De groene jurk van Constanza

In 1434 schilderde Jan van Eyck (mogelijk afkomstig uit Maaseik) dit portret van (waarschijnlijk) Giovanni Arnolfini, een in Brugge wonende lakenhandelaar en zijn vrouw Constanza Trenta. Waarschijnlijk overleed Constanza al in 1433, een jaar voordat Van Eyck dit schilderde en moet het werk als een eerbetoon aan haar worden gezien. De groene jurk die ze draagt spreekt voor velen nog steeds tot de verbeelding. Zo besteedde het Engelse tv-programma Stitched in Time er in 2018 een hele aflevering aan, waarin werd geprobeerd de jurk precies na te maken.

Ons gaat het hier niet om de vraag hoe de mouwen werden ingezet, of hoe de versiersels onder de mouwen of plooien werden gemaakt maar om het opvallendste onderdeel van de jurk, de groene kleur.

Groen was een kleur die in de zestiende eeuw slechts weinig schilders zo mooi op het doek of (zoals in dit geval) op een houten paneel konden krijgen als Van Eyck. Tegenwoordig wordt er vooral geschilderd met synthetische kleurstoffen maar in de vijftiende eeuw werden pigmenten gebruikt, en groen is nu juist een kleur die de schilder voor problemen stelde. Het houdt moeilijk, mengt zich slecht of verbleekt snel. Kunsthistorica Wieteke van Zeil had het daarom in de Volkskrant over ‘het pestertje onder de pigmenten’. Van Eyck liet zien dat hij de techniek wél beheerste.

Heeft de lange groene jurk echt bestaan? Als de afgebeelde Constanza Trenta al was overleden voordat het schilderij werd gemaakt en zij dus niet voor Van Eyck heeft geposeerd, dan is dat twijfelachtig. Maar laten we er eens van uitgaan dat de groene jurk wél heeft bestaan. Aangenomen wordt immers dat het schilderij een eerbetoon was aan de overleden Constanza. Zou het dan niet logisch zijn om haar uit te beelden zoals ze zelf herinnerd wilde worden en zoals haar echtgenoot en opdrachtgever van het schilderij zich haar ook wilde herinneren? In haar mooiste kleding, haar lievelingsstuk. Niet zo’n heel vreemde gedachte, toch?

 

 

Wat heeft dit met de streek Rondom Roermond te maken?

Laten we aannemen dat de jurk echt heeft bestaan. In dat geval is de kans groot dat de kleurstoffen die werden gebruikt voor het verven van dit kledingstuk, afkomstig waren uit onze streek, meer in het bijzonder Gulick (Jülich). Dit voormalige hertogdom grensde niet alleen aan het Gelderse Roermond, grote delen van de huidige stad (Maasniel, de Kemp, de Kapel) maakten er lange tijd deel van uit. De Scheidingsweg op de Kemp verwijst nu nog steeds naar de grens. Aan de Melickse kant was het Jülichs, aan de Roermondse kant Gelders. De Bredeweg, die de gemeentegrens vormde tussen Roermond en Maasniel, was lange tijd ook de grens tussen Gelre en Gulick.

Indigo

Het hertogdom Gulick was één van de belangrijkste productiegebieden in Europa van de blauwe kleurstof indigo. Met die kleurstof werd het blauwe onderkleed van Constanza geverfd. Het groen werd bereikt door de stof vervolgens nog eens over te verven met geel. Overigens slaagde men er in de twaalfde eeuw ook pas in om diepzwarte kleuren te bereiken op textiel (met name wol), zodat het ook waarschijnlijk is dat de stof waarvan de kleding van Constanza’s echtgenoot werd gemaakt, hiermee geverfd was.

Voor het verven van textiel werden geen pigmenten gebruikt maar plantaardige verfstoffen en de plant waar de blauwe kleurstof indigo uit werd gewonnen was wede (Isatis tinctoria). Als blauw het pestertje onder de pigmenten is, om met Wieteke van Zeil te spreken, dan is het dat ook onder de verfstoffen want het is enorm moeilijk om de kleurstof uit de plant te halen. Weliswaar zijn er in de zoutmijn van Hallstatt (Oostenrijk) en de grotten van Adaouste in Zuid-Frankrijk al duizenden jaren oude blauw geverfde stukjes textiel gevonden, maar tot een grootschalige toepassing van de kleur blauw kwam het pas in de twaalfde eeuw. Pas toen ontdekten textielververs methoden om diepblauwe kleuren te verven… met wede.

De twaalfde eeuw was ook de periode waarin door een aantal technische vernieuwingen of uitvindingen (bijvoorbeeld het horizontale weefgetouw, het spinnewiel of de volmolen) de wolindustrie en de internationale wolhandel een enorme vlucht nam. Niet zo verwonderlijk dat in het spoor daarvan ook een groeiende handel in verfstoffen ontstond en dat er steeds meer landbouwgrond werd gereserveerd om er verfplanten op te telen. Immers, als wol goed en mooi was geverfd kon de waarde ervan soms vertienvoudigen.

Tot grotere percelen met verfplanten kwam het in Jülich eerst op de kloosterdomeinen, later ook op de adellijke domeinen en ook zelfstandige boeren hielden zich bezig met de teelt van wede. Maar de plant werd niet alleen in het hertogdom Jülich verbouwd. Wedeteelt was in de dertiende eeuw ook belangrijk in de Haspengouw, Belgisch Brabant, Noord-Frankrijk en Thüringen.

Waarom is het dan waarschijnlijk dat de jurk van onze Constanza dan met verfstoffen uit Jülich was geverfd?

De Antwerpse markt

In de tijd dat Van Eyck zijn schilderij maakte, was Antwerpen de belangrijkste markt voor verfstoffen. En juist in die tijd domineerde de wede uit Jülich de handel op die markt. Dat was althans de uitkomst van een onderzoek door de historicus G. Asaert. Over de periode 1394-1480 vond hij 206 contracten terug die op de Antwerpse markt waren gesloten en die betrekking hadden op de verkoop van wede. Bij 135 van die 206 contracten waren kooplieden uit de Nederrijn betrokken, dus ongeveer tweederde van het totaal. De rest kwam vooral uit Noord-Frankrijk en in geringere mate uit de Haspengouw. De wede uit de Languedoc (die daar ‘pastel’ wordt genoemd) die in de zestiende eeuw de Antwerpse markt zou gaan overheersen, werd hier vóór 1480 nog niet aangeboden.

Wede was ook voor de Roermondse wolhandel een belangrijk product. Het staat vast dat in de stad blauwververs actief waren, die geverfd moeten hebben met wede. Er zijn weliswaar meer planten die de blauw kleurende verfstof indigo bevatten, maar die werden hier pas in de zestiende of zeventiende eeuw beschikbaar.

Ook weten we dat wede hier niet alleen werd gebruikt door ververs, maar ook dat Roermondse handelaars de verfstof vanaf de stad over de Maas verder stroomafwaarts vervoerden, richting Dordrecht maar ook naar de Oost-Nederlandse Hanzesteden en mogelijk zelfs verder richting de Oostzee.

In een andere blog wordt ingegaan op de productiewijze van wede, en of daaruit conclusies zijn te trekken voor Roermond.