Grafmonumenten: het leeft niet

In het Noord-Franse Marville (Meuse) zijn tientallen grafstenen uit de zestiende en zeventiende eeuw gered voor invloeden van het weer en opgeslagen in de oude kerk op het Cimétière St. Hillaire.

Over grafplaten met hun uitgehouwen teksten, symbolen en versierselen mocht je in de Middeleeuwen gerust lopen. Vaak was het ook onvermijdelijk, zo veel zerken lagen er in de kerkvloeren. De teksten werden daardoor weliswaar langzaam steeds vager en op den duur vaak onleesbaar, van de andere kant symboliseerde dit de vergankelijkheid van alles: zelfs harde steen valt op den duur weer uiteen tot stof.

Vanuit het standpunt dat erfgoed beschermd moet worden, wordt daar tegenwoordig iets anders over gedacht. Ook al zijn de grafplaten gemaakt van hardsteen, als we er met zijn allen maar overheen blijven lopen, is er straks niets meer van over. En toch gebeurt dat, terwijl er daarnaast ook nog altijd stokoude grafzerken verdwijnen van de kerkhoven.
Het is een zorg die niet nieuw is. Al in 1907 werd er door het Limburgs Geschied- en Oudheidkundig Genootschap (LGOG) gewezen op het belang van de grafstenen en aangedrongen op een inventarisatie. Het genootschap wees er op dat grafstenen niet alleen cultuurhistorische waarde hadden, maar ook behoudenswaardig waren vanwege de genealogische of heraldische informatie die de inscripties soms boden.
De oproep kwam op een moment dat het aantal grafmonumenten in sneltreinvaart afnam. Onachtzaamheid, ondeskundigheid en vooral desinteresse waren er de oorzaak van. Soms werden oude kerkvloeren overtegeld, in andere gevallen werden grafstenen uitgebroken en door kerkmeesters voor een habbekrats verkocht aan aannemers die ze vervolgens voor de meest uiteenlopende doeleinden gebruikten.
Ook Roermond blies in dat opzicht een aardig deuntje mee. Toen de amateurhistoricus Van Beurden in 1915 een artikel schreef over families die het hier in de 18de en 19de eeuw voor het zeggen hadden, wees hij zijn lezers erop dat ze eigenlijk eens langs de oevers van de Maas moesten wandelen, want daar lagen de grafstenen van de mensen waarover hij schreef. Ze waren er neergelegd om de oevers te verstevigen. Daarnaast was er ook nog een onbekend aantal zerken in het Groot Hellegat gedumpt.
Ook in de dorpen in de streek kwamen zulke praktijken voor. In Thorn en in Ittervoort verdwenen oude grafstenen in de beek. In Grathem en ook in Thorn werden zerken uit de zestiende eeuw nieuw bestemd als onderdeel van het trottoir. In Grathem werd een oude altaarsteen herbestemd als drempel naar het kerkhof. In Heel kreeg het recyclen een creatievere invulling: daar werd een zware zerk van Naamse steen waarop het wapen van Ghoor prijkte, kapot gehakt en nieuw vormgegeven tot grafkruis.

 

Grafsteen van ridder Conraed van Gaure in Elsloo. Op de achtergrond het in Maaslandse stijl opgetrokken ‘Schippershuis’

Achteruitgang

Het algemene beeld is dat het aantal oude grafmonumenten fors achteruit is gegaan. De aandacht die erfgoedorganisaties als het LGOG hier sinds 1907 aan besteedden, had misschien wel een beetje effect, maar niet heel veel. Heel duidelijk bleek dat toen in 1961 eindelijk een inventarisatie van Limburgse grafzerken werd gepubliceerd door Jan Belonje: tal van grafstenen die nog waren beschreven in oudere publicaties waren toen al niet meer terug te vinden.
Ongetwijfeld was dat voor een gedeelte toe te schrijven aan de oorlog en aan de opruimwoede in de wederopbouwperiode, toen tal van oude zerken bij het grof vuil werden gezet. Maar de oorlog is niet de enige verklaring. Zo werden in Belonjes inventarisatie van 1961 bijvoorbeeld nog 36 monumenten genoemd in de dorpen van de Roerstreek. Maar toen de Heemkundevereniging Roerstreek (HVR) twintig jaar later de stand van zaken opnieuw onder de loep nam, bleken er van die 36 alweer acht verdwenen.
Het onderzoekje in de Roerstreek werd destijds verricht door Ton Wolswijk uit Vlodrop. Hij heeft het grafstenenbestand in de Roerstreek daarna niet meer geïnventariseerd, maar is nog steeds zeer betrokken, onder andere bij het opknappen van het oude kerkhof in zijn woonplaats. Wolswijk weet wel zeker dat de achteruitgang niet te stuiten is.
“Ik zie het gewoon gebeuren. Laatst zag ik weer zo’n oude zerk liggen tegen een kerkhofmuurtje. Het wordt beschouwd als vuilnis. De gedachte er achter is natuurlijk dat oude graven niets meer opleveren, er worden geen grafrechten meer voor betaald. Maar het is ook een gebrek aan belangstelling en historische kennis, bij zowel gemeente Roerdalen als de kerkbesturen. Het interesseert ze allemaal geen moer. Grafmonumentjes zijn gewoon niet sexy genoeg.”
Het verhaal van Wolswijk wordt onderschreven door Peter Nouwen van de Monumentenwacht in Thorn. “Als er nieuwe graven kunnen worden verkocht, dan kiezen sommige kerkbesturen voor het geld. En ja, soms ook als daarvoor een zerk uit de zeventiende eeuw moet wijken.”
Jammer en onnodig, zegt Nouwen. Hij wijst op de mogelijkheid om een oude zerk te adopteren. Als er een nieuw graf moet worden gedolven, dan zou dat ook onder een oude monumentale steen kunnen. Daar zou dan een kleiner steentje bij geplaatst kunnen worden met de naam van degene die er recenter is begraven.
Nouwen: “Sommige mensen stellen het op prijs in zo’n monumentale omgeving begraven te worden, maar dan moet je die monumentale omgeving wel in stand houden.”

Pilotproject

De situatie waar Nouwen en Wolswijk op wijzen, heeft niet zozeer betrekking op de oude zerken die nu nog in de vloer van de kerkgebouwen liggen, maar vooral op de oude kerkhoven. En dan niet de Aaje Kirkhaof van Roermond, waar juist grote zorg aan wordt besteed, waar de grafmonumenten worden hersteld en die voor heel Limburg een voorbeeldfunctie heeft. Nouwen: “De Aaje Kirkhaof was een soort pilotproject dat liet zien hoe het óók kan. Maar in Limburg is dat maar door zes of zeven andere begraafplaatsen opgepakt. En we hebben ongeveer 350.”
De praktijk om oude zerken uit de kerkvloer te breken en vervolgens te dumpen of op een onorthodoxe manier te hergebruiken, komt nauwelijks meer voor. Dat is in elk geval één pluspuntje.
Toch is ook in de oude Roermondse kerken het aantal zerken achteruit gegaan. Jac Wijnands schreef in zijn jubileumboek over de kathedraal dat er vroeger “ruim 80 grafstenen” lagen. Tegenwoordig stopt de teller al bij even over de 40.
Van de 22 gedocumenteerde graven in de Munsterkerk, trof Belonje er in 1961 nog 17 aan (inclusief het praalgraf), al gaan er mogelijk nog grafstenen schuil onder de op plankieren geplaatste banken. Het oude kerkhof aan de noordzijde van de kerk is natuurlijk allang verdwenen, evenals de graven in de voormalige kloostergebouwen.
In de Minderbroederskerk zijn 26 grafstenen gedocumenteerd, van Roermondse burgers maar ook de grafkelder van (waarschijnlijk) Margareta van Wittem (+1626), de eerste echtgenote van graaf Hendrik van den Bergh, de roemruchte stadhouder van Spaans Gelre.
Nog steeds duiken er soms fragmenten op van grafmonumenten die zich ooit bevonden in afgebroken kerken of op de kerkhoven. In een tuin aan de H.Geeststraat werd een aantal jaren geleden een steen aangetroffen met gotische letters, waarschijnlijk een deel van een grafzerk die later werd hergebruikt als dorpel of deur- of raamomlijsting. Bij de sloop van een pand in dezelfde straat, werd in 1957 een tegel aangetroffen die waarschijnlijk afkomstig was uit de voormalige H.Geestkerk.

Grafkunst

Grafsteen in Geijsteren

Doorgaans worden grafmonumenten pas echt interessant gevonden, als er niet alleen een tekst en familiewapens op zijn aangebracht, maar ook een afbeelding van de overledene, of een Bijbels tafereel.
Helaas is daar in de streek rond Roermond niet veel van overgebleven. De stad zelf mag zich gelukkig prijzen met het praalgraf van de Gelderse graaf Gerard IV en zijn gemalin Margaretha van Brabant (gedateerd op ongeveer 1240), dat behoort tot de topstukken van de grafkunst, en in Nederland een bijzondere positie inneemt. (Kijk HIER voor meer info) Liggende grafbeelden (gisants) zoals die in de Munsterkerk komen wel meer voor, maar zijn allemaal van latere datum. Fraaie exemplaren treffen we aan op het praalgraf in de kerk van Heinsberg (kijk HIER voor meer info) en de abtszerken in de abdijkerk Roldoc (Kerkrade). Het bekendste monument daar is van hertog Walram II van Limburg. De hertog overleed in 1226, drie jaar voor de ‘Roermondse’ graaf Gerard, maar het oorspronkelijke grafmonument, waarschijnlijk een zogenoemde ‘tafeltombe’ is er niet meer. Het grafmonument dat er nu is te zien, dateert van 1715.
Een andere categorie grafmonumenten zijn de stenen waarop de overledene wel is afgebeeld, maar niet geheel vrijstaand zoals bij de gisants het geval is. De grafsteen van Matthijs van Maroyen en zijn echtgenote Judith Bartelmans in de kathedraal is daarvan een sprekend voorbeeld. (Kijk HIER voor meer info)
Renaissancestenen zoals die in de Roermondse kathedraal, waarin de steenhouwers meer reliëf hebben aangebracht vormden ook een grotere artistieke uitdaging dan zerken met alleen een grafschrift en een wapen. In de streek rondom Roermond zijn er bij mijn weten geen bewaard gebleven. Iets verder weg wel. In Lövenich (Erkelenz) bevindt zich in de Pauluskerk de grafsteen van ridder Arnold von Harff (overleden in 1505). Hij was ridder in dienst van de hertogen van Jülich-Berg, heer van Nierhoven en ‘Kämmerer’ (schatmeester) van Gelder. Von Harff is vooral bekend van de reisverslagen van zijn pelgrimstochten naar onder andere Santiago, Rome, en Jerusalem.
Aan de Nederlandse kant van de grens kennen we de zerk voor ridder Conraed van Gaure (+1570) in de muur van de kerkhofkapel in Elsloo, de bijzonder fraaie steen voor Johan van Wittenhorst (+1569) en zijn gemalin in de kerk van Horst en de grafsteen voor Jacob van Eijll (+?) en Elisabeth Groesbeek (+1574) die na de oorlog is ingemetseld in een muur van de St.-Willibrorduskerk in Geijsteren. Op de laatste is een vers te lezen:
“Al ben ick jonck, rice, sterck vnd welgemoet,
noch tant moet ich rvsten op die doet.”

Lang niet alle afbeeldingen van de overledenen op grafmonumenten werden zo in reliëf weergegeven als op deze zerken. De oudere zerken met voorstellingen zijn een stuk eenvoudiger: vlakke stenen waarop een voorstelling werd ingekrast: een soort lijntekening in een grafsteen. Ook dit soort grafmonumenten zijn in Roermond en de directe omgeving niet bewaard, we zullen ervoor naar Maastricht moeten waar de zerk voor Wolter van Cortenberg (+1294) in de Nieuwenhofkapel geldt als een van de oudste en fraaiste voorbeelden in Nederland. Iets dichter bij huis, maar over de grens, is in de toren van de Annakerk van Aldeneik de grafzerk van Goswijn de Insula (+1445) ingemetseld, de oudst bekende pastoor van Kessenich die gelet op zijn naam (de insula) mogelijk uit Stevensweert of Visserweert afkomstig was.
De overledenen werden er niet op afgebeeld zoals ze er werkelijk uitzagen, het zijn allemaal onpersoonlijke, stereotype portretten. De steen in Aldeneik geldt zelfs als een voorbeeld van serieproductie waarbij de menselijke vorm volgens een vast stramien werd aangebracht en voor een volgende steen alleen enkele details, met name de tekst, werden veranderd. In het Luikse zijn meerdere zerken gevonden die vrijwel identiek aan de zerk in Aldeneik zijn.
De zeldzaamste categorie grafmonumenten is gemaakt van koper. Ooit kwamen ze veel voor, maar de meeste werden uiteindelijk omgesmolten. Niet zo heel ver van Roermond is echter nog een oud en fraai exemplaar te zien in de St.-Maartenskerk van het Duitse stadje Linnich, vanuit Roermond 35 kilometer stroomopwaarts aan de Roer. Het is de grafplaat van Werner van Pallant (+1474). Het voordeel van een koperen grafplaat was dat er fijnere afbeeldingen op konden worden gemaakt, zoals mooi te zien is op de fraai bewerkte plaat in Linnich. (Kijk HIER voor meer info over deze plaat).

Grafkruisen

Kruisbeeld met beroepsteken in Elmpt

De eenvoudigste grafmonumenten zijn de stenen grafkruisen. Ook die waren lang niet voor iedereen weggelegd. Hardsteen was in onze streek een duur importproduct, waar de kosten van de steenhouwer nog bovenop kwamen. Bovendien had een kruis met ingebeitelde memorietekst, alleen betekenis voor degenen die wisten wat er op stond: Je moest ervoor kunnen lezen en dat was tot in de 16de eeuw lang niet iedereen gegeven. Mede daarom bleef een anoniem graf voor de grote massa nog tot het einde van de achttiende eeuw heel gewoon.
De oudste kruisen dateren uit de 16de eeuw, toen ook de geletterdheid sterk toenam. Kruisen van vóór 1500 zijn zeldzaam. Eén zo’n kruis uit de 15de eeuw zou hebben gestaan in het Duitse dorp Boslar (gemeente Linnich), maar heb ik niet meer teruggevonden.
Dichter bij huis en eveneens oud is het kruis voor Jan Ruesen (+1558) op het kerkhofje van Asselt, een zogenoemd ‘zadelkruis’, vanwege zijn spits toelopende ‘dak’. Het beeld in Asselt is niet alleen interessant omdat het zo oud is maar ook vanwege wat er op het kruis staat, of beter: wat er níet op staat. Gebruikelijk is immers om op grafmonumenten te voorzien van teksten als “hier ligt begraven”, “bid voor hem” of “rust in vrede”. Op het grafschrift van het Ruesen-kruis ontbreekt echter elke verwijzing naar de godsdienst, en staat alleen de overledene centraal. Alleen zijn naam hoeft onthouden te worden. Op hetzelfde kerkhof zijn nóg twee oude grafkruisen behouden, uit 1615 en 1616.
Bijna net zo oud als dat van Jan Ruesen is het kruis dat in 1588 in Elmpt werd gemaakt voor Pouls Kremers. In dat dorp telde kapelaan Heinrich Hillers in 1942 trouwens nog 21 oude stenen kruisbeelden op het ‘oude’ kerkhof rond de Laurentiuskerk. Dat zijn er nu al acht minder.
Een aantal oude kruisbeelden staat tegenwoordig weer direct om de Elmpter kerk, maar het interessantste staat op het ‘nieuwe’ kerkhof, aan de rand van het dorp. Het is het uit 1599 daterende kruis voor Lutter des Bartheine Sohn. Het is met name bijzonder omdat onder het grafschrift een beroepsteken is aangebracht, waarschijnlijk dat van een (textiel)verver.

Ook al waren het ‘maar’ eenvoudige grafkruisen, vaak waren het toch notabelen in de kleinere dorpen waar ze voor werden opgericht. Jan Ruesen was schepen in Swalmen, de oude kruisen in Elmpt behoorden eveneens aan mensen uit de plaatselijke elite. Een beroepsteken als dat op het kruis in Elmpt moet worden beschouwd als een uiting van zelfbewustzijn onder de burgerij.
Héél soms zeggen de grafkruisen ook iets van de ‘gewone’ mensen. Bijvoorbeeld een inscriptie op een steen van het kerkhof in Heythuysen voor ‘Wilm Kessels Die onnoosel starff Ao J6Z9 Den 1 juni’
“Jammer dat het steeds minder wordt,” zegt Ton Wolswijk. “Wij als vrijwilligers hebben het er wel eens over hoe we de interesse zouden kunnen opwekken, maar het is gewoon heel moeilijk met die grafmonumenten. Het leeft gewoon niet.”