al acht minder.
Een aantal oude kruisbeelden staat tegenwoordig weer direct om de Elmpter kerk, maar het interessantste staat op het ‘nieuwe’ kerkhof, aan de rand van het dorp. Het is het uit 1599 daterende kruis voor Lutter des Bartheine Sohn. Het is met name bijzonder omdat onder het grafschrift een beroepsteken is aangebracht, waarschijnlijk dat van een (textiel)verver.

Ook al waren het ‘maar’ eenvoudige grafkruisen, vaak waren het toch notabelen in de kleinere dorpen waar ze voor werden opgericht. Jan Ruesen was schepen in Swalmen, de oude kruisen in Elmpt behoorden eveneens aan mensen uit de plaatselijke elite. Een beroepsteken als dat op het kruis in Elmpt moet worden beschouwd als een uiting van zelfbewustzijn onder de burgerij.
Héél soms zeggen de grafkruisen ook iets van de ‘gewone’ mensen. Bijvoorbeeld een inscriptie op een steen van het kerkhof in Heythuysen voor ‘Wilm Kessels Die onnoosel starff Ao J6Z9 Den 1 juni’
“Jammer dat het steeds minder wordt,” zegt Ton Wolswijk. “Wij als vrijwilligers hebben het er wel eens over hoe we de interesse zouden kunnen opwekken, maar het is gewoon heel moeilijk met die grafmonumenten. Het leeft gewoon niet.”

De tunnelbeelden: “streng, eenvoudig en statisch”

De replica’s van de beelden bovenop de Stationstunnel. Foto: RCE Amersfoort

De beelden voor de Stationstunnel in Roermond behoren tot de bekendste van kunstenaar Joep Thissen (1919-2010). De beelden die er nu staan, zijn echter replica’s die trouwens in slechte staat zijn. Met de plannen om het Stationsgebied te hervormen, klinkt ook de roep om de originele beelden weer terug te plaatsen.

‘Spierkracht en Denkkracht’ heten de twee levensgrote beelden, die werden geplaatst in 1954. Denkkracht wordt verbeeld door een man met in de ene hand een rol papieren en in de andere hand een tandwiel. Links naast hem staat een stoere arbeider, de kin uitdagend omhoog, ontbloot bovenlijf, met een mijnlamp en een houweel. Spierkracht!
De beelden drukken het elan uit dat zo kenmerkend was voor de jaren na de oorlog. De stad herrees uit het puin, overal werd gebouwd om te kunnen voldoen aan de sterk toegenomen vraag naar woningen, werk was er in overvloed, en na de oorlog kon de toekomst alleen maar zonnig zijn.
Voor Roermond lonkte met name het perspectief dat in Herkenbosch weldra de Beatrixmijn geopend zou worden. In die situatie was een tunnel onder het spoor geen overbodige luxe. De bevolking van Roermond was eeuwenlang klein genoeg geweest om binnen de singels te kunnen wonen, maar nu barstte de stad uit zijn voegen. Vanuit het oosten kon het spoor alleen worden overgestoken bij het Slachthuis en een stuk verderop bij de Veeladingstraat. Met het oog op de uitbreidingsplannen was dat een volstrekt ontoereikende situatie.
Niemand minder dan de beroemde architect Sybold van Ravesteijn, die in Roermond ook al de watertoren naast het station had gebouwd, kreeg opdracht voor de aanleg van een tunnel. Roermondenaar Joep Thissen kreeg de opdracht om deze te verfraaien met beelden.

Elementaire vormen

Voor Thissen waren de jaren 50 een decennium waarin hij zich enorm profileerde. Zijn vroegere werk was realistisch en natuurgetrouw, maar in deze periode begon hij zich steeds meer te concentreren op de weergave van de meest elementaire vormen. Dat was al te zien in het werk dat hij verrichtte voor de Beeselse keramische ateliers Sint Joris en Loré, maar ook in zijn beelden.
Als beeldhouwer is Thissen waarschijnlijk het bekendst geworden. Het kon ook bijna niet anders. Zijn grootvader was de beeldhouwer Joseph Thissen, voormalig ‘professor’ aan de Tekenschool en oprichter van een ‘Atelier voor kerkelijke kunst’ dat was gevestigd in de Neerstraat. Van zijn hand was het Christoffelbeeld dat in 1895 op de torenspits van de kathedraal werd geplaatst, maar tijdens een enorme storm in 1921 omlaag donderde. Na het overlijden van Joseph (1920) werd het atelier in de Neerstraat voortgezet door zijn zonen Sjef (overleden in 1934) en Christof (overleden in 1956). Joep was een zoon van Sjef.
In 1951 had Joep Thissen voor de Sint Franciscusput aan de Godsweerdersingel al een beeld gemaakt, maar de opdracht voor de tunnel was van een andere orde. Niet alleen gezien de omvang, maar ook vanwege het prestige dat eraan verbonden was. Zowel aan de oost- als aan de westkant van de tunnel waren beelden voorzien.

Het originele beeld van de graaf staat nu in het Stadspark aan de Voogdijstraat

Spierkracht en Denkkracht kwamen aan de oostkant. Natuurlijk! Want daar lag de toekomst, weg van de oude stad en het verleden. Voor de westkant van de tunnel, die naar de historische binnenstad is gericht, maakte Thissen beelden van historische figuren: een beeld van de graaf van Gelder en een beeld van zijn gemalin. Centraal in het midden kwam een beeld van de stadspatroon, Sint Christoffel.

Op 31 juli 1954, een week voor de officiële opening van de tunnel, verscheen in de Maas- en Roerbode al een artikel over de beelden, geschreven door kunstredacteur Jules Kockelkoren. Die was lyrisch. “De vier beelden zijn streng, eenvoudig en statisch gehouden, geheel gedacht tegen de massieve betonwand als achtergrond. Maar juist dit strakke gesloten houden der beelden in duidelijke, krachtige vormen (…) bereikt de monumentaliteit die deze opdracht vergde.” Nota bene: de beelden van Denkkracht en Spierkracht stonden oorspronkelijk niet bovenop de tunnel, zoals nu, maar er tegenaan, zoals aan de westkant nog het geval is met de graaf van Gelder.

Kritiek

De beelden, met hun hoekige vormen, zijn typisch voor het werk van Thissen. Juist dat stijlkenmerk leverde hem echter ook kritiek op. Geheel in lijn met zijn streven om zich te beperken tot elementaire vormen, had Thissen op het Christoffelbeeld de handen en voeten van het kind Jezus weergegeven zonder vingers. Dat kon écht niet door de beugel bij sommige vertegenwoordigers van de katholieke kerk. Er moesten vingers en tenen komen.

Dezelfde hoekigheid kenmerkt ook zijn beroemdste beeld, waarvoor hij in navolging van zijn grootvader de opdracht kreeg: de Christoffel die in 1957 op de top van de kathedraaltoren werd geplaatst. Thissen maakte het ontwerp, dat door koperslager Claessen werd uitgevoerd. Toen ook dat werk hem op kritiek van de kerk kwam te staan, was Thissen daar zo verbolgen over dat hij zich in het openbaar distantieerde van de uiteindelijke vorm: “Het is mijn beeld niet meer.”

Waar is de gravin?

Met uitzondering van het Christoffelbeeld aan de westkant van de tunnel, zijn alle originele beelden verplaatst of weggehaald. Nu er plannen zijn om het hele Stationsgebied op te knappen, klinkt ook de roep om terugplaatsing van de originele beelden. Liefst op de plaats waar die zich vroeger bevonden, dus niet óp maar tegen de tunnel.
Alleen, waar zijn ze gebleven? Lange tijd was alleen bekend welke plaats de graaf van Gelder had gekregen: tegen een muur in het stadspark aan de Voogdijstraat. Aan dat beeld is trouwens ook mooi het kwaliteitsverschil te zien tussen het origineel van euville marbrier (een grofkorrelige soort kalksteen) en de replica’s van namaakbeton die ervoor in de plaats werden gezet.

Denkkracht, in een kist op de gemeentewerf. Foto: Dennis Janssen

Waar Spierkracht en Denkkracht zich bevonden was voor menigeen onbekend. Pas in 2015 werd een van de originele beelden (Denkkracht) teruggevonden door de Stichting Ruimte, opgeslagen in een kist op de gemeentewerf. Slechts één van de twee op elkaar liggende kisten kon worden geopend, het vermoeden is dat het andere beeld in de onderste kist ligt.
Alleen de verblijfplaats van de gravin is nu nog onbekend. Enkele oproepen op internet en in het blad van Stichting Ruimte leverden geen verdere kennis daarover op. Misschien ligt zij eveneens op de gemeentewerf, en is zij samen met het tweede beeld (Spierkracht) in de onderste kist terecht gekomen. Maar we moeten ook rekening houden met een ander scenario. “Dat beeld is in duizend stukken gevallen toen werd geprobeerd het van de tunnel te takelen,” vertelde iemand. “Maar helemaal zeker weet ik het niet.” Wie het wél weet mag zich melden.

Elisabeth Adriaanse (1906-1939): gedreven juriste

In Roermond kwam het nieuws hard aan, die koude maandagmorgen in februari 1939. Geheel onverwacht was tijdens haar vakantie in het Zwitserse Chur de jonge juriste Elisabeth Adriaanse overleden, in de leeftijd van slechts 33 jaar.

Enkele dagen eerder was zij plotseling onwel geworden en opgenomen in een ziekenhuis. Hartfalen lijkt de Roermondse advocate fataal te zijn geworden.
De in Roermond uitgegeven krant De Nieuwe Koerier, stond uitgebreid stil bij haar overlijden en berichtte enkele dagen later uitvoerig over de begrafenis, die “onder een groote belangstelling” plaatsvond.

“Zoowel van buiten Roermond als uit vrijwel alle kringen der Roermondsche bevolking waren zeer velen gekomen om aan de overledene de laatste eer te bewijzen,” meldde de krant. Het is veelzeggend dat De Nieuwe Koerier in deze tijd, waarin krantenpagina’s doorgaans alleen bestonden uit grauwe tekstkolommen, een foto plaatste van de begrafenisplechtigheid. Familie, vrienden, bekenden en plaatselijke notabelen, de gibus in de hand, zien we daarop bedroefd naar de in de grond zakkende kist staren.
Zeventig jaar na haar dood was Elisabeth Adriaanse bijna vergeten. Des te mooier is het dat ze in Roermond werd geëerd met een straatnaam. De Elisabeth Adriaansestraat is een van de nieuwe straten die werden aangelegd tussen de Professor Schreinemakersstraat en het voormalige parkeerterrein van de Philips.
Maar wie was Elisabeth Adriaanse?

Familie

De familie Adriaanse kwam niet uit Roermond. Elisabeths vader Floris, werd in 1877 geboren in Middelburg, en trad in mei 1898 in dienst van de gemeente Roermond. Hij schijnt in die tijd enige tijd te hebben ingewoond bij de ouders van de schilder Hendrik Luyten, in het pand Kraanpoort 1. Ook vader Luyten werkte voor de gemeente Roermond. Zes jaar later werd Floris Adriaanse benoemd tot gemeentesecretaris, een fraaie prestatie voor iemand van buiten de provincie, die ook nog eens tot de Nederlands Hervormde kerk behoorde. In het Roermond van die dagen was dat nou eenmaal niet direct een aanbeveling. Ook buiten de gemeentelijke kaders was Adriaanse actief. Hij was een van de voortrekkers van het ‘Tramwegcomité’ dat ijverde voor de aanleg van tramlijnen in Midden-Limburg en was twintig jaar lang secretaris van de Kamer van Koophandel en Fabrieken in Roermond.

Adriaanse en zijn vrouw Elisabeth Gesina Eblie kregen in 1902 een meisje, Elisabeth, dat al in 1905 overleed. Een jaar later werd opnieuw een dochtertje geboren, ‘onze’ Elisabeth, die dezelfde namen kreeg als haar jonggestorven zusje.

Elisabeth (“Betsy”) begon haar opleiding wellicht aan het kleine protestantse schooltje naast de Minderbroederskerk. In 1923 slaagde ze aan de Rijks HBS in de Jesuïtenstraat en ging vervolgens rechten studeren in Leiden. Na haar afstuderen werd ze in mei 1931 aan de rechtbank (toen nog aan de Pollartstraat) beëdigd als advocaat en procureur. Zij was de eerste vrouwelijke advocaat aan de Roermondse rechtbank.
“De nieuw benoemde zal zich hier ter stede vestigen”, schreef De Nieuwe Koerier. Aanvankelijk hield zij kantoor aan het adres Markt 35, per 1 oktober 1932 verhuisde ze naar Kapellerlaan 30.

Bekende Roermondse

Foto gemaakt tijdens het 25-jarige ambtsjubileum van Floris Adriaanse. Rechts met de witte hoed is Elisabeth. Foto: Gemeente-archief Roermond

Vanaf het moment dat ze benoemd werd tot advocaat, verscheen de naam van mej. mr. E.F.J.A. Adriaanse veelvuldig in de krant. De rechtbankverslagen vormden in die tijd nog een vast onderdeel van de kolommen, en bij elke zaak werd vermeld door wie de verdachte werd verdedigd. De ambitieuze Elisabeth kreeg er heel wat op haar bordje. Ook waren er in deze crisisjaren nogal wat faillissementen te betreuren, waarbij zij optrad als curator. Alleen al door die veelvuldige naamsvermeldingen werd Elisabeth, althans voor de krantenlezers, een bekende Roermondse. Maar ook was zij, als vooraanstaande Roermondse vrouw, actief in charitatieve verenigingen als het “Roermondsch Crisis-Comité”, in allerlei “aanbevelingscommissies” en als lid van een stembureau. Haar naam duikt in de krantenkolommen dan ook vaak op naast die van andere Roermondse notabelen van die tijd als Jos Linssen, René Höppener, oud-wethouder Cartigny, Jules Breukers, René van Boven en dr. Imkamp.

Maar de gedreven Betsy Adriaanse was nog op andere gebieden actief. Ze schreef. In een artikel in de krant voorzag ze een nieuwe regeling van het binnenvaartrecht van commentaar. Daarnaast verscheen van haar hand een boekje over “de nieuwe drankwet” dat ook nog een herdruk beleefde.

Ook in de politiek was zij actief, als lid van de progressief liberale Vrijzinnig Democratische Bond, die na de oorlog opging in de PvdA. In 1935 stond ze bij de verkiezingen voor de Provinciale Staten van Limburg tweede op de lijst van de Vrijzinnige Democraten, overigens zonder een zetel in de wacht te slepen.
In juni 1936, het jaar dat Hitler het Rijnland herbezette, sprak ze op de oprichtingsbijeenkomst van een genootschap van juristen en politici dat beoogde te “strijden voor het behoud van den rechtsstaat in Nederland.”

Vrouwenbeweging

Maar bovenal was Elisabeth actief in de vrouwenbeweging, meer in het bijzonder in de ‘Vereeniging voor vrouwenbelangen en gelijk staatsburgerschap’. Vanaf 1935 tot haar dood maakte ze deel uit van het bestuur van de Vereeniging en zat ze in de redactie van het maandblad. In Roermond hield de Vereeniging in het voorjaar van 1935 een ‘vrouwenweek’ om aandacht te vragen ‘voor meerdere waardeering van vrouwenarbeid.’ Elisabeth hield een afsluitende ‘causerie’ in hotel Kissels.
In 1937 geeft de Vereniging voor Vrouwenbelangen een brochure van haar uit, ‘Overzicht over politieke stroomingen in Nederland’ waarin ze de positie van de vrouw in Nederland analyseert.

Bericht in het in Roermond uitgegeven dagblad De Nieuwe Koerier, over de begrafenis van Elisabeth Adriaanse.

Van het persoonlijke leven van Elisabeth is mij niets bekend, behalve dat ze ongetrouwd bleef. Sommigen vragen zich af, of de enorme activiteit die ze ontplooide op sociaal gebied misschien ten koste ging van privé-geluk.

Een ramp in de persoonlijke sfeer voltrok zich in 1932, toen haar vader overleed, nét in de tijd dat er allerlei festiviteiten waren rond het 700 jarig bestaan van de stad en kort voor de opening van het Stedelijk Museum, bij de totstandkoming waarvan hij een belangrijke rol speelde. Floris Adriaanse werd maar 55 jaar. Waar hij aan overleed vermeldden de kranten niet, maar dat hij zo jong stierf is opvallend. Was het een erfelijke ziekte die zeven jaar later ook Elisabeth trof?

Elisabeths moeder, die in 1939 nog ijlings was afgereisd naar Chur en daar haar dochter in het ziekenhuis bezocht, overleed in 1961. Met zijn drieën delen ze een graf in het protestantse gedeelte van de Aaje Kirkhaof.

Inmiddels waren veel mensen Elisabeth Adriaanse vergeten. Mooi is dat een latere generatie Roermondse vrouwen door Tiny Imkamp op haar werd geattendeerd. Zowel Tiny Imkamp als Elisabeth Adriaanse zijn nu in het Roermondse Vrijveld geëerd met een straatnaam.

Het Wilhelminaplein: de onvoltooide van Roermond

Het enige Rijksmonument op het Wilhelminaplein is dit door architect Jos Wielders ontworpen pand

Roermond heeft mooie pleinen, maar het Wilhelminaplein hoort daar niet bij. Ook na de reconstructie van de Singelring biedt het plein nog steeds dezelfde troosteloze aanblik: een friteskraam op de ene hoek, een hondentoilet op de andere, en een massa geparkeerde auto’s er tussenin. En dan hebben we het over een van de entrees van de stad. Dat moet beter kunnen.

Ga eens op het Wilhelminaplein staan, kijk om je heen en probeer je voor te stellen dat de verkeersweg er niet is. Met een klein beetje moeite zie je een groots plein met een aantal opvallende ijkpunten. Aan de zuidoost-kant ligt het grote ‘pand Strens’ (tegenwoordig Loft 76 en daarvoor meubelzaak Nollen), dat omstreeks 1900 door architect Frans Dupont werd ontworpen. Met zijn indrukwekkende volume markeert het huis het einde van de Godsweerdersingel en het begin van het Wilhelminaplein, wat nog extra wordt benadrukt door de torenachtige vorm aan de Slachthuisstraat. Opvallend is de afgeschuinde hoek, die als het ware wordt gespiegeld in de ronding van het pand Wilhelminaplein 1, op de hoek met de Slachthuisstraat.
Recht tegenover het pand Strens, op de hoek Godsweerdersingel-Wilhelminaplein, ligt een fraai pand dat architect Jos Wielders in 1928 ontwierp. Helaas staat het huis, het enige rijksmonument aan het Wilhelminaplein, al enige tijd leeg. In het monumentenregister van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed wordt het omschreven als gebouwd “in traditionele stijl met invloeden van het Zakelijk Expressionisme.” De afgeronde hoek wijst erop dat Wielders goed heeft gekeken naar de twee oudere huizen aan de overkant (Loft 76 en Wilhelminaplein 1).
Direct daarnaast staat nog een fraai pand met een opvallende raampartij (no 30), waarna de straat een hoek van 90 graden maakt, en een gesloten rij huizen (gebouwd vanaf 1913) op de hoek met de Voogdijstraat groots wordt afgerond met een door architect Maarten Engelman ontworpen gebouw voor de Kamer van Koophandel (nu: Van Arkel gerechtsdeurwaarders). Op deze plaats stond eerder een gebouw uit 1939 waarin de Lindanusschool en later het politiebureau waren ondergebracht. Engelman heeft de ronde hoeken die de panden aan de zuidzijde van het Wilhelminaplein karakteriseren mooi laten terugkomen.
Dáár recht daartegenover, op de hoek Steegstraat-Voogdijstraat en oorspronkelijk uitkijkend op het plein, ligt dan het magnifieke Huis Bocholtz uit de achttiende eeuw.

De conclusie zou kunnen zijn dat er veel lelijks te zien is rond het Wilhelminaplein: een singelwand met detonerende reclame-uitingen, een friteskraam, een appartementencomplex waarvan er dertien in een dozijn gaan en vooral heel veel auto’s.
Maar ook dat er toch wel iets te genieten valt. En vooral: het is nog steeds een plein waar iets moois van is te maken.

Voogdij

Het Wilhelminaplein ligt ongeveer op de plaats waar zich vroeger de voogdij bevond: een geheel ommuurd complex dat toebehoorde aan de voogden van Roermond, in de middeleeuwen de belangrijkste vertegenwoordigers van de graven en hertogen van Gelder. De voogdij bevond zich aanvankelijk buiten de stadswallen op de Buitenop, maar verhuisde omstreeks 1388 naar deze hoek van de stad.

De omvang van het complex en de gebouwen die er stonden, is nog mooi te zien op de bekende kaart die Herman Janssens na de stadsbrand van 1665 maakte. Na 1800 raakten de gebouwen waarschijnlijk snel in verval. De functie van voogd was toen al achterhaald en de erfvoogden woonden allang niet meer in Roermond maar in Brussel.
In 1825 werd de voogdij verkocht aan de familie Michiels van Kessenich, die het waarschijnlijk beschouwde als een beleggingsobject. Veel onderhoud lijkt er in elk geval niet te zijn gepleegd, de gebouwen begonnen er steeds havelozer uit te zien en veel werd in de negentiende eeuw al afgebroken.

Na de sloop van de stadsmuren en eind negentiende eeuw de aanleg van achtereenvolgend de Willem II-Singel (‘aaje boulevard’) en Godsweerdersingel (‘nuuje boulevard’) leek deze hoek van de stad aan de beurt voor nieuwe stedebouwkundige ontwikkelingen.

Venlooscheplein

Het Wilhelminaplein in een tijd dat het nog niet zo druk was. We kijken in noordelijke richting (naar het Outlet Centre). De datering 1905 rechtsonder is twijfelachtig, de foto is waarschijnlijk later gemaakt. Foto: gemeente-archief Roermond.

Begin twintigste eeuw besloot de gemeente het gebied in te richten als openbaar plein. In 1906 nam ze daartoe de oude voogdij over van Michiels van Kessenich. De ringmuur rond het voormalige voogdijcomplex en wat er nog stond van de uit 1400 daterende gebouwen werden in 1907 gesloopt.

Het nieuwe Venlooscheplein dat nu ontstond was enorm van omvang. Ook het driehoekige gebied ten zuiden van de Venlosepoort behoorde ertoe, het stuk waar tegenwoordig een niet al te fraai appartementencomplex staat. Maar ondanks de grootte en ondanks de bomenrij aan de oostelijke kant (de voortzetting van de bomenrij aan de Godsweerdersingel) strekte de ruimtelijke beleving van het plein zich uit tot aan de bebouwing aan de oostkant. Anders gezegd: wie toen vanuit de Godsweerdersingel het Wilhelminaplein opwandelde, had veel meer dan tegenwoordig het gevoel een ‘echt’ plein te betreden.

De grootse opzet van het plein is nog steeds voelbaar als je de omgeving op je laat inwerken. Maar het is ook duidelijk waaraan het plein ten onder is gegaan: de verkeersdruk. In het begin van de 20e eeuw was het verkeer nog zo gering dat het gewoon over het plein kon worden geleid, en dat het ook zo voelde dat je een plein opging. Tegenwoordig domineert echter de verkeersweg. Het plein is de facto verdeeld in een weg en een plein. De aanleg van trottoirs en fietspaden in het verlengde van de Godsweerdersingel heeft verder bijgedragen aan deze situatie. Weg en plein lijken niet meer bij elkaar te horen.

Daardoor is een plein ontstaan zonder kraak of smaak, dat er maar een beetje bijligt en alleen maar goed is om als parkeerplaats dienst te doen.

Toekomst

Wat zal de toekomst brengen? Als er ondanks de onvermijdelijke bevolkingskrimp toch nog bouwactiviteiten moeten plaatsvinden, lijken uitbreidingsplannen die ten koste gaan van natuur en groen achterhaald. Eerder aan de orde lijken inbreiding en kwalitatief hoogwaardige restauratieprojecten. Mits daarbij rekening wordt gehouden met het beschermde historische stadsgezicht, lijkt het Wilhelminaplein een serieuze kandidaat.
Er zal dus iets moeten gebeuren om het gebied te verlossen van zijn onvoltooide en amorfe uiterlijk.
In zijn oorspronkelijke opzet was het plein wellicht te groot, en zijn de zichtlijnen te lang. Vanuit de zuidkant van het plein in de richting van de Venlose weg, kijk je te ver weg zodat een verkleining van het plein geen slechte optie lijkt. Daarnaast is duidelijk dat de feitelijke tweedeling tussen verkeersweg en plein niet meer is terug te draaien.

De Verah garage in 1980, enkele jaren voor de sloop

Het is onduidelijk wanneer die splitsing is ontstaan, maar wellicht werd het probleem al voor de oorlog onderkend door Frans Dupont, die in het begin van de jaren dertig een fantastisch maar nooit gerealiseerd plan ontwikkelde voor een grote concertzaal. Hij positioneerde die midden op het huidige plein, dat daardoor zou verdwijnen, of zou worden gereduceerd tot een soort voorplein van het theater.
Een nieuwere ontwikkeling die wél doorging was het volbouwen van het driehoekige gebied ten zuiden van de Venlosepoort. Dat gebied is in deze vorm al herkenbaar op de genoemde kaart van Janssens. Er stond in die tijd (eind 17e eeuw) een kapelletje onder wat bomen, maar afgezien van de huizenrij aan de Venlosepoort bleef het gebiedje verder waarschijnlijk onbebouwd. Pas omstreeks 1920 verrees er een garage (Verah-garage), die waarschijnlijk nooit een schoonheidsprijs zou hebben gewonnen. In 1982 maakte de garage plaats voor een appartementencomplex dat er nu nog steeds staat en evenmin behoort tot het mooiste van wat de bouwkunst heeft voortgebracht.

Omstreeks het jaar 2000 waren er nieuwbouwplannen van projectontwikkelaar Nieuweborg. De plannen concentreerden zich op het noordelijke deel van het plein (zijde Venlosepoort), dat daardoor aanzienlijk zou worden verkleind en als het ware in zuidelijke richting zou opschuiven. De plannen voorzagen ook in een ondergrondse parkeergarage waarin de restanten van de oude stadsmuren waren opgenomen. Misschien dat er in de toekomst nog eens wordt teruggegrepen op deze plannen.

Een andere mogelijkheid zou zijn om aan de oostzijde van het plein een groots opgezette singelwand te creëren die aansluit op de bebouwing aan de Godsweerdersingel en die zich kan spiegelen aan de bestaande bebouwing langs de verkeersweg. Aan de Venlosepoort, waar nu de friteskraam staat, zou dat afgerond kunnen worden in een vorm die verwijst naar de grote dubbele stadspoort die hier ooit stond.

Voorlopig lijkt alles echter bij het oude te blijven. De gemeente Roermond laat desgevraagd weten dat er op het Wilhelminaplein geen bouwprojecten gepland staan.

Het beeld van Bernardus van Clairvaux in de Munsterkerk

Dit houten beeld in de Munsterkerk stelt de heilige Bernardus van Clairvaux voor, een van de belangrijkste propagandisten van de Cisterciënzer-orde in de twaalfde eeuw. Het werk wordt gedateerd op omstreeks 1510-1520 en is toegeschreven aan de Meester van Elsloo, een tot op heden onbekende Oppergelderse houtsnijder.

Over de herkomst van het beeld is wat discussie geweest, en dan met name over de vraag of het voor deze kerk is gemaakt en er vanaf die tijd heeft gestaan, of dat het op een later moment door het klooster is verworven.
De Munsterabdij was het eerste Cisterciënzer vrouwenklooster in het voormalige graafschap Gelre, en het is dus zeer goed mogelijk dat het Bernardusbeeld in opdracht van de abij werd gemaakt en daar altijd heeft gestaan.
De uit Dalheim afkomstige amateur-historicus Franz Mayer veronderstelde in een artikel uit 1902 echter dat het beeld oorspronkelijk stond in de abdij van Dalheim, eveneens een Cisterciënzer klooster. Volgens Mayer was het een van de stukken die na de opheffing van deze abdij in de Franse tijd terecht kwamen in verschillende kerken in de omgeving. Van het dertiende-eeuwse zogenoemde Dalheimer kruis in de kathedraal staat inderdaad vast dat het oorspronkelijk uit het klooster van Dalheim kwam, maar de veronderstelling dat ook het Bernardusbeeld oorspronkelijk in Dalheim stond, is twijfelachtig. Mayer geeft in zijn artikel helaas geen onderbouwing voor zijn stelling, maar toch is deze door sommige auteurs overgenomen.

G. Venner sluit zich aan bij F. Gorissen, die stelde dat beelden als dit tot in de negentiende eeuw geen grote waarde als kunstobject hadden en derhalve bijna altijd op hun oorspronkelijke plaats bleven. Alleen bij opheffing van kloosters (zoals in Dalheim) kon het wel eens voorkomen dat de huisraad werd verkocht. Venner wijst echter op het bestaan van een kerkinventaris uit 1644, waarin al een Bernardusbeeld werd genoemd. In hetzelfde jaar werd de kerk bezocht door de beroemde Antwerpse uitgever Balthasar Moretus II, op weg naar de toen al bestaande ‘Frankfurter Buchmesse’. Ook Moretus maakte in zijn reisdagboek melding van een Bernardusbeeld.

Daarmee staat nog niet vast dat de genoemde vermeldingen betrekking hadden op dit specifieke beeld. De Munsterabdij was een centrum van Bernardusverering en in de zeventiende eeuw een aan deze heilige verbonden pelgrimsoord. Het ligt voor de hand dat zich in de kerk meerdere objecten bevonden die met deze verering te maken hadden. Behalve het houten Bernardusbeeld hingen in het koor twintig schilderijen waarop episoden uit het leven van de heilige werden afgebeeld. Nog belangrijker was een vingerreliek. Aan deze vinger werden gewijde ringen gestoken, die dan zouden helpen tegen krampen en koorts.

Devotieprentje uit 1804

Een belangrijke aanwijzing dat het beeld dat we nu kennen hetzelfde is als het beeld dat in de inventaris van 1644 en het reisdagboek van Moretus wordt genoemd, is een devotieprentje, dat in 1804 werd gedrukt ter gelegenheid van de eerste Bernardusbedevaart sinds de kerk door de Franse revolutionairen werd gesloten (1797-1803).
In het het prentje wordt melding gemaakt van de ‘O.L.V. Munster Kerke, of meer bekent onder den naem van St.Bernardus Kerke in de stad Ruremonde’ en wordt nadrukkelijk vermeld dat ‘het beeld van den heyligen Bernardus en het grootste gedeelte der heylige reliquien (…) op hunne vorige plaetsen hersteld [zijn]’.
Het gebruik van de term ‘hersteld’ wijst erop dat het beeld zich al vóór de opheffing in de kerk bevond. Het was bekend bij de gelovigen die in 1804 allemaal wisten dat het zich vóór de Franse tijd al in de kerk bevond.

Het beeld dat tegenwoordig in het zuidelijke transept staat, werd in 1947 door Timmers al toegeschreven aan de Meester van Elsloo. Op stylistische gronden (plooival en gezichtsvorm) zou het een van de vroegste werken van diens hand zijn.

Het eikenhouten beeld is 109 cm. hoog en heeft een jongere polychromie. Een opmerkelijk detail is het boek dat de Bernardus in de linkerhand houdt. Dit is een gedeelte van het beeld dat ooit werd gerestaureerd en helaas niet correct. Oorspronkelijk droeg Bernardus in die hand een zogenoemd buidelboek, waarvan het afhangende gedeelte met knoop nog goed zichtbaar is.
Buidelboeken waren gedurende de late middeleeuwen (1400-1550) in gebruik, vooral bij monniken en pelgrims en waren bedoeld om mee te nemen op reis. Ze danken hun naam aan de vorm: de onderkant van de boekband was verlengd en had de vorm van een buidel. Deze kon met een knoop (maar soms ook een ring of gesp) aan een gordel worden bevestigd.
Oorsponkelijk zal de Bernardus in de Munsterkerk een kleiner boekje in de hand hebben gehad, dat was verbonden met de buidel. De restaurator was blijkbaar niet bekend met deze buidelboeken, en heeft de heilige abt een los boek in de hand gestopt.


Literatuur:
Venner, G., Het interieur van de Munsterkerk vóór 1850, in: De grafmonumenten van de graven van Gelder, Venlo 1989, blz. 55-77.
Venner, G., De herkomst van de Sint-Anna te Drieën in de parochiekerk te Elsloo: een reconstructie van de geschiedenis van een referentiebeeld, in: A Masterly Hand, Interdisciplinary Research on the Late-Medieval Sculptor(s) Master of Elsloo in an international Perspective, Brussel 2013, blz. 48-63.
De Meester van Elsloo, Oppergelders beeldsnijder XVIe eeuw, tentoonstellingscatalogus Horst 1974.
Plötz, R., Lemmens, G., e.a. Das goldene Zeitalter des Herzogtums Geldern. Geschichte, Kunst und Kultur im 15. und 16. Jahrhundert, tentoonstellingscatalogus, Geldern 2001, aldaar blz. 133-134.
Mayer, F., Zur Geschichte der Pfarre Arsbeck, in: Rheinische Geschichtsblätter 6 (1902-1903). Online te raadplegen op http://www.dilibri.de/rlb/periodical/pageview/52870
Knoors, H., Middeleeuws boek in middeleeuwse kerk, in: Ruimtelijk, september 2007, blz. 12-13.