Het Dalheimer Kruis in Roermond

Foto © Wollstein/Schulz

Het oudste kunstwerk in de Roermondse kathedraal is het zogenaamde Dalheimer Kruis, zo genoemd omdat het oorspronkelijk was ondergebracht in het Cisterciënzerinnenklooster van Dalheim, net over de grens bij Vlodrop. Het wordt gedateerd op omstreeks 1300. In de hele omgeving stond het bekend als een wonderdadig kruisbeeld: een “miraculeus beeldt van het heijlig cruys” waar wonderbaarlijke genezingen aan werden toegeschreven.

Waarschijnlijk werd het tijdens de Franse revolutie naar een schuilplaats in Roermond gebracht. Dat er vanuit de abdij in Dalheim kostbaarheden in Roermond werden ondergebracht, was min of meer een beproefd recept. De nonnen in het klooster van Dalheim waren allemaal adellijke juffers, die in hun klooster Val-du-Ciel echt niet voortdurend op een houtje zaten te bijten. Mede omdat de “joufferen” goed in de slappe was zaten, beschikte het klooster over een aardige hoeveelheid kostbaarheden. Maar juist in tijden van oorlog, met rondtrekkende troepen van allerlei nationaliteiten die vaak nét iets te lang op hun soldij moesten wachten, kon dat problemen geven. En dat gebeurde in onze streek nogal eens. Reden voor de nonnen om een veilig onderkomen te zoeken in een versterkte stad in de nabijheid, zoals Roermond. Niet alleen om zo zelf het vege lijf te redden, maar ook om er de kostbaarheden van het klooster onder te brengen.

Foto © Wollstein/Schulz

Bekend is dat het klooster beschikte over een vluchthuis in de Lage Hegstraat (de huidige Lindanusstraat), dat echter in 1630 vanwege geldgebrek van de hand gedaan moest worden. Blijkbaar vonden de Dalheimer nonnen in Roermond een nieuw onderkomen voor (een deel van) hun schatten, waarschijnlijk in de Caroluskapel.

Wanneer het kruisbeeld, een zogenaamd gaffelkruis, exact naar Roermond werd overgebracht is niet bekend, maar het ligt voor de hand dat dit in de jaren ’90 van de achttiende eeuw gebeurde. Franse troepen plunderden het Dalheimer klooster in 1792 en 1794. In 1802 werd het klooster definitief gesloten.

Legende

Evenmin is iets bekend over hoe het kruisbeeld in Roermond terechtkwam, maar er bestaat wel een mooie legende over. Het beeld zou op een wagen zijn geladen, die werd getrokken door een blind paard dat zonder begeleiding van een menner of koetsier zelf zijn weg zocht en uiteindelijk in Roermond stopte. Moraal van het verhaal: hier was het wonderdadige kruis op zijn plek.

Uit dankbaarheid voor de betoonde gastvrijheid werd het beeld in 1810 door de Dalheimer zusters aan de “parochiale kerke van den heijligen Christophorus der stad Ruremonde vergunt.

Daartoe werd het in een feestelijke processie naar de kathedraal gebracht. De overdracht werd bekrachtigd in een op 25 juli 1810 gedateerde akte die was ondertekend door vier “religieusen der gesupprimeerde adelijcke abdeij Dalheim… nogtans onder deze conditie, dat bij herstellinge in de voorschrevene abdeij, of andere van onsen order, het selve beeldt zal terug gegeven worden.
Met andere woorden: als het klooster in Dalheim ooit opnieuw zou worden geopend, dan moest het kruis worden teruggegeven. Het beeld kwam overigens niet ongeschonden door de oorlog, de armen moesten na die tijd worden gerestaureerd.

Gaffelkruisen

Gaffelkruisen zoals dit hebben een Y-vorm die verwijst naar de Boom van de Kennis van Goed en Kwaad, waarmee volgens de christelijke dogmatiek de zonde in de wereld kwam, een zonde die weer werd weggenomen door het lijden van Christus. En precies dat wordt hier afgebeeld: de hangende Christus met uitstekende ribben, omlaaggezakt hoofd met openhangende mond en het bloed dat uit de steekwond gutst. Het is een typische ‘crucifixus dolorosus’, heel anders dan bijvoorbeeld het oudere Christus triomfatorbeeld in de Munsterkerk.

Gaffelkruisen worden ook wel pestkruisen genoemd, maar dat is een misleidende naam want toen de eerste grote Europese pestepidemie uitbrak (1340) bestonden deze kruisbeelden al. Ze ontstonden omstreeks 1300 onder invloed van de mystiek, en komen vooral in het Rijnland voor. Het beroemdste is waarschijnlijk dat in de St. Maria im Kapitol te Keulen (gedateerd vóór 1312), waarvan het holle corpus bij een recente restauratie ongeveer 50 relieken bleek te bevatten. Maar ook in Saksen, Italië, Oostenrijk en Spanje komen ze in geringe aantallen voor, zodat gesteld kan worden dat de gaffelkruisen meer zijn geweest dan een regionale vorm.